De cijfers liegen er niet om. Nog maar 35 procent van de Nederlandse bedrijven streeft naar een verwaarloosbare ecologische voetafdruk vóór 2030, waar dat twee jaar geleden nog meer dan de helft was. Liefst 31 procent van de bedrijven ambieert geen of pas na 2050 een verwaarloosbare voetafdruk, concludeerden het Amsterdam Centre for Business Innovation (ACBI) en SEO Economisch Onderzoek in de Nederlandse Innovatie Monitor 2025.
Hoogleraar strategie en innovatie Henk Volberda is directeur van het ACBI en betrokken bij het onderzoek. De ontwikkelingen baren hem zorgen, zegt hij. ‘Je kunt wel zeggen: Nederland is zo klein dat het voor het klimaat weinig uitmaakt wat we doen. Maar juist omdát Nederland zo klein is, moet er iets veranderen. Want in dit kleine land wonen wel heel veel mensen en dieren bij elkaar. En die ademen nu allemaal vervuilde lucht in en eten voedsel van vervuilde grond.’
Klimaat heeft minder prioriteit bij bedrijven
Voor een deel van de oorzaak van de trends wijst hij – niet onverwacht – richting de Amerikaanse president Donald Trump. ‘In de VS worden bedrijven die met duurzaamheid bezig zijn gewoon verketterd’, ziet hij. ‘Dat is voor hen een reden om duurzaamheid minder prioriteit te geven, of er in elk geval minder over te communiceren.’
Toch is de Amerikaanse politiek niet de enige reden dat bedrijven minder duurzaamheidsambities hebben, zegt Volberda. ‘Het grootste deel van de bedrijven is erachter gekomen dat verduurzamen veel geld gaat kosten. Die investeringen kunnen of willen ze niet altijd doen. Daarom zie je dat vooral grote vervuilende bedrijven, voor wie verduurzaming een grote kostenpost is, minder ambitieus worden. Dienstverleners zijn het vaak nog wel, maar voor hen is het natuurlijk relatief makkelijk.’
Veel bedrijven geven op korte termijn meer prioriteit aan winstgevendheid dan aan verduurzaming. Dat het klimaat überhaupt minder aandacht krijgt dan bijvoorbeeld geopolitieke ontwikkelingen zal niet meehelpen, zegt Volberda. Maar hij weet ook: ‘Dat is heel dom.’
Want als je het aan experts vraagt, zijn extreme weersomstandigheden, verlies van biodiversiteit en een gebrek aan natuurlijke hulpbronnen over tien jaar de grootste risico’s voor de economie. Desinformatie, cyberoorlog en onwenselijke gevolgen van AI komen pas daarna.
Rapportageregels voor duurzaamheid afgezwakt
Toch klagen bedrijven steen en been over de regels die hen dwingen te verduurzamen, met een beroep op het rapport van voormalig ECB-president Mario Draghi uit 2024, dat concludeerde dat Europa veel minder snel innoveert dan de VS en China. Een stortvloed aan regels en verplichtingen zou de reden zijn. In reactie daarop heeft de EU onder meer duurzaamheidsrapportageregels CSRD en CSDDD flink afgezwakt. In Nederland sneuvelde dit jaar de CO2-heffing voor de industrie.
Want vindt Volberda daarvan? De hoogleraar maakt zich naar eigen zeggen grote zorgen om het klimaat, maar ook om het concurrentievermogen van Europa. Hij stelt dat we de klimaatdoelen niet los moeten laten, maar wel moeten kijken hoe we die zo effectief mogelijk kunnen bereiken. ‘Misschien is rapportage inderdaad niet de beste manier. Kunnen we die versimpelen zonder dat we het effect verliezen.’
‘Als commissaris bij bedrijven heb ik vaak genoeg gezien dat er meerdere mensen werden aangenomen om aan rapportageverplichtingen te voldoen,’ vervolgt Volberda, ‘terwijl er in de praktijk weinig concrete gedragsverandering was. Zo’n rituele regendans is onnodig. Ik zie liever dat een bedrijf minder rapporteert, maar wel serieus werk maakt van het klimaat.’
Duurzaamheid is big business
Liever kijkt hij dus naar de doelstellingen van bedrijven, en wat ze doen om die te halen. ‘Daarin ben ik wel flink teleurgesteld’, zegt Volberda, verwijzend naar de Innovatie Monitor. Zonde, vindt hij: ‘Verduurzaming is voor veel bedrijven niet alleen een investering, maar levert ook echt wat op. Kijk naar Heineken. Hun besparingen in waterverbruik zijn niet alleen duurzaam, maar zorgen ook voor kostenbesparing.’
‘Op lange termijn levert duurzaamheid veel concurrentievoordelen op. China heeft dat goed begrepen; daar ziet men dat windmolens en elektrische auto’s big business zijn’, geeft de hoogleraar aan. ‘Je ziet nu ook in Nederland dat de omzet van duurzame producten stijgt. Consumenten zijn loyaler aan duurzame bedrijven en banken geven hen eerder financiering.’
Volberda wijst er ook op dat consumenten en andere stakeholders steeds kritischer worden. ‘We accepteren gewoon niet meer dat we ziek worden door vervuilde producten.’
