Jeroen de Boer
19 november 2025, 16:55

Sander Pleij (Ayvens Nederland): ‘We zullen niet zomaar accepteren dat iemand zegt: doe mij nog maar een rondje diesel’

Als grootste leasemaatschappij van Nederland is Ayvens een van de trekpaarden bij het verduurzamen van het Nederlandse wagenpark. ‘De zakelijke leasemarkt is de belangrijkste aanjager van de groei van het aantal elektrische voertuigen in Nederland. De uitdaging is nu om dat meer circulair te maken door elektrische leaseauto’s een tweede of zelfs derde leven te geven als occasion’, zegt managing director Sander Pleij van Ayvens Nederland. ‘Op de zakelijke markt is er inmiddels zoveel keuze, dat er eigenlijk geen reden meer is om niet elektrisch te rijden.’

Sander Pleij Ayvens leasemaatschappij elektrisch rijden Managing director Sander Pleij van Ayvens Nederland,. | Credits: Ayvens / Bewerking Change Inc.

Je bent twee jaar geleden, na de overname van LeasePlan door ALD Automotive, de managing director Nederland van fusiebedrijf Ayvens geworden. Wat is daarbij de grootste verandering geweest?

‘We zijn nu onderdeel van een grote, Franse bank, terwijl we in de periode dat ik bij LeasePlan zat een private equity-investeerder als aandeelhouder hadden. Dat geeft een andere dynamiek. LeasePlan had al een bankvergunning, maar het toezicht vanuit de Europese Centrale Bank is intensiever geworden, nu we onderdeel zijn van Société Générale.

Dit betekent onder meer dat je aan veel regels moet voldoen bij het informeren van klanten en dergelijke, terwijl niet al onze concurrenten in datzelfde speelveld opereren. Tegelijk worden we door klanten juist hierdoor als een solide, betrouwbare partij gezien, omdat Ayvens onderdeel is van een grote financiële instelling.

In Nederland brengen we de onderdelen van het oude ALD Automotive en LeasePlan die nu nog op verschillende plekken in Hoofddorp en Almere gevestigd zijn, volgend jaar bij elkaar in het nieuwe hoofdkantoor ‘Joan’ in Amsterdam langs de A10. Dat komt dus ongeveer halverwege samen.’

Ayvens is actief met zakelijke en private lease, zowel voor nieuwe auto’s als occasions. Hoe ontwikkelen die verschillende marktsegmenten zich?

’Van oorsprong zijn we georiënteerd op de zakelijke markt voor bedrijven die het vervoer voor hun werknemers regelen met een leaseauto. De laatste jaren zie je echter dat er een enorme transformatie plaatsvindt met de opkomst van private lease bij particulieren. Dat doen we als Ayvens direct, maar ook via partners zoals de ANWB, waarvoor we de hele achterkant van de operatie verzorgen.

Private lease is zeer hard gegroeid, zodat de vlootverhouding tussen zakelijke en private lease bij Ayvens in Nederland richting de vijftig-vijftig begint te gaan.

In het verlengde hiervan wordt de occasionmarkt belangrijker, met daarbij een groeiend aanbod van elektrische auto’s. Hierdoor zie je ook weer nieuwe ontwikkelingen, omdat particulieren het soms bijvoorbeeld prettig vinden om niet meteen voor vier jaar aan een leasecontract voor een elektrische auto vast te zitten. Daar spelen we onder meer op in via abonnementsmodellen, waarmee je een auto voor een paar maanden kunt uitproberen.

Dit alles vraagt van ons een omslag in de dienstverlening, omdat bijvoorbeeld particulieren steeds meer volledig digitaal opereren. Ze willen alles via een app kunnen regelen en niet meer per se op locatie een auto bekijken.’

Interviewserie Horizon

Hoe versnellen we de duurzame transitie en welke barrières staan in de weg? In de interviewserie Horizon spreekt Change Inc. met ceo’s die aan de frontlinie staan van verandering. Over de dilemma’s die ze tegenkomen, de afwegingen die ze maken en de kansen die ze zien om hun sector én bedrijf duurzamer te maken.

