Redacteur Maaike
Maaike Kooijman
14 augustus 2025, 09:15

Fast fashion lijkt niet te stoppen, maar er is hoop voor duurzame mode: 'Speelveld moet kantelen'

De mode-industrie ligt niet op koers voor netto nul CO2-uitstoot in 2050, bleek recent uit onderzoek. Er zijn weliswaar genoeg kleine merken die fast fashion bevechten, maar vele redden het niet. Wat gaat wél voor verandering zorgen in de mode-industrie?

GettyImages-2207229653 Textiel is naar schattig goed voor 6 tot 8 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. | Credits: Getty Images

Loop.a.Life. Hemper. Ziel NL. The Next Closet. En nu ook: New Optimist. De lijst met failliete duurzame modemerken groeit gestaag. Soms komt er een doorstart, bijvoorbeeld in het geval van jeansmerk Kings of Indigo en recent textielrecycler i-did. Vaak ook niet. Textielbedrijf Byborre bestaat nog wel, maar focust zich met name op interieur en architectuur; kleding was veel moeilijker op te schalen.

Ondertussen blijft fast fashion dominant. Volgens de European Environment Agency groeit de wereldwijde textielproductie de komende jaren van 109 miljoen ton in 2023 naar 145 miljoen ton in 2030. Dat kost veel land en water en zorgt voor enorme hoeveelheden broeikasgasemissies en watervervuiling. Geschat wordt dat textiel goed is voor 6 tot 8 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. En van de afgedankte kleding wordt slechts 1 procent gerecycled.

Het moet anders. Maar hoe dan?

Duurzame modemerken: groei kost tijd

Sectorbankier retail Dirk Mulder van ING waarschuwt van tevoren: hij gaat geen rooskleurig beeld van duurzame mode schetsen. Ja, hij is zich terdege bewust van de vele mooie initiatieven om de industrie te hervormen. ‘Maar het probleem is dat die erg kleinschalig zijn. Daardoor blijft duurzame kleding van kleine merken erg duur. De consument betaalt niet voor duurzaamheid alleen. Wil je de markt veroveren, dan heb je schaalgrootte nodig.’

Die schaalgrootte is voor beginnende merken moeilijk te bereiken. Maar niet onmogelijk, weet hoogleraar Kim Poldner. Poldner houdt zich al twintig jaar bezig met duurzame mode, als onderzoeker én ondernemer. In die twintig jaar heeft ze duurzame merken zien komen en gaan.

De meest succesvolle bedrijven zijn de bedrijven met de langste adem, valt haar op. ‘Neem Veja, het eerste eco sneakermerk ter wereld. Toen zij twintig jaar geleden begonnen had niemand van biologisch katoen gehoord. Nu zijn ze een succesvol, populair bedrijf dat de sector echt beïnvloedt.’

In Nederland is er bijvoorbeeld Joline Jolink, een ontwerper die duurzame mode maakt en sinds kort zelf hernieuwbare grondstoffen ontwikkelt op haar ‘fashion farm’ in Welsum. En i-did, dat oplossingen zoekt voor restpartijen textiel van grote bedrijven. Het maakte onder meer vilten Eftelingvlaggetjes en KLM-blauwe tassen, beide uit oude bedrijfskleding. I-did werd in juli failliet verklaard, maar maakte in dezelfde maand een doorstart bekend.

Wat al die bedrijven gemeen hebben is dat ze veerkrachtig zijn, analyseert Poldner. Joline Jolink is ruim achttien jaar geleden met haar bedrijf begonnen, i-did twintig. ‘Ze zijn langzaam, organisch gegroeid, met vaste partners en veelal eigen middelen. Als de sales even tegenzitten, kunnen de bedrijven daartegen.

New Optimist volgde juist een ander groeimodel. Hoge ambities, snelle opschaling, afhankelijk van investeerders. Ze hebben meteen ingezet op schaal. Wellicht heeft dat ermee te maken dat de oprichter uit de mainstream fashionwereld kwam en niet anders kende. Maar als je het echt anders wilt doen, moet je ook andere keuzes maken dan gebruikelijk is.’

Een mooi merk verkoopt makkelijker dan een duurzaam merk

Die andere keuzes hebben onder meer betrekking op het businessmodel. Succesvolle duurzame bedrijven richten zich volgens Poldner niet alleen op organische groei, maar ook op bijvoorbeeld een lage overhead. En ze zoeken naar alternatieve businessmodellen. ‘Vinted laat perfect zien dat je geld kunt verdienen aan tweedehands kleding. En i-did, oorspronkelijk een kledingmerk, richt zich nu juist op het reduceren van het textielafval van andere bedrijven.’

