Redacteur Maaike
Maaike Kooijman
18 december 2025, 14:00

'Polarisatie kan teken van sociaal kantelpunt zijn', zegt hoogleraar duurzaamheid & marketing Jan Willem Bolderdijk

Willen we het makkelijker maken om duurzaam te leven, dan moeten we het ‘systeem’ aanpassen waarin we keuzes maken. En daarop hebben we meer invloed dan we denken, zegt hoogleraar Jan Willem Bolderdijk. ‘Denken dat iets “nou eenmaal zo is”, is de doodsteek voor transities.’

Hoogleraar duurzaamheid & marketing Jan Willem Bolderdijk Hoogleraar duurzaamheid & marketing Jan Willem Bolderdijk | Credits: Kirsten van Santen

Twee valleien naast elkaar, en een heuvel ertussen. Die metafoor gebruikt hoogleraar duurzaamheid & marketing Jan Willem Bolderdijk graag als hij praat over gedragsverandering. De ene vallei is het ongewenste gedrag, de andere het gewenste gedrag, en de heuvel een sociaal kantelpunt. Wil je een balletje van de ene vallei in de andere krijgen, dan moet je vooral de heuvel aanpassen.

Het laat zien: de mogelijkheid voor individuen om hun gedrag te verduurzamen, is sterk afhankelijk van hun omgeving, ofwel het ‘systeem’.

Marketing kan sociale context veranderen

Marketing, weet Bolderdijk, is onderdeel van de omgeving die grotendeels ons gedrag bepaalt. Neem onze huidige materiaalintensieve sociale norm, schetst hij. ‘Die is verre van efficiënt meer. Om van A naar B te komen, slepen we 1.200 kilo metaal met ons mee. En om ons warm te houden kopen we 60 nieuwe kledingstukken per jaar. Niet omdat we het nodig hebben, maar omdat dat de huidige sociale context is.’

Die sociale context is heel anders dan een aantal decennia geleden. ‘En je kunt niet ontkennen dat marketing daar een invloed op heeft gehad. Denk aan de autoreclames die je doen denken dat je er niet bijhoort als je geen SUV hebt. Of de fastfashionreclames die je het gevoel geven dat je huidige kleding alweer uit de mode is.’

Om de invloed van marketing op ons (on)duurzame gedrag te begrijpen, is een onderscheid tussen wants en needs nodig, legt Bolderdijk uit. Hij weet: ‘Iedereen wil ergens bij horen, iedereen wil geliefd zijn. Die aangeboren needs kun je niet veranderen. Maar met marketing kun je die needs wel aan andere wants koppelen. Je kunt bijvoorbeeld ook een goed gevoel krijgen van een gerepareerde trui, in plaats van de blits maken in een nieuwe.’

De vijf fases van sociale verandering

Maar wie denkt dat een hoogleraar marketing zich alleen maar bezighoudt met abri’s en advertenties, heeft het mis. Marketing komt vaak neer op het verschuiven van sociale normen. En dus focust Bolderdijk zich ook op het begrijpen van sociale transities.

Zo’n sociale transitie gaat in vijf fases, identificeerde Bolderdijk met collega’s. In de eerste fase, morele erkenning, zet een minderheid van de mensen vraagtekens bij de huidige sociale normen. Vliegschaamte is daarvan een voorbeeld. Het gedrag verandert nog niet per se mee. Andere mensen maken deze pioniers belachelijk, maar toch wordt er ook bij hen een zaadje van twijfel geplant. Die ‘besmetting’ van het netwerk is fase twee: morele versterking.

In fase drie, het naderen van een sociaal kantelpunt, heeft een groot deel van de mensen hun houding aangepast. Maar omdat het ‘systeem’, ofwel de omgeving, nog niet is veranderd, is het moeilijk om het gedrag aan te passen. Zo kun je wel last hebben van vliegschaamte, maar is het in de praktijk moeilijk en vooral duur om de trein te pakken voor enkele honderden kilometers.

Verandert die omgeving vervolgens mee, dan kan dat een kantelpunt veroorzaken waarin verandering zichzelf gaat versterken, stelt Bolderdijk. In fase vier en vijf wordt de nieuwe sociale norm gangbaar, bijvoorbeeld door implementatie in wetgeving en het verdwijnen van in het verleden normale gedragingen.

