Morgen vertrekt hij naar Parijs, vertelt Thami Schweichler als we hem spreken. Daar opent in februari een nieuwe ‘reparatiehub’ van United Repair Centre (URC). Na Amsterdam en Londen is Parijs de derde stad waar zo’n hub komt.
De uitbreiding wordt mogelijk gemaakt door een nieuwe investering van 3,2 miljoen euro, afkomstig van impactinvesteerders uit Nederland en Frankrijk. Kortom: URC timmert flink aan de weg.
Je hebt een achtergrond in industrieel design. Hoe kwam je uit op kledingreparatie?
‘Ik heb me altijd vooral beziggehouden met social design. Aan het begin van mijn carrière werkte ik bij een sociale onderneming die een motorfietsfabriek bouwde in Kenia. Zo werd ik bekend met sociaal ondernemen. Mensen leren vissen in plaats van vis geven, dat idee.
Mijn eerste bedrijf Makers Unite, waaruit United Repair Centre later is voortgevloeid, ontstond ook uit een sociale missie. In 2016, het hoogtepunt van de toestroom van Syrische vluchtelingen, zette ik een activistische actie op. Voor de ReVest Life-campagne haalden we reddingsvesten die door vluchtelingen waren gebruikt naar Nederland. Die upcycleden we tot producten die we op Koningsdag verkochten.
Tijdens die campagne zag ik hoe maken kan verbinden. Vooral voor nieuwkomers. Zo ontstond het idee om er een bedrijf van te maken. Dat werd Makers Unite, dat zich vooral op upcycling door nieuwkomers focuste. Op een gegeven moment kwam Patagonia naar ons toe met een specifieke vraag over kledingrecycling. Samen met hen hebben we toen URC opgezet, met de steun van het Amsterdam Economic Board.’
Jullie werken inmiddels met 32 bedrijven wereldwijd. Hoe haal je die klanten binnen in een tijd waarin reparatie vaak nog duurder is dan nieuwe kleding?
‘Het ligt er maar net aan hoe je naar de kosten kijkt. Ja, de kapotte jas van een klant repareren kost merken geld. Maar het levert ook veel op. Als diezelfde klant later een nieuwe jas nodig heeft, is de kans groot dat ‘ie weer bij jou terechtkomt. Of hij verwijst anderen naar jou door. Terwijl je zonder reparatie juist klanten verliest. Je moet reparatie niet zien als productreparatie, maar als reputatiereparatie.
We zijn expres begonnen met outdoormerken die duurzaamheid hoog op de agenda hebben staan. Dat is een makkelijke doelgroep. Maar ook andere merken willen én moeten verduurzamen. In Europa kunnen kledingmerken niet zomaar meer kapotte kleding weggooien. Daarvoor moeten ze ook wettelijk hun verantwoordelijkheid nemen.
Het helpt dat er steeds meer vraag is van de consument. Zij zijn vaker trots op een zichtbare reparatie, die hun item uniek maakt.’ Veelbetekenend laat Schweichler zijn jasje zien, waarop twee zichtbare rode patches genaaid zijn.
Kun je zelf eigenlijk een beetje naaien?
Lachend: ‘Ik ben verschrikkelijk achter de naaimachine. Laat mij maar doen waar ik goed in ben: mensen samenbrengen en een bedrijf bouwen. Ik vind het vooral interessant om een sociale missie op een commerciële manier én op schaal uit te voeren. Business en impact kunnen elkaar echt versterken.’
Jullie motto is: here to repair the clothing industry by putting people first. Waarom werken jullie vooral samen met mensen met afstand tot de arbeidsmarkt?
‘Eén van mijn grootste drijfveren is om ongelijkheid tegen te gaan. Maar het heeft ook praktische voordelen. In Nederland missen jonge mensen de vaardigheden van reparatie. In landen waar textiel een belangrijke economische sector was of is, kunnen mensen wel repareren. Bij ons werken mensen van 21 verschillende nationaliteiten. Zonder hun kennis zouden wij niet zo goed zijn als we nu zijn. Die vaardigheden zijn ook cruciaal in de transitie naar een circulaire economie.’