In de zakelijke markt kiest een deel van de werkgevers voor mobiliteitsbudgetten. Speelt private lease daarbij ook een rol?

‘Bij mobiliteitsbudgetten stel je als werkgever een bedrag beschikbaar aan de werknemer voor hybride mobiliteitsoplossingen. De werknemer kan dan bijvoorbeeld een OV-kaart of fiets nemen in combinatie met een private leaseauto.

Voor de werkgever betekent dit wel dat die geen grip heeft op bijvoorbeeld het soort private leaseauto dat de werknemer kiest. Dat beslissen werknemers zelf, zodra het budget netto op hun bankrekening staat. Dat kan best complex zijn, wanneer je als werkgever elektrisch rijden wilt stimuleren vanwege bijvoorbeeld rapportageverplichtingen over de CO2-uitstoot van je bedrijfskilometers, terwijl een werknemer kiest voor benzine of diesel via private lease.’

Stimuleert Ayvens de adoptie van elektrisch rijden actief bij werkgevers?

‘Dat doen we zeker. Als bedrijf werken we met doelstellingen voor emissiereductie, maar ook voor werkgevers wordt dit steeds relevanter als ze hun emissievoetafdruk willen verkleinen. We hebben daarin een belangrijke adviesrol om voor klanten de stap naar elektrisch rijden makkelijker te maken.

Dat speelde bijvoorbeeld sterk toen een reeks gemeenten kwam met zero-emissie zones in binnensteden. Voor veel bedrijven was dat een grote uitdaging en we zijn toen gestart met de campagne switch to electric. Onze insteek is daarbij niet ‘beste ondernemer, u mag vanaf 1 januari geen diesel of benzine meer rijden’. Als een bedrijf daarmee worstelt, kan men best nog een dieselbus bestellen, maar we bieden dan wel aan om die kosteloos in te leveren zodra het bedrijf klaar is voor de overstap naar elektrisch.

De mogelijkheden om je bedrijfswagenpark te elektrificeren zijn tegenwoordig zo uitgebreid, dat er in mijn ogen eigenlijk geen excuus meer is om niet elektrisch te rijden. Onze eigen werknemers zijn zich er ook goed van bewust dat Ayvens, met bijna 350.000 voertuigcontracten in beheer in Nederland, bij uitstek een rol heeft om verduurzaming van het wagenpark te versnellen.

We werken expliciet met kpi’s waarbij de CO2-impact onderdeel is van prestatiedoelen. We zullen een klant nooit tot iets verplichten, maar we accepteren het ook niet zomaar als iemand zegt: doe mij nog maar een rondje diesel. Dat is echt wel iets om een gesprek over te voeren.’

Voor 2027 is er nieuwe wetgeving in de maak die werkgevers belast met een extra fiscale heffing, als werknemers een benzine- of dieselauto krijgen bij zakelijke lease. Wordt volledig elektrisch daarmee in de praktijk vrijwel de enige keuzemogelijkheid voor bedrijven?

‘De wetgeving is nog niet definitief, maar de pseudo-eindheffing kan inderdaad grote gevolgen hebben voor werkgevers. Zoals het er nu voorstaat, krijgt de werkgever te maken met een extra heffing als leaseauto’s niet volledig elektrisch zijn.

Dit lijkt overigens ook te gaan gelden voor hybride. Wat ons betreft gaat dat net een stapje te ver, omdat een hybride auto tegenwoordig prima 80 tot 90 kilometer op de accu kan rijden. Daarmee kun je vrijwel alle zakelijke ritten elektrisch afleggen. Het zou logischer zijn om hybrides onder dezelfde vrijstelling te laten vallen als volledig elektrische auto’s.’

Waar liggen wat jou betreft momenteel de grootste uitdagingen voor Ayvens zelf om verder te verduurzamen?

‘Voor de eigen werknemers heeft Ayvens in 2018 al besloten om over te stappen naar elektrisch rijden. Op het moment dat je klanten gaat adviseren over elektrisch rijden, ligt het voor de hand om daar zelf ervaring mee op te doen.