De vijf fases van sociale verandering. | Credits: Words speak louder than actions, Jan Willem Bolderdijk

In welke fase zit de duurzaamheidstransitie nu?

‘Milieu Centraal voert elke twee jaar een Monitor Duurzaam Leven uit, waarin ze kijken naar de houding rondom gedragingen en het daadwerkelijke duurzame gedrag. Daarin zie je dat het enorm verschilt per onderwerp. Voor de circulaire economie is er al veel draagvlak. Een sociaal kantelpunt lijkt niet ver weg meer. Maar in de voedseltransitie blijft het draagvlak nog achter.

Die monitor laat, net als ons model, goed zien dat observeerbaar gedrag niet alles zegt. Vaak concluderen we op basis van onduurzaam gedrag dat iemand zich ook niet duurzaam wíl gedragen. Maar dat is niet altijd waar. Wat vaak wordt gezien als hypocrisie – het ene willen en het andere doen – kan juist betekenen dat er een kantelpunt aan zit te komen.

Datzelfde geldt trouwens voor polarisatie. Dat wordt als iets slechts gezien, maar discussie over de norm is een onvermijdelijk onderdeel van sociale verandering. Als iemand jou door zijn andere keuzes het gevoel geeft dat je je hele leven iets hebt gedaan wat slecht is voor de planeet, past dat waarschijnlijk niet bij je positieve zelfbeeld. Dan ontstaat er frictie. Maar dat betekent niet dat je er niet over na gaat denken. Polarisatie kan het symptoom zijn van een aankomend kantelpunt: mensen vinden de status quo niet langer vanzelfsprekend en nemen een standpunt in.’

Hoe versnel je zo’n sociaal kantelpunt?

‘Daar doen we nu onderzoek naar. We kijken bijvoorbeeld naar wat we kunnen leren van transities uit het verleden. De Zwarte Pietendiscussie is daar een interessante casus voor. Daarbij zag je heel duidelijk hoe de twijfel over de sociale norm zich door de samenleving verspreidde. Tien jaar geleden associeerde niemand Zwarte Piet met racisme, nu bijna iedereen. We analyseren nu een heleboel Twitter-data over dat onderwerp om te kijken of je zo’n kantelpunt kunt voorspellen. Dat kan ook helpen erop in te spelen.

Roetveegpiet heeft in dit geval echt het verschil gemaakt. Dat was een alternatief dat toch ook een deel van het oude verhaal in stand hield, namelijk dat Pieten door de schoorsteen komen.’

Hoe belangrijk is het dat een alternatief op de oude norm lijkt?

‘Het helpt in elk geval wel. Onvrede over de status quo is niet genoeg; mensen moeten ook het gevoel hebben dat er een haalbaar alternatief is.

Ik denk dat vleesvervangers een deel van de bevolking zeker kunnen helpen meer plantaardig te eten. Als je weer naar het vliegtuig kijkt, zie je ook dat er veel draagvlak is voor de trein binnen Europa. Zo kunnen mensen nog steeds reizen. Het lastige is dat er voor verre bestemmingen nog geen goed alternatief is. Ja, je kunt met de boot, maar daar doe je weken over.’

Wie moet de omgeving veranderen?

‘Het is makkelijk om het ‘systeem’ de schuld te geven. Maar uiteindelijk maakt iedereen onderdeel uit van het systeem. Het helpt bijvoorbeeld al als mensen veel meer praten over hun duurzame keuzes. Daarmee zorgen ze dat de vanzelfsprekendheid van de status quo gaat wankelen. Samen met duurzaam schoenenmerk Nooch en de Hogeschool van Amsterdam doen we onderzoek naar zulke aanknopingspunten voor gesprekken.

Maar ook de overheid kan een rol spelen. Vooral in fase drie, net voor het sociale kantelpunt. De overheid zou bijvoorbeeld kunnen overwegen om reclames die inefficiënte wants aanjagen voor een deel gewoon te verbieden. Daarmee help je innovatieve merken, voor wie het nu heel moeilijk is om op te vallen. Als jij met een duurzame frisdrank op de markt komt, zie dan maar eens op te boksen tegen het marketingbudget van Coca-Cola.’

In dit model komen overtuigingen vóór gedragsverandering. Kan het ook andersom, bijvoorbeeld door mensen ‘stiekem’ plantaardig te laten eten?