Ook de aantrekkingskracht van een merk bepaalt de overlevingskansen. Poldner: ‘Kijk je naar Joline Jolink, dan zie je heel duidelijk haar waarden terug in haar communicatie. Ze heeft een persoonlijke relatie opgebouwd met een vaste klantenbasis.’

Hoge prijzen hoeven ook volgens Mulder geen probleem te zijn, als het merk maar sterk genoeg is. ‘Voor een merk met een hoge aantrekkingskracht zijn mensen bereid meer te betalen. Het is niet voor niets dat je meer geld neerlegt voor een Hugo Boss-broek dan voor een exemplaar van H&M. Je hebt een goede uitstraling, een hoge prijs/kwaliteit en een fijne pasvorm nodig. Duurzaamheid in de markt zetten is moeilijk, een mooi merk in de markt zetten is beter te doen. Vanuit die positie kun je grotere merken inspireren.’

Duurzame mode afhankelijk van grote bedrijven

Duurzame bedrijven zijn doorgaans innovatiever dan gevestigde merken, en zijn dan ook nodig om het goede voorbeeld te geven. Maar de vraag blijft of hun impact groot genoeg is om de hele industrie te veranderen. Voor een echte verandering zijn we afhankelijk van grote bedrijven die grote stappen durven te zetten, denkt Mulder. Het probleem: de mode-industrie zit gevangen in een niet duurzame productieketen. ‘Als ik eerlijk ben, is de sector best wel verrot.’

Dat heeft te maken met de gewoonten waarin grote merken vastgeroest zitten, legt Mulder uit. ‘Kleding ontwerpen gebeurt met name in Europa en de Verenigde Staten. Omdat de productie zo goedkoop mogelijk moet zijn, besteden we dat uit naar landen in het verre oosten. Door die letterlijke en figuurlijke afstand zit er veel tijd tussen het ontwerp en de productie. Vaak moet de nieuwe collectie minstens een halfjaar van tevoren besteld worden. Dan zijn de hoeveelheden moeilijk in te schatten.’

Het gevolg: er wordt standaard te veel kleding geproduceerd. En die wordt een volgend seizoen niet meer gebruikt, omdat dan de nieuwe collectie er alweer is. Tel daarbij op dat we steeds nieuwe setjes willen kunnen laten zien op sociale media, en je eindigt met een kledingoverschot in de keten én bij de consument.

Kunnen grote merken uit dat verrotte systeem breken? Mulder: ‘Tja. We zullen wel moeten. Op deze manier is het systeem niet houdbaar.’ Maar de manier waarop vindt hij lastig, geeft hij toe. ‘Op de korte termijn is een nieuw businessmodel voor grote modemerken vaak niet rendabel. Bovendien kost het hen veel geld om processen en kostenstructuren aan te passen. Een rigoureuze omslag is niet realistisch. We zullen steeds kleine stapjes moeten zetten richting een duurzamer systeem, waarin we kleding produceren die langere tijd gedragen kan worden en ook goed te recyclen is.’

Strengere Europese wetgeving nodig

Vanuit grote kledingbedrijven zelf gaat het initiatief waarschijnlijk niet komen. Mulder, die regelmatig duurzaamheidsrapporten van grote modemerken analyseert, ziet in de sector met name initiatieven voor transparantie en betere arbeidsmarktomstandigheden. Op klimaatimpact, onder andere door het verbeteren van de kwaliteit van kleding, wordt minder gefocust, laat staan op het verminderen van de kledingconsumptie.

Merken die wel duurzame services als tweedehands kleding of een reparatieservice aanbieden, doen dat voornamelijk als marketingtool in plaats van serieus te onderzoeken hoe ze er daadwerkelijk geld mee kunnen verdienen, ziet de econoom. Poldner weet ook hoe dat komt: ‘Zolang leiders er niet écht in geloven, komt er geen daadwerkelijke verandering.’