De uitdaging ligt nu vooral bij het feit dat we met veel partners samenwerken. De auto’s komen van verschillende leveranciers, terwijl je ook bij schade te maken hebt met diverse partijen. Als er ruitschade is, wordt dat door een bepaalde partner gedaan, maar banden komen weer van andere leveranciers.

Voor de toekomst willen we nog meer in de keten kijken naar verduurzaming en dan moet je daar met leveranciers afspraken over maken. Dat betekent ook dat je bij de selectie van leveranciers duurzaamheid meeweegt.’

Hoe groot is het aandeel van elektrisch inmiddels in het wagenpark van Ayvens?

‘Op groepsniveau ligt het tussen de 15 en 20 procent. Je mag ervan uit gaan dat dit in Nederland een stuk hoger ligt.

Onze grote corporate klanten bestellen in principe alleen nog maar elektrisch voor zakelijke lease. Dat betekent dat er steeds meer elektrische auto’s op de markt komen na de eerste leasetermijn. Met de nieuwe remarketing hub die we afgelopen oktober in Veghel hebben geopend, willen we de occasionmarkt een impuls geven. In totaal komen daar 50.000 leaseauto’s per jaar langs. Die zijn niet allemaal elektrisch, maar dat worden er wel steeds meer.’

In de eerste helft van dit jaar was er flinke stijging van de export van elektrische occasions. Hoe kijk je daar tegenaan?

‘De zakelijke leasemarkt is de belangrijkste aanjager van de groei van het aantal elektrische voertuigen in Nederland. De uitdaging is nu om dat meer circulair te maken door elektrische leaseauto’s een tweede of zelfs derde leven te geven als occasion. In dat verband is het van belang om zoveel mogelijk elektrische auto’s in Nederland te houden.

Feit is wel dat ook in deze markt het water naar het laagste punt stroomt. Als er in Nederland onvoldoende vraag is, terwijl prijzen in andere Europese landen aantrekkelijker zijn, verdwijnen auto’s naar het buitenland. Je kunt dan niet om de fiscaliteit heen. Het is belangrijk dat Nederland een consistent beleid voert voor de langere termijn, als je de markt voor elektrische occasions aantrekkelijk wilt houden.

Ik zou in dit verband willen pleiten voor maatregelen zoals het opnieuw invoeren van de Sepp-subsidie bij de aankoop van een elektrische occasion. Vanuit zakelijk perspectief is ook de bijtelling voor privé-gebruik van belang. Als na een eerste leasetermijn het reguliere tarief van 22 procent gaat gelden voor een occasion, is dat minder aantrekkelijk.

Je zou voor elektrische occasions eenzelfde regeling kunnen invoeren als de bijtelling voor young timers, waarbij een lagere bijtelling geldt voor tweedehands leaseauto’s.’

Hoe maakt Ayvens een selectie uit elektrische leaseauto’s die in aanmerking komen voor het eigen occasionaanbod?

‘Als leaseauto’s bij de remarketing hub komen, worden ze uitgebreid getest. Niet elke auto is geschikt. Een elektrische auto met 30.000 tot 40.000 kilometer op de teller, kan vaak nog prima mee als occasion voor private lease. Met 100.000 kilometer ligt dat weer anders.

Een deel verkopen we daarom door aan de tussenhandel. Auto’s die we in het eigen aanbod zetten, worden helemaal gereviseerd. We kijken daarbij onder meer goed naar de accu, want dat is een cruciaal onderdeel. De accu krijgt een certificaat van de state of health, dat aangeeft wat het batterijpercentage is voor de resterende capaciteit.’

De batterijtechnologie van elektrische auto’s verbetert nog sterk. Hoe gaat Ayvens daarmee om bij het inschatten van de restwaarde?

‘Het is inderdaad zo dat nieuwe elektrische auto’s steeds beter worden, maar die ontwikkeling gaat wel wat langzamer dan je bij smartphones hebt gezien. De actieradius en laadsnelheden verbeteren, maar auto’s die terugkomen uit een eerste of tweede leaseperiode zijn vaak nog uitstekend om te rijden.