‘Ik denk dat het altijd een wisselwerking is. Een deel van de bevolking zal beginnen met een idee, bijvoorbeeld dat ze minder vlees willen eten. Uiten ze die behoefte en zet de McDonald’s een vegaburger op het menu, dan overtuigen de vegetariërs hun vleesetende vrienden misschien om ‘m ook te proberen. Die kunnen dan weer denken: die is veel lekkerder dan ik had verwacht. Gedrag en overtuigingen beïnvloeden elkaar altijd.’

Systeemdenken voor aanjagen sociaal kantelpunt

Ik spreek Bolderdijk op de Universiteit van Amsterdam, waar hij onderzoek doet en lesgeeft. Niet lang daarna beklimt hij het podium tijdens een bijeenkomst van SEVEN, het multidisciplinaire klimaatinstituut van de universiteit.

Het gaat over het versnellen van de eiwittransitie. Bolderdijk vertelt over het onderzoek op SAIL Amsterdam deze zomer. De organisatie wilde een zo duurzaam mogelijk menu aanbieden. Maar als ze alleen plantaardige burgers zou verkopen, zouden klanten gewoon naar de snackbar gaan. Bolderdijk hielp met het in kaart brengen van de keuzes van consumenten om op basis daarvan interventies te ontwikkelen. Wil je verandering teweegbrengen, dan moet je eerst het systeem goed overzien, betoogt hij.

Waarom is dat systeem zo belangrijk?

‘Omdat alles uiteindelijk met elkaar samenhangt. Denk weer aan dat balletje in de vallei. Om te weten hoe je de heuvels verandert, moet je eerst weten hoe ze eruitzien.

Het voedselaanbod met een hoge voetafdruk op festivals heeft bijvoorbeeld meerdere oorzaken. Deels gaat het om verwachtingen van cateraars van wat consumenten willen, deels om ervaringen met eten die mensen eerder hebben gehad. Dat zijn allemaal verschillende dingen waar je op kunt inspelen.

Organisaties – en trouwens ook de politiek – zijn niet gewend om op zo’n manier te denken. Vaak wordt na lang vergaderen en compromissen sluiten één interventie gekozen voor één bepaalde groep. Maar in complexe, dynamische systemen heeft verandering zelden één oorzaak. Een losse interventie is vrijwel nooit genoeg om de bal in een andere vallei te krijgen. Ik vind eigenlijk dat elk nieuw Tweede Kamerlid op de eerste dag het boek Thinking in Systems van Donella Meadows moet lezen.

Ik vind het zelf heel fijn om zo te kijken. Systeemdenken maakt hoopvol. We denken vaak dat we als eenling heel weinig invloed hebben omdat het systeem muurvast zou zitten. Maar de huidige staat van het systeem is een tijdelijke, min of meer toevallige samenloop van verschillende omstandigheden en partijen. Er is veel meer mogelijk dan we denken.’

Wat betekent dat voor duurzame bedrijven?

‘Ook voor hen is het goed om te denken in systemen. Besef dat jij een onmisbaar radartje bent dat indirect de omgeving van anderen in het systeem beïnvloedt.

En bedenk: je hebt meer invloed dan je denkt. Misschien zal jouw bedrijf niet degene zijn die uiteindelijk financieel de vruchten plukt van een sociale transitie, maar dat betekent niet dat jouw aandeel niet belangrijk is geweest. Juist koplopers die de status quo uitdagen spelen een belangrijke rol. Misschien is wat jij nu doet wel cruciaal voor een ander bedrijf dat over tien jaar het verschil maakt. Dat moeten we meer waarderen.’

Lees ook:

3 jonge energietechbedrijven slaan met warmtebatterijen een brug tussen duurzame stroom en industriële warmte