Zowel Mulder als Poldner benadrukt daarom de belangrijke rol van strengere wetgeving. Overheden kunnen zowel het speelveld voor innovatieve bedrijven verbeteren als eisen stellen aan grote vervuilende bedrijven. ‘De overheid is de spelverdeler’, stelt Poldner. ‘Die kan, bijvoorbeeld met wetgeving en subsidies, het speelveld kantelen. Zodat duurzaam de norm wordt in plaats van de uitzondering. Nu vallen duurzame bedrijven om omdat het systeem niet op hen is ingericht. We hebben een overheid nodig die minder poldert, maar met de vuist op tafel slaat.’

Regels en wetgeving

In Nederland zijn weinig concrete eisen voor het productieproces van textiel van kracht. Deelname aan het Textielverbond verplicht producenten bijvoorbeeld wel om te rapporteren over hun voortgang, maar stelt geen eisen aan de productie zelf. En in het Beleidsprogramma circulair textiel 2025–2030, eind vorig jaar gepubliceerd, wordt met name gesproken over nog lopende onderzoeken naar effectieve eisen.

Vorig jaar is in Europa wel de nieuwe Ecodesign for Sustainable Products Regulation (ESPR) van kracht geworden. Die wordt naar verwachting dit of volgend jaar in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Daarbij horen ook een percentage verplicht recyclaat en eisen voor microplastics.

Nederland heeft daarnaast concrete maatregelen getroffen als het gaat om de afvalverwerking van afgedankt textiel. Sinds juli 2023 geldt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) textiel, die producenten financieel verantwoordelijk maakt voor de afvalfase van hun producten. Producenten kunnen ook zich aansluiten bij een producentenorganisatie (PRO) die hier verantwoordelijkheid voor neemt. Voor textiel zijn er daarvan drie in Nederland.

De Europese Unie werkt ook aan een textielstrategie die een UPV verplicht voor alle lidstaten. Nu hebben alleen Frankrijk en Nederland zo’n wet. Volgens Poldner is een EU-brede UPV echter pas in 2030 realistisch.

Wetgeving kan bijvoorbeeld bestaan uit het verbieden van gratis retourzendingen, waardoor mensen minder kopen, en uit strengere kwaliteitseisen voor de geïmporteerde kleding uit China die de markt overspoelt. Als die ook worden gehandhaafd, wordt de concurrentie eerlijker. Hoewel we China ook niet helemaal de schuld kunnen geven, vindt Mulder: ‘In feite hebben we Shein en Temu zelf gecreëerd. Eerst lieten we onze kleding in China maken, maar toen het elders nóg goedkoper werd, hebben we onze productie naar landen als Bangladesh en Pakistan verplaatst. China zat toen met een enorm capaciteitsoverschot.’

Beide experts denken dat faciliterende wetgeving het beste werkt op Europees niveau. Poldner: ‘We hebben in Nederland alleen al drie verschillende producentenorganisaties. Echt een doolhof. Stel je voor dat een bedrijf als H&M daarmee te maken heeft – en dan in elk ander Europees land weer met andere organisaties. Dat is niet te doen. Het moet uniformer.’

Nieuwe technologie voor recyclen

Naast wetgeving gaat ook technologische ontwikkeling volgens Dirk Mulder een rol spelen in het verduurzamen van de industrie. Nu wordt afgedankte kleding – als die niet wordt verbrand – vaak laagwaardig gerecycled. Er wordt dan geen nieuwe kleding van gemaakt, maar bijvoorbeeld isolatiemateriaal of deurmatten. Geavanceerdere technologie kan helpen om textieloverschotten goed te verzamelen, te sorteren en er weer nieuwe, goede vezels van te maken. Die kunnen dan gebruikt worden in nieuwe kleding.

In Amsterdam staat sinds dit voorjaar een fabriek die zulke hoogwaardige recycling mogelijk maakt. In de fabriek van Brightfiber Textiles worden truien, broeken en t-shirts uit elkaar getrokken tot kwalitatieve vezels die verwerkt kunnen worden tot garen en stof. Naast de vervezelmachine staan er nog twee machines in de ‘recyclestraat’: een opschoner die ritsen, labels en knopen verwijdert, en een fijnsorteerder die de kleding volledig automatisch sorteert op materiaal en kleuren. Samen kunnen de machines zo’n 2,5 miljoen kilo textiel per jaar verwerken.

Circulaire mode-industrie in 2050

Ondanks de vele initiatieven noemt Mulder een volledig circulaire mode-industrie in 2050 een ‘utopie’. ‘Daarvoor zit de industrie te erg gevangen.’ Hij ziet beweging, maar wel langzaam. Zijn hoop is gevestigd op politieke actie en technologische ontwikkeling.