Het managen van risico’s rond de restwaarde is precies datgene waar je als leasemaatschappij waarde toevoegt. Niet iedereen wil dat risico lopen en dan maakt het veel verschil of je één auto hebt of een breed scala aan modellen. Juist daardoor kunnen we de waarde-ontwikkeling behoorlijk goed inschatten. Daarnaast maken we op de occasionmarkt gebruik van verschillende afzetkanalen, waardoor je ook weer risico’s kunt spreiden’.

Met de nieuwe remarkting hub in Veghel beschikt Avyens ook over een soort energiehub met 10.000 zonnepanelen en flink wat batterijcapaciteit van elektrische auto’s. Biedt dat mogelijkheden om flexibele stroomcapaciteit te leveren aan het net?

‘Absoluut. We hebben in Veghel standaard een grote vloot elektrische auto’s staan die per stuk vaak een batterijcapaciteit hebben van 70 tot 90 kilowattuur. We verwachten dat dit aantal verder groeit, dus dat levert behoorlijk wat opslagcapaciteit op.

Wel is het zo dat nog niet al die auto’s geschikt zijn voor bi-directioneel laden en daar heb je ook weer speciale laadpalen voor nodig. Sommige autoleveranciers zoals Kia zijn daar nu al mee bezig. Het is dus iets waar we met verschillende partijen over praten, waaronder energieleveranciers en netbeheerders. De komende jaren willen we er echt werk van gaan maken.’

Lees ook:

Changemaker Joost Hoffman (Moos): 'We moeten niet vechten om de punt, maar de duurzame taart groter maken'