Brood bakken, papier produceren of stoffen scheiden voor de productie van medicijnen. Voor al die processen is warmte nodig. Het is dan ook niet vreemd dat een groot deel van de energievraag van de Nederlandse industrie uit warmte bestaat.Bij de eindvraag naar energie van de industrie heeft warmte in Nederland een aandeel van bijna 100 terawattuur op jaarbasis. Dat is ongeveer drie keer zoveel als de vraag naar elektriciteit van de industrie, blijkt uit berekeningen van Energie Beheer Nederland op basis van cijfers van het CBS.window.addEventListener("message",function(a){if(void 0!==a.data["datawrapper-height"]){var e=document.querySelectorAll("iframe");for(var t in a.data["datawrapper-height"])for(var r,i=0;r=e[i];i++)if(r.contentWindow===a.source){var d=a.data["datawrapper-height"][t]+"px";r.style.height=d}}});Een fors deel van de industriële warmte wordt verkregen door het verbranden van aardgas, waarbij CO2 vrijkomt. Om daar iets aan te doen, kun je bij het verduurzamen van de warmtevraag van de industrie aan verschillende knoppen draaien.Vanuit energetisch oogpunt is de meest efficiënte aanpak om eerst te kijken naar optimalisatie van bestaande processen, waardoor per eenheid gecreëerde warmte minder input aan energie nodig is. Daarnaast moet restwarmte zo veel mogelijk worden hergebruikt, omdat je restwarmte vaak met relatief weinig extra energie naar gewenste (hogere) temperaturen kunt opwaarderen.Uiteindelijk wil je aardgas bij verduurzaming wel zo veel mogelijk vervangen als energiebron. Daarbij wordt steeds nadrukkelijker gekeken naar het omzetten van hernieuwbare elektriciteit in warmte, bijvoorbeeld via e-heaters of e-boilers. Dat betekent wel dat er extra vraag naar elektriciteit ontstaat. Hernieuwbare energiebronnen zoals zon en wind kunnen die vraag in principe opvangen, maar zorgen voor een schommelend aanbod, terwijl industriële processen om een constante toevoer van warmte vragen.Bedrijven die meer duurzame stroom willen gebruiken, hebben ook uitdagingen die te maken hebben met netcongestie. Netbeheerders zijn bezorgd dat gebruikers op piekmomenten gelijktijdig heel veel stroom vragen, wat voor overbelasting van het elektriciteitsnet kan zorgen. Bedrijven kunnen er daardoor sinds enkele jaren niet meer op rekenen dat ze standaard een grotere netaansluiting krijgen. Hernieuwbare elektriciteit omzetten in warmte Een deel van de oplossing kan gevonden worden door lokaal hernieuwbare energie op te wekken en direct in te zetten voor bedrijfsprocessen. Voor de industrie geldt dan nog steeds dat er behoefte is aan een stabiele toevoer van warmte, wat kan botsen met het variabele aanbod van hernieuwbare energie.Om dat probleem op te lossen zijn zogenoemde warmtebatterijen onmisbaar. Die kunnen, nadat elektriciteit is omgezet in warmte, de warmte voor langere tijd vasthouden en op een later moment weer afgeven. Warmtebatterijen vormen zo een buffer tussen het schommelende aanbod van wind- en zonnestroom en de behoefte van de industrie aan een stabiele warmte-aanvoer.Dat levert ook voordelen op bij het aanpakken van problemen rond netcongestie. Op momenten met een te hoog aanbod van zonne- en/of windstroom kunnen industriële bedrijven de overtollige stroom afnemen, omzetten in warmte en opslaan in een warmtebatterij voor later gebruik.In Nederland zijn inmiddels enkele partijen actief met zogenoemde power-to-heat-oplossingen, waarbij vaak jonge bedrijven het voortouw nemen bij het verduurzamen van de warmtevraag van de industrie, inclusief het aanpakken van netcongestie. Hieronder komen drie voorbeelden aan bod: Suncom Energy, Energynest en Good Heat. Suncom: verduurzaming warmtevraag bij snoepfabrikant Energietechbedrijf Suncom Energy van ondernemer Henk Arntz richt zich in Nederland en Spanje met power-to-heat op de warmtevraag van bedrijven die proceswarmte gebruiken op temperaturen tussen de 100 en 475 graden Celsius.[caption id="attachment_171088" align="alignright" width="300"] Ceo Henk Arntz van Suncom Energy. | Credits: Suncom Energy.