Poldner is daarentegen voorzichtig positief. Ondanks de regelmatige teleurstellingen put ze hoop uit bedrijven, groot en klein, waar leiders zitten ‘die het echt begrijpen en echt doen’. ‘Ik heb de afgelopen twintig jaar zo veel moed en positieve ontwikkelingen gezien. En in de samenwerking met kledingfabrieken in bijvoorbeeld Bangladesh merk ik ook bij hen veel bereidheid en enthousiasme om anders te produceren. Ik geloof echt dat een circulaire mode-industrie haalbaar is. Maar het zal van iedereen veel vergen. Van de overheid, van producenten, en van ons als consumenten. We moeten ook het leiderschap in onszelf aanspreken.’

Lees ook:

Europese batterijmaker NorthVolt krijgt tweede kans dankzij deze eigenzinnige Amerikaanse techondernemer

Dan Cook, de nieuwe en Amerikaanse eigenaar van de failliete Zweedse batterijenproducent Northvolt, is best wel een nerdje. Hij studeert werktuigbouwkunde aan Stanford University, doet er nog een schepje bovenop met materiaaltechnologie aan Vanderbilt en boekhoudkunde en financiën aan Michigan University.Hij begint zijn carrière als ingenieur bij autofabrikant GM in Detroit, daar leert hij de waarde van productielijnen die dag en nacht draaien. Het ziet dat als zijn basisopleiding voor de industrie en het belang van een strakke leveringsketen.Na zes jaar maakt hij de overstap naar Silicon Valley. Daar brengt hij vijftien jaar door aan de operationele kant van diverse pc-randapparatuur, software, netwerk- en telecombedrijven. Wat hij daar oppikt, is dat snelheid cruciaal is om marktaandeel te winnen. Samenwerken met Steve Jobs Cook werkt in die periode ook nauw samen met de legendarische Apple-topman Steve Jobs en zijn marketinggoeroe Regis McKenna, laat hij weten aan CleanTechies. Maar zelf blijft hij liever bescheiden, hij noemt zich ‘een jongen uit Detroit' en laat de technologie voor zichzelf spreken.Bij Cerberus Capital en Tenex Capital Management leert hij opnieuw bij: de betekenis van financiële discipline en kapitaalkrachtige netwerken. Cook houdt zich in New York tien jaar bezig met startups en scaleups in de technische en industriële sector.Zo komt hij in contact met Lyten, waar hij in 2015 eerst in investeert, en vervolgens medeoprichter en ceo van wordt. Wat hem zo aantrekt in Lyten, is de kans om al zijn ervaring in één klap te combineren. ‘Ik ben namelijk een ingenieur, een zakenman en een materiaalman’, vertelt hij aan Silicon Valley Business Journal. Nieuw type batterij met behulp van supermateriaal grafeen Met de oprichters William Wraith III, Lars Herlitz en Scott Mobley stapt hij in een nieuw avontuur. Cook heeft in de auto-industrie kennis gemaakt met de impact van fossiele brandstoffen. Hij wil ‘praktische en schaalbare oplossingen creëren’ om de milieueffecten te beperken en ‘tegelijkertijd duurzamere innovaties versnellen’.De enige manier waarop dat kan, weet hij uit eigen ervaring, is opschalen, en niet zo’n klein beetje. ‘Als schone technologie haar belofte wil waarmaken, moet er een manier gevonden worden om die op wereldschaal te leveren.’De startup Lyten ontwikkelt in zijn ogen zo’n oplossing: 3D-geprint grafeen. Dat is een bijzonder koolstofmateriaal. Het is honderden keren sterker dan staal, een uitzonderlijke geleider, uitermate warmtebestendig, ultradun, poreus en flexibel. Alleen bevindt zich dat nog ‘op laboratoriumschaal’.De meest voor de hand liggende toepassing is de opslag van energie. Daar stuurt Cook ook op aan. Met een lithium-zwavelbatterij (LytCell) als duurzaam alternatief voor de huidige lithium-ionbatterijen in elektrische auto’s.De CO2-voetafdruk is zo’n 70 procent lager, de energiedichtheid is twee keer zo hoog, er zijn geen zeldzame aardmetalen voor nodig en de batterij is volledig recyclebaar, geeft hij aan. Bovendien zijn ze veel lichter en goedkoper om te maken dan de bekende