Redacteur Maaike
Maaike Kooijman
23 december 2025, 13:00

Biologische landbouw heeft explosieve groei nodig: 'Aanbod kan niet stijgen als de vraag achterblijft'

Koeien die op hun eigen tempo melk mogen geven, appels zonder pesticiden: wie kan daar nu tegen zijn? De ambities voor biologische landbouw zijn hoog, maar de vraag groeit niet hard genoeg.

Koeien in de wei In 2030 moet 15 procent van het Nederlandse landbouwareaal biologisch zijn. | Credits: Getty Images

De ruimte is groot en hoog. Aan de muur hangen drie gitaren, achter een deur zit een muziekstudio. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat je bij een professionele muzikant op bezoek was. Vast goede akoestiek hier. Maar Boy Griffioen is geen muzikant; hij is melkboer. Vijfde generatie. In 2009 schakelde De Groene Griffioen in Weesp om naar biologisch. Het is één van de inmiddels ruim 1.900 biologische boerderijen in Nederland.

Omschakelen naar biologisch betekende niet alleen een omslag in werken, er kwamen ook nevenactiviteiten bij. De Groene Griffioen maakt bijvoorbeeld zijn eigen kaas. Die wordt – samen met andere lokale producten – verkocht in de boerderijwinkel, bestierd door Wendela Griffioen. De ruimte waarin we zitten wordt verhuurd.

Boy en Wendela Griffioen

Boy en Wendela Griffioen. | Credits: Grutto

Die nevenactiviteiten zijn deels plezier, deels noodzaak. Biologische boeren hebben het niet makkelijk in Nederland. Voor biologisch boeren is in de regel meer grond nodig dan voor gangbaar boeren, legt Griffioen uit. En laat die grond nou juist ontzettend duur zijn geworden. De laatste vier jaar steeg de prijs van landbouwgrond met ongeveer een kwart; gemiddeld kost een hectare nu 85.000 euro. ‘Daardoor lopen vooral biologische boeren achter in schaalvergroting’, weet Griffioen.

Doelstelling voor biologische landbouw raakt uit zicht

Toch moet er de komende jaren flink wat biologische landbouwgrond bij komen. In 2030 moet 15 procent van het landbouwoppervlak voor biologische landbouw worden gebruikt, vindt de Nederlandse overheid.

Daar zijn we nog lang niet. Tussen 2011 en 2024 ging het percentage biologische landbouw van 2,5 naar 5 procent van het totale areaal. Wie die lijn doortrekt, komt al snel tot de conclusie dat we niet echt op koers liggen om het doel van 15 procent in 2030 te halen. ‘Zeg maar gerust helemaal niet’, aldus Griffioen.

Maar de hoop op een biologische toekomst is nog springlevend. Niet alleen (centrum-)linkse partijen als Groenlinks-PvdA, Partij voor de Dieren, Volt en ChristenUnie pleitten in hun partijprogramma voor biologische landbouw, datzelfde geldt voor JA21. In het tussentijdse formatieverslag van partijleiders Rob Jetten (D66) en Henri Bontenbal (CDA) wordt biologisch niet genoemd, maar gaat het wel over ‘ondernemers die op een steeds schonere manier voedsel produceren’, ‘boeren die werk maken van agrarisch natuurbeheer’ en ‘een meer circulaire landbouw’.

Maar hoe krikken we het percentage biologisch landbouwareaal op?

Andere manier van denken

Omschakelen naar biologisch is voor veel boeren een grote stap. Omdat biologische landbouwers geen gebruik maken van kunstmatige bestrijdingsmiddelen en kunstmest, en beperkt gebruikmaken van antibiotica, hebben ze minder controle over hun opbrengsten dan in de gangbare landbouw. ‘Dat moet bij je passen’, zegt Griffioen.

Hoewel hij nooit spijt heeft gehad van de omschakeling naar biologisch, denkt de biologische landbouwer dat niet elke boer ervoor is gemaakt. ‘Als je doel een maximale melkproductie per koe is, dan kun je bio waarschijnlijk slecht aan’, zegt hij. ‘Je moet het los kunnen laten als dieren wat minder produceren, of als er onkruid op je land komt. Het vergt ook een andere manier van denken. Omdat biologische boeren vaak zelf veevoer telen, moet je je bedrijf echt als geheel bekijken. Je dieren moeten bijvoorbeeld passen bij de kwaliteit van het gras dat je teelt.’

Voor boeren van middelbare leeftijd die nog geen opvolger hebben, kan de omschakeling naar biologisch ook lastig blijken vanwege de benodigde investering. Ook Griffioen, nu 42 jaar, heeft nog geen opvolger. Zijn twee zoons hebben andere toekomstplannen.