[/caption]Suncom levert geïntegreerde installaties, met combinaties van zonnepanelen, modules die zonnestroom omzetten naar warmte, zonnespiegels die warmte genereren (geconcentreerde thermische zonne-energie), warmtebatterijen en boilers. De netaansluiting van klanten wordt hier ook bij betrokken, bijvoorbeeld om overtollige windstroom van het net af te nemen.Afgelopen maand meldde Suncom de komst van drie nieuwe klanten in Nederland, waaronder snoepfabrikant Confiserie Napoleon uit Zeeland. ‘Die heeft voor zijn processen stoom nodig op een temperatuur van ongeveer 170 graden, om suiker en glucose vloeibaar te maken. Onze Sunfleet zorgt ervoor dat duurzame energiebronnen in bijna 30 procent van de warmtebehoefte van Napoleon kunnen voorzien en in eenderde van het stroomverbruik’, legt Arntz uit.Confiserie Napoleon kan mede dankzij een zogenoemde DEI+-subsidie voor innovatieve energie- en klimaatprojecten stappen zetten om zijn energieverbruik te verduurzamen. Die subsidie dekt een deel van de kapitaalinvestering.Nederland kent daarnaast ook de SDE++ -regeling. Dat is een exploitatiesubsidie voor duurzame energieprojecten. Het gaat om een prijssubsidie, waarbij de zogenoemde onrendabele top van onder meer hernieuwbare elektriciteit wordt vergoed op momenten dat marktprijzen van hernieuwbare energie hoger zijn dan die van fossiele alternatieven.Arntz wijst erop dat de SDE++-regeling prima werkt voor grote bedrijven die hun warmtevraag willen verduurzamen, maar niet voor middelgrote en kleine ondernemingen. ‘Deze regeling is momenteel beperkt tot grote bedrijven met een netaansluiting van minimaal 3 megawatt. Dat is in bijvoorbeeld de voedingsmiddelenindustrie een beperkte groep die ongeveer 10 procent van het aardgasverbruik van deze branche voor zijn rekening neemt.'Een veel grotere groep bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie heeft een netaansluiting tussen de 170 kilowatt en 3 megawatt en is goed voor 90 procent van het aardgasverbruik van die branche, zegt Arntz. 'Na de chemie is de voedingsmiddelenindustrie de grootste sector binnen de industrie, waarbij bedrijven vaak regionaal verspreid zijn. Als je voor die groep een aparte categorie creëert binnen de SDE++-regeling, kun je de warmtevraag veel effectiever verduurzamen.’Suncom werkt intussen ook met een alternatief model, waarbij het bedrijf van Arntz zelf de kapitaalinvestering voor de opwek van hernieuwbare energie en de warmtebatterijen financiert. De klant betaalt alleen voor het afnemen van warmte, op basis van langetermijncontracten. ‘Dat doen we in Spanje met chipsfabrikant Patatas Fritas Maribel. In Nederland zijn we hierover in gesprek met drie verschillende partijen’, zegt Arntz. Energynest: robuuste warmtebatterij van beton Het Noorse bedrijf Energynest is in een aantal Europese landen actief met projecten waarbij modulaire warmtebatterijen worden geleverd aan industriële klanten. De ThermalBattery werkt met thermische olie of stoom, die (na elektrische opwarming) op hogere temperaturen langs een speciaal soort beton wordt geleid dat de warmte opneemt. Bij de omkering van het proces geeft het hete beton warmte af, zodat die ingezet kan worden voor industriële processen.[caption id="attachment_171089" align="alignright" width="300"] Directeur projectontwikkeling Carlijn Lahaye van EnergyNest. | Credits: EnergyNest.[/caption]‘Het systeem kan proceswarmte leveren in de vorm van stoom, thermische olie of hete lucht op temperaturen tussen de 120 graden en 320 graden. Daarmee kun je de voedselindustrie, de chemie, de papierindustrie en een groot deel van de maakindustrie bedienen’, zegt directeur projectontwikkeling Carlijn Lahaye.‘De grondstoffen voor het speciale beton van de warmtebatterij zijn ruim voorradig in Europa. Voordeel is ook dat je een zeer robuust systeem hebt, omdat er geen degradatie optreedt van het beton bij veelvuldig gebruik, zoals je wel hebt bij elektrochemische batterijen. Bovendien is de efficiëntie met ongeveer 95 procent zeer hoog’, aldus Lahaye.Afhankelijk van de behoefte van klanten kan Energynest alleen de warmtebatterij leveren of zorgen voor een volledige gebruiksklare opstelling, inclusief warmtewisselaars en e-heaters.De scale-up heeft onder meer installaties gebouwd in Noorwegen, bij kunstmestproducent Yara, en in Duitsland, bij industriebedrijf Leonhard Kurz.