Intrinsieke motivatie én beleid
De vraag blijft: wie maakt bedrijven bewust van de grote voordelen die verduurzaming met zich meebrengt? ‘Uiteindelijk moet het intrinsieke motivatie zijn’, weet Volberda. ‘Je kunt een paard wel naar de beek brengen, maar het moet zelf drinken. We kunnen het klimaatprobleem niet met alleen overheid en ngo’s oplossen.’
Dat betekent echter niet dat beleid onbelangrijk is. Er zijn wel degelijk overheidsmaatregelen die bedrijven kunnen stimuleren. ‘Je zou bijvoorbeeld kunnen overwegen om fiscale voordelen te geven aan bedrijven die veel duurzaamheidswinst behalen, bijvoorbeeld door hun uitstoot of energie- of waterverbruik te verminderen. Daarbij kijk je dan niet naar hun absolute uitstoot, maar vooral naar de veranderingen daarin.’
Nationale investeringsbank voor projecten met een publiek belang
Gaat het over duurzaamheidsbeleid in Nederland, dan wordt weleens gezegd dat we de meest vervuilende bedrijven de deur moeten wijzen. Daar is Volberda niet zo’n voorstander van. ‘Doen we het hier niet meer, dan verplaatst het waarschijnlijk naar een plek waar veel meer vervuiling toegestaan wordt’, stelt hij vast. ‘Maar we zullen wel moeten kijken: welke basisindustrie vinden we het belangrijkst in Nederland? Die bedrijven moeten we vervolgens een beetje helpen met verduurzaming.’
Daar waren de zogenoemde maatwerkafspraken met de overheid voor bedoeld. Maar daarvan zijn er pas enkele in de maak, met de Twentse zoutproducent Nobian, Tata Steel en suikerverwerker Cosun.
Een alternatief is een nationale investeringsbank, waarvoor tientallen ceo’s, ondernemers en bestuurders pleiten. Die zou publieke financiering moeten verstrekken waar de markt (nog) niet in voorziet, op een grotere schaal dan nationale financieringsinstelling Invest-NL doet. Landen als Frankrijk, Duitsland en Noorwegen hebben al een nationale investeringsbank. Oud-ASML-topman Peter Wennink adviseert in zijn recente rapport ook zo’n bank voor Nederland.
Positief over plannen van Jetten en Bontenbal
Een nationale investeringsbank zou de energietransitie in Nederland kunnen versnellen door bijvoorbeeld warmtenetten en waterstof een push te geven. Dat vindt Volberda ‘helemaal geen gek idee’. ‘Als het gaat om projecten van publiek belang, is een nationale investeringsbank een geschikt middel. Daar zitten dan specialisten op het gebied van duurzaamheid die een goede inschatting kunnen maken van wat iets in de toekomst oplevert. Het maken van maatwerkafspraken ligt nu bij het ministerie van Economische Zaken, maar het zou beter zijn om het vanuit een duurzaam investeringsperspectief te doen.’
Hoewel hij de verantwoordelijkheid om te verduurzamen grotendeels bij bedrijven zelf legt, ‘kan de overheid ze wel een zetje geven’, vindt hij. ‘Met name in het geval van het midden- en kleinbedrijf. Denk aan een transportbedrijf dat alle diesels ineens moet vervangen door elektrische wagens. Dat gaat om enorme investeringen.’
Dit zijn keuzes die op politiek niveau genomen moeten worden. Er hangt dus veel af van de formatie, zegt Volberda. ‘De afgelopen twee jaar heeft Nederland nagenoeg stilgestaan. Allerlei fiscale prikkels om te verduurzamen zijn gestopt. Als ik nu kijk naar de plannen van Jetten en Bontenbal, dan ben ik heel positief. Het hangt nu af van welke partijen aanschuiven welke kant het opgaat.’
Nederland leidend in duurzame ontwikkeling
Tegelijkertijd zijn er ook een heleboel bedrijven die niet op de politiek wachten, ziet Volberda. Hij was betrokken bij de totstandkoming van de Sustainable Development 400: een ranglijst van de duurzame koplopers in Nederland. Daarin staat bijvoorbeeld Fairphone: volgens Volberda een goed voorbeeld van een nieuw, duurzaam verdienmodel.
‘Fairphone vervangt wegwerpproducten door modulaire componenten. Als er een onderdeel stukgaat, hoef je niet de hele telefoon te vervangen, maar gewoon het betreffende onderdeel. Op zulke technologie moeten we trots zijn’, vindt Volberda. ‘Ik geloof dat Nederland een leidende rol kan pakken in het ontwikkelen van duurzame producten. Zo zie je dat concurrentievermogen en duurzaamheid elkaar niet hoeven te bijten, maar ook kunnen versterken.’
De hoogleraar ziet dit soort bedrijven als een voorbeeld voor andere. ‘Ja, een bedrijf heeft een winstgevend verdienmodel nodig. Maar dat mag niet het enige zijn. Ik vind dat er naast een economische doelstelling ook altijd een sociale doelstelling moet zijn. Het gaat tenslotte wel om onze toekomst.’