Vorige maand won Moos de internationale Built by Nature-prijs voor het project Appelweg in Amsterdam-Noord. Bewoners van 63 appartementen kijken daar uit over het water, vanuit een appartement dat grotendeels uit hout en duurzaam beton bestaat.Het complex is gebouwd volgens een modulair bouwsysteem, vertelt Moos' directeur Joost Hoffman. De woningen worden in delen geproduceerd bij Nederlandse productiebedrijven, samengesteld in Moos' assemblagelijn en op de plaats van bestemming simpelweg opgestapeld en aangesloten. Hoewel de appartementen ruim voldoen aan de eisen voor permanente woningen, zijn ze ook demontabel en verplaatsbaar.Je noemt Moos 'een bouwsysteem voor systeemverandering'. Wat moet er zoal veranderen?'We hebben een nijpend tekort aan woningen en vakmensen, en beide tekorten lopen alleen maar op. We zeggen hier vaak: als je blijft doen wat je deed, krijg je wat je kreeg. En dus moeten we anders produceren. Tegelijkertijd stoot de traditionele bouw enorme hoeveelheden CO2 en fijnstof uit én ontstaat er veel afval. We blijven maar nieuwe grondstoffen gebruiken en weggooien. Ik erger me aan die waardevernietiging.Om dat te veranderen moeten we bouw weer gaan zien als waardecreatie. Om kosten te besparen doen we nu vooral mínder. Minder ramen, minder isolatie, dunnere vloeren. Maar als je iets creëert wat over tijd méér waard wordt, is dat voor iedereen beter. Bouwers krijgen hogere marges, de bewoners een beter product.'Hoe zorgen jullie voor die waardecreatie?'Moos is geen bouwer, maar initiatiefnemer. Er zijn kennis en productiecapaciteit genoeg, alleen moeten we die op een efficiëntere manier gebruiken. Grappig genoeg werken er bij ons weinig mensen met een bouwachtergrond. We kijken meer naar slimme ontwerpen, het inzetten van technologie en wat we van andere industrieën kunnen leren.We bouwen de woningen in een partner-ecosysteem. Dat betekent dat we een netwerk van 17 onafhankelijke specialisten hebben die samen de verantwoordelijkheid nemen voor ontwerp, productie, assemblage en realisatie. Dat gaat veel verder dan de standaard samenwerkingen. Alle prijzen liggen open. En partners krijgen pas betaald als de volledige module af is. Je kunt geen deelfactuur sturen voor een deelgebouw, want in een deelgebouw kun je niet wonen.Door die afspraken gaan alle partijen samenwerken om te innoveren en optimaliseren. Iedereen wil modules zo snel mogelijk af krijgen, zodat ze die factuur kunnen sturen. Dat stimuleert de snelheid én duurzaamheid enorm.'[caption id="attachment_169123" align="alignnone" width="900"] Het prijswinnende gebouw Moos Appelweg bestaat grotendeels uit hout en duurzaam beton. | Credits: Moos[/caption]Het lijkt lastig om mensen over te halen mee te werken aan iets waarvoor ze niet direct betaald krijgen. Hoe doe je dat?'We vragen bedrijven altijd of ze erin geloven dat we op een andere manier moeten samenwerken om de bouw te veranderen. Veel bedrijven zeggen nee. De bedrijven die wel ja zeggen, zijn vooral familiebedrijven die hun bedrijf willen doorgeven aan de volgende generatie. Die zitten vaak al vol innovatieve ideeën.Het eerste project hebben we zonder contracten gedaan. Gewoon, puur op basis van een handshake. Dat is onvoorstelbaar in de bouw. Het laat het belang van vertrouwen zien. Dat is cruciaal.Daarbij merken we dat partners positief verrast worden door hoe snel het kan gaan als je goed samenwerkt. Omdat er op meerdere locaties geproduceerd wordt, kunnen we ook op meerdere plekken innoveren en testen. Ons systeem wordt heel veel sneller verbeterd dan de rest. Dat gaat om vraagstukken over de snelheid van het stapelen tot bijvoorbeeld de luchtdichtheid van woningen.'Waarom focussen jullie op sociale huur?'Een te grote groep is ontevreden over de huidige maatschappij. Ik denk dat goede huisvesting het begin van een verandering kan zijn. Als mensen een veilig thuis hebben waar ze trots op zijn, kunnen ze gemakkelijker meedoen in de maatschappij.In sociale woningbouw is de grootste sprong te maken in kwaliteit én aantallen van woningen. We focussen daarbij ook heel erg op ontmoetingsplaatsen voor bewoners. We blijven betrokken, ook als de sleutel is overgedragen. Met een buurtbarbecue bij opening van het gebouw, en een jaar later met een koffiemoment. De helft van onze medewerkers is bij Moos gekomen omdat ze duurzaamheid belangrijk vinden, de andere helft schuift hier vooral aan om fijnere buurten te maken.'Die focus betekent ook dat jullie de prijs laag moeten houden.'We ontwikkelen een woning die op bijna alle plekken in Nederland kan staan. Als we dat ene systeem jarenlang niet meer hoeven te wijzigen, drukt dat de kosten enorm. Daardoor kunnen we kwalitatieve woningen realiseren die binnen het budget van corporaties vallen.Het blijft wel een uitdaging om de projectgedreven vastgoedmarkt te verenigen met het industriële proces