‘In Nederland zijn we in gesprek met een aantal partijen en er is veel interesse’, vertelt Lahaye. ‘Tegelijk merk je dat problemen rond netcongestie van invloed zijn op dit soort trajecten, omdat bedrijven bijvoorbeeld nog geen afspraken hebben kunnen maken over een flexibele netaansluiting waarbij ze op piekmomenten overtollige hernieuwbare energie van het net afnemen. Als daar schot in komt, zal dat de markt zeker een impuls geven. Helemaal als ook de stijging van nettarieven wordt gedempt, zoals het rapport van Peter Wennink adviseert.’Volgens Lahaye is het doorgaans mogelijk om 30 procent tot 70 procent van de warmtevraag van industriële bedrijven te verduurzamen met een combinatie van warmtebatterijen en hernieuwbare energie, tegen kosten die lager zijn dan proceswarmte op basis van aardgas. ‘Het verschilt enigszins per klant en het land waar de fabriek staat.’De minimuminvestering voor de warmtebatterij van Energynest is een miljoen euro, waarbij de terugverdientijd tussen de vier en negen jaar ligt. Lahaye: ‘Dat hangt ook af van kostenvoordelen die gerelateerd zijn aan de schaalgrootte van een operatie.’Ook Energynest heeft een alternatief model waarbij het bedrijf de investering voor de warmtebatterij en aanvullende systemen financiert, en met de klant een langetermijnovereenkomst afsluit op basis van winstdeling. Good Heat: duurzame warmte als dienst Een relatief jonge speler in het rijtje van power-to-heat-bedrijven is Good Heat, een Nederlands startup die recent kapitaal ophaalde bij internationale investeerders, waaronder Understory Ventures, Investible en 2100VC. Good Heat richt zich volledig op een model waarbij industriële bedrijven duurzame warmte afnemen als dienst in plaats van zelf te investeren in technologie of installaties.[caption id="attachment_171091" align="alignright" width="300"] Ceo Bauke van Gent van Good Heat. | Credits: Good Heat.[/caption]‘Wij verkopen duurzame warmte, goedkoper dan het fossiele alternatief, en nemen zowel technologie, financiering als het operationele risico uit handen van industriële bedrijven,’ legt ceo Bauke van Gent uit. Good Heat heeft al een project lopen met een industriële klant in Australië en is bezig met het verkennen van de Nederlandse markt.‘Bij investeringen in warmtebatterijen vormt de initiële kapitaalinvestering voor veel bedrijven de grootste drempel, terwijl de operationele kosten relatief laag zijn. Bij aardgas is dat precies andersom. Daarom neemt Good Heat zowel de technologiekeuze, de financiering als het management voor zijn rekening, zodat klanten zich volledig kunnen richten op hun kernactiviteiten,’ zegt Van Gent.Good Heat werkt met een model waarbij aan de inkoopkant langetermijncontracten voor bijvoorbeeld de levering van windenergie worden afgesloten, en met klanten voor vergelijkbare perioden een prijs voor de levering van warmte wordt afgesproken. Van Gent: ‘Dat maakt dit type projecten aantrekkelijk voor langetermijnkapitaal, zoals pensioenfondsen en andere infrastructuurinvesteerders, zeker als het om grootschalige installaties gaat. Daarover zijn we met een aantal partijen in gesprek.'Van Gent is ervan overtuigd dat Europa hiermee voor een ongekende transitie staat. ‘Europa heeft nu al de goedkoopste elektronen uit zon en wind, maar de aansluiting op de industriële vraag levert een timingsprobleem op, met netcongestie als gevolg. Door hernieuwbare elektriciteit om te zetten in opgeslagen warmte, geven we de industrie toegang tot warmte die goedkoper is dan gas én dragen we bij aan het oplossen van netcongestie,’ aldus Van Gent. Lees ook:Netcongestie oplossen door energie slimmer te gebruiken: technisch kan het, maar het beleid loopt achter Warmtebatterij met gesmolten zout biedt hoop: 'De industrie heeft het zwaar, maar wij hebben een oplossing' Zo groot is de investeringskloof bij 8 cruciale technologieën voor de energietransitie (en dat biedt ook kansen) Zonnepanelen kunnen niet meer zonder batterijen: gaan we die in Europa maken?