lithium-ionbatterijen. Opschalen voor elektrificatie van de massamarkt Het product is kansrijk, vooral omdat er genoeg grondstoffen voor te vinden zijn in de VS en Europa. Nu de productie nog, want opschalen is dé obsessie van Cook. ‘Vanaf dag één hebben we onze lithium-zwavelbatterijen ontwikkeld om elektrificatie voor de massamarkt mogelijk te maken’, zegt hij tegen PC Mag.Daar begint de ceo in 2020 mee, met het opzetten van een pilot-batterijfabriek Californië. Die hij al snel uitbreidt en grotendeels automatiseert. ‘Ik zit tussen geavanceerde materiaalwetenschap en industriële schaalvergroting in, wat voor een ingenieur een ongelooflijk leuke plek is om te zijn.’Lyten blijft lange tijd onder de radar, maar halverwege 2021 komt het bedrijf uit ‘stealth mode’. Het haalt in een Series A-ronde 210 miljoen dollar aan kapitaal op. Twee jaar later volgt in een Series B-ronde nog eens 200 miljoen, met partners als Honeywell, Stellantis en FedEx. Uitbreiding naar Europa De eerste stappen voor de verovering van Europa worden in de zomer van 2024 gezet. Cook maakt een deal voor een Europees hoofdkwartier en onderzoekscentrum met het Groothertogdom Luxemburg. Daarvoor krijgt hij meer dan 15 miljoen euro aan subsidies van het Luxemburgse Future Fund.Die vestiging zou gevolgd worden door ‘een megafabriek’ ergens in Europa. Of hij op dat moment al het noodlijdende Northvolt op het oog heeft, gaat misschien wat te ver. Maar Cook is er wel als de kippen bij, wanneer de Zweden krap bij kas zitten en cash nodig hebben. Hij neemt in november van dat jaar meteen de machines en de huur over van Northvolts Cuberg-dochter in Californië.Om verder uit te breiden in Europa heeft Cook zelf ook dringend meer geld nodig. Hij slaagt erin om nog eens 200 miljoen dollar op te halen bij de bestaande investeerders, waarbij het totaal aan financiering voor Lyten op 625 miljoen dollar komt.Zijn volgende aankoop doet hij in juli in het Poolse Gdansk, Nortvolt Dwa ESS, waar hij de assemblage van batterijmodules en packs meteen opnieuw wil opstarten. Bovendien wil hij de productielijn uitbreiden voor lithium-zwavelbatterijen. Northvolt is koopje voor Amerikaanse batterijmaker Lyten En dan gaat het hard: afgelopen vrijdag werd bekend dat hij Northvolt’s Ett, de eerste fabriek, overneemt in subarctische Skellefteå in Zweden, de Northvolt Labs in Västerås, en de geplande Northvolt Drei in Heide, Duitsland. Ook is hij in gesprek met de Canadese autoriteiten over de aankoop en de voortzetting van Northvolt Six in Quebec.‘Dit is een beslissend moment voor Lyten’, geeft Cook aan bij de bekendmaking. ‘Lytens missie is om de toonaangevende leverancier te worden in zowel Noord-Amerika als Europa.’ Met de overname van de activa van Northvolt beschikt het bedrijf nu over de faciliteiten en het talent om deze missie ‘met jaren te versnellen’.De activa van Northvolt, inclusief intellectueel eigendom en fabrieken in aanbouw, zijn recent nog geschat op 5 miljard dollar. Voor Cook is de overname van de failliete boedel een koopje, vertelt hij tegen de Financial Times, al wil hij niet bekendmaken hoeveel er dan betaald is. Wel hoe ‘ongelooflijk belangrijk’ het is om lokale toeleveringsketens en lokale productie te hebben.Cook belooft veel werknemers en leidinggevenden van het oude Northvolt opnieuw in dienst te nemen. Alleen plakt hij er geen tijd op. Hij wil eerst nieuwe deals sluiten met de voormalige klanten, waaronder Audi, Porsche en vrachtwagenproducent Scania.Een uitgebreide versie van dit artikel verscheen eerder op MT/Sprout. MT/Sprout is onderdeel van MT MediaGroep, net als Change Inc. Lees ook:Na Bill Gates stapt ook Google in veelbelovende Italiaanse CO2-batterij Gaat deze nieuwe flowbatterij zonder membraan zorgen voor een betaalbare energietransitie? Strijd om grondstoffen voor batterijen: deze 4 grafieken tonen het probleem van Europa