Jullie besteden veel aandacht aan de technologie die klanten inzicht biedt in reparaties die bij jullie lopen. Wat is de rol van die technologie?
‘Kledingreparatie bestaat al sinds kleding bestaat. Het grote verschil tussen URC en de Gouden Schaar om de hoek zit ‘m in de data die wij aan klanten kunnen bieden. Via ons platform kunnen ze bijvoorbeeld live zien welke van hun kledingstukken het vaakst gerepareerd moeten worden.
Ik geloof dat technologie key is voor de circulaire transitie in de kledingindustrie. Om data te verzamelen én omdat het de logistiek makkelijker maakt. Gelukkig heeft Paul (Kerssens, co-founder, red.) daar veel ervaring mee.’
Toch kan ik me voorstellen dat het juist het duurzaamst is om naar de reparateur om de hoek te gaan.
‘Daar heb je gelijk in. Liefst lopend of op de fiets. Wij zijn er ook alleen maar blij mee als mensen dat doen, omdat het past bij onze missie om reparatie logischer te maken dan vervangen.
Wij willen impact maken op grotere schaal. We zijn er om de kledingindustrie te veranderen door merken te helpen die een grootschalige one stop shop zoeken voor al hun reparaties. Natuurlijk heeft het vervoer van kleding bij ons een ecologische voetafdruk, maar die valt in het niet bij de voetafdruk van het produceren van een nieuw kledingstuk.’
De lijst met failliete duurzame modemerken groeit gestaag. Hoe is het om in deze sector te pionieren?
‘Niet makkelijk. We moeten een heel nieuwe markt creëren. 80 procent van onze klanten heeft nooit iets met reparatie gedaan. Daarmee beginnen vergt veel moed, en dat kost tijd.
In de kledingindustrie gaat het bovendien om lage marges en hoge volumes. We zijn steeds aan het kijken hoe we beter, slimmer en simpeler kunnen werken. Tegelijkertijd bieden wij natuurlijk niet alleen kledingreparatie, maar ook een technologisch platform met live inzicht en contact met de klant. Daar betalen merken ook voor.
Disruptie komt tot stand in een driehoek van beleid, consument en producent. De consument vraagt al om betere producten, en producenten innoveren. Maar de overheid maakt innovatie niet lonend genoeg. Een faillissement als dat van New Optimist is zonde. Zij brachten juist zo veel maatschappelijke waarde.’
Toch lijkt het jullie relatief goed af te gaan.
‘We groeien snel, maar als je kijkt naar de hele kledingindustrie is het nog maar een druppel op een gloeiende plaat. De verandering komt pas als ook de echt grote merken mee gaan doen. Als kledingreparatie even toegankelijk en makkelijk is als kleding kopen, zelfs leuker en beter. Dat zie je nu al gebeuren met tweedehands kleding, en dat moet ook met reparatie gebeuren.
Daar hebben we een wereldwijd bereik, ecosysteem én beleid voor nodig. We kunnen in Frankrijk wel een atelier met honderd medewerkers opzetten, maar daar is de markt nog niet klaar voor; eerst moet de vraag worden gestimuleerd. Wat dat betreft, is er nog veel werk te doen. Daarom gaan mijn werkzaamheden binnen URC binnenkort veranderen, zodat ik me meer op het ecosysteem kan richten.’
Met wie zou je graag nog willen samenwerken?
‘Toen ik in 2016 met Makers Unite begon, maakte ik een lijst van merken waarmee ik graag wilde samenwerken. Bovenaan stonden Patagonia, Ben & Jerry’s en Toms. Mijn helden. Hoe tof is dat die eerste twee mij in de jaren daarna gewoon zelf hebben gebeld?
Nu heb ik een nieuwe lijst. Daarop staan niet de meest ambitieuze bedrijven, maar juist de meest vervuilende. Want als we de kledingindustrie willen veranderen, moeten we juist samenwerken met de Primarks van deze wereld. Ook voor hen zie ik veel kansen in een circulaire economie. Je kunt hun missie om kleding betaalbaar te houden prima op een andere manier uitvoeren. Denk bijvoorbeeld aan kleding verhuren. Daarbij hoort kwalitatieve kleding die lang meegaat, en ook reparatie.’