van woningbouwfabrieken. We ondervangen dat deels met voorraadproductie. We blijven dan modules produceren en passen alleen de assemblagesnelheid aan de projecten aan. Ook die continuïteit houdt de prijs onder controle.'Hoeveel last hebben jullie van de problemen in de traditionele bouw?'Natuurlijk hebben wij ook te maken met lange vergunningsprocessen en wachtrijen voor het stroomnet. Maar over het algemeen gaat het goed. We hebben een volle pijplijn. Het bezettingspercentage van onze assemblagelijn is zo'n 65 procent, dat is relatief hoog.Het zou wel fijn zijn als er een kabinet komt dat vier jaar blijft zitten. En als er duidelijke beslissingen gemaakt worden, ook als ze moeilijk zijn.De inspraakprocedures moeten bijvoorbeeld korter. Het recht op klagen is in Nederland groter dan het recht op wonen. Eén bewoner kan honderden woningen blokkeren door naar de rechter te stappen. Dat is een strop voor de industrie. Dat moet de overheid kunnen overrulen, hoe vervelend het voor die ene bewoner ook is.'Ruim 60 procent van jullie woningen bestaat uit biobased materiaal. Is het de ambitie om naar 100 procent te gaan?'We maken inderdaad nog gebruik van staal en duurzaam beton, onder meer voor vloeren, galerijen en de kern van een huis. In theorie zouden de kernen en vloeren ook van hout kunnen zijn. Maar als je met houten vloeren werkt in modules als de onze, is het bijvoorbeeld lastig om het geluid tussen woningen te dempen. Er zijn veel technische uitdagingen.Voor ons is dit nu de perfecte balans tussen duurzaamheid, kwaliteit, snelheid en betaalbaarheid. Ik denk persoonlijk ook niet dat elk gebouw uit 100 procent biobased materialen moet bestaan. Voor sommige delen is het juist logischer om ze van staal of beton te maken. Daarom probeer ik ook die sectoren mee te nemen in verduurzaming.Ik loop niet per se mee in de houtpolonaise. Ik geloof meer in de juiste materialen op de juiste plek, gebruikt op een manier die hergebruik mogelijk maakt.'[caption id="attachment_169121" align="alignnone" width="900"] De woningen van Moos hoeven ter plekke alleen nog te worden gestapeld en aangesloten. | Credits: Moos[/caption]Vind je die balans tussen duurzaamheid en betaalbaarheid lastig?'Zeker. In het begin moet je dingen neerzetten waar je zelf heel erg in gelooft, maar nog niks aan verdient. Dat was voor ons de enige manier om ons in te vreten in de markt en te bewijzen dat we een businesscase hadden.We moesten aan de achterkant soms puzzelen om te kunnen laten zien dat je aan de waardekant geen concessies hoeft te doen. Maar met effect. Ymere komt nu al voor de vierde keer terug voor een project.'Jullie geloven zelfs zo erg in jullie concept dat jullie een terugnamegarantie geven.'Wij nemen onze woningen die op een tijdelijke vergunde locatie staan inderdaad terug tegen een afgesproken restwaarde. Op een andere locatie kunnen we ze opnieuw inzetten. Voor zover ik weet zijn we de enige die dat durven doen. We garanderen ook subsidies als we erin geloven dat we die binnenhalen voor de opdrachtgever.Duurzame bedrijven moeten veel meer staan voor wat ze maken. Dat helpt opdrachtgevers ook om te veranderen. Die zijn niet onwelwillend, maar zijn simpelweg gewend om al honderd jaar hetzelfde in te kopen. Wij willen de mismatch tussen de snelle veranderaars en de logge ambtelijke systemen overbruggen.Daarmee maken we ook de taart voor de duurzame bouwwereld groter. We vechten nu allemaal om één klein taartpuntje, om een paar woningen. Met honderdduizend woningen om te bouwen kunnen we allemaal gemakkelijk een enorm goede businesscase neerzetten.'Met wie wil je nog samenwerken?'Ik zou graag grote pensioengelden aanwakkeren om de industrie echt te stimuleren. De inzet voor duurzame houtbouw is nu vaak nog een wassen neus vergeleken met andere investeringen.Daarbij hebben we ambities om naar het buitenland te gaan. Ik geloof niet dat we modules in Nederland moeten fabriceren om ze in het buitenland te plaatsen, maar de manier van denken is elders natuurlijk wél goed toepasbaar. Heel West-Europa heeft een woningtekort. En als de slepende oorlog in Oekraïne eindelijk over is, kan modulair bouwen ook daar bijvoorbeeld een goede manier zijn om lokaal heel snel veel woningen te bouwen.Als ik door mag dromen hoop ik dat we deze manier van samenwerken breed kunnen verspreiden. Andere bedrijven opzoeken en elkaars specialisme benutten, elkaar iets gunnen in plaats van elkaar het vel over de oren te halen. Dat is hard nodig om de industrie te veranderen.' Lees ook:Changemaker Corjan van den Berg (Revyve): 'Als je het voedselsysteem efficiënter wilt maken, moet het dier eruit' Changemaker Marieke Doolaard (HEMA): 'Je moet dingen zo aanpakken dat de klant er blij van wordt' Changemaker Dionne Ewen (Ahrend): 'Als je net zo goede kwaliteit levert, hoef je een product niet per se als duurzaam te framen'