Kosten biologisch boeren stijgen harder dan opbrengsten

Hoe zit het met het financiële plaatje voor boeren die willen omschakelen? Dat ligt voor een deel aan de huidige situatie van een gangbare boer. Heeft hij al voldoende grond, dan kan omschakelen best lucratief zijn. Moet hij grond bijkopen en/of grote aanpassingen aan stallen doen, dan wordt dat een flinke investering.

Eenmaal omgeschakeld zijn de kosten van biologisch boeren hoger, onder meer door het verhoogde grondgebruik en de hoge prijs van biologisch krachtvoer, maar de opbrengsten ook. Dat was lang in balans, maar de laatste tijd kunnen biologische boeren hun extra kosten voor duurzame productie steeds minder vaak terugverdienen, concludeerde de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in haar Agro-Nutri Monitor. De kosten voor biologische productie zijn sterker gestegen dan de opbrengsten, onder meer door de hoge prijs van energie en arbeidskrachten. Daardoor zijn investeringen moeilijk terug te verdienen.

Om boeren te stimuleren om te schakelen naar biologisch, kunnen boeren onder gunstige omstandigheden geld lenen via het Investeringsfonds Duurzame Landbouw van het Nationaal Groenfonds. Ook komen biologische boeren en omschakelaars in aanmerking voor de hoogste vergoeding van de zogenoemde eco-regeling voor hun bijdrage aan biodiversiteit, schoon water en een gezonde bodem. Daarmee kunnen ze hun inkomen aanvullen, al is de vergoeding met 180 euro per hectare niet erg hoog.

Biologische boeren geven meer ruimte aan hun dieren en gebruiken geen kunstmest of synthetische bestrijdingsmiddelen. Ze zetten liever natuurlijke vijanden in tegen ziekten en besteden extra aandacht aan de bodemkwaliteit. Biologische landbouw heeft daarom minder impact op het milieu dan gangbare landbouw en is beter voor de natuur.

Het grote nadeel is echter dat de opbrengst per hectare gemiddeld lager is bij biologische akkerbouw, juist omdat er geen kunstmest en pesticiden worden gebruikt. Daardoor worden er per kilo groente en fruit gemiddeld meer broeikasgassen uitgestoten dan bij gangbare landbouw.

Biologische markt relatief gesloten

Toch zijn biologische boeren grotendeels overgeleverd aan de grillen van de markt. En die markt is niet makkelijk, weet Boy Griffioen. Grote afnemers hebben liever niet te veel aanbod, omdat dat de prijzen kan drukken. Griffioen vertelt dat er bij FrieslandCampina regelmatig ‘geen ruimte‘ was voor nieuwe biologische leden.

Daarom maakt de boer zijn eigen kaas. Voor de verkoop van de melk werkt hij ook deels samen met MOMA, een Amsterdamse onderneming die zuivel en eieren uit de omgeving verkoopt in de stad. Slechts 20 procent van de melk gaat nog naar een ‘gewone’ fabriek. ‘Daardoor is ons verdienmodel nu best oké’, zegt Griffoen. ‘Dat we de kaas zelf maken en verkopen, voegt echt waarde toe. We verkopen onze zuivel zelfs voor een iets hogere prijs dan gemiddeld.’

Aanbod kan niet groeien als de vraag achterblijft

Griffioen is één van de biologische boeren die zich heeft gespecialiseerd in directe verkoop aan de consument. Dat is een stabiele bron van inkomsten, maar uiteindelijk een beperkte markt, denkt biologisch akkerbouwer Digni van den Dries. Hij is bestuurslid bij vereniging Biohuis en mede-auteur van de routekaart Versnelling naar 15 procent biologisch.  ‘Het gros van de mensen koopt eten nou eenmaal in de supermarkt’, zegt hij.

Daarom is vooral een verhoging van de vraag naar biologische producten nodig. In het eerste halfjaar van 2025 ging slechts 3,5 procent van de bestedingen aan voedsel in de Nederlandse supermarkten naar producten met een biologisch keurmerk. Die vraag groeit wel, weet Van den Dries vanuit vereniging Biohuis. Vooral biologische aardappelen, groenten en fruit werden juist dit jaar veel verkocht in de supermarkten. Een groei van een aantal procentpunt ten opzichte van het totaal klinkt niet als veel, maar is wel een grote stijging als je naar puur biologisch kijkt, benadrukt de akkerbouwer.

De vraag verschilt per categorie. Vorig jaar was liefst 17,4 procent van de verkochte eieren biologisch, tegenover 4,9 procent van de aardappelen, groente en fruit en 2,6 procent van het vlees.

Het verhogen van het aanbod heeft weinig zin als de vraag niet meegroeit, stelt Gea Bakker, sectormanager akkerbouw bij Rabobank. ‘Als het aanbod stijgt maar de vraag achterblijft, komen alle biologische boeren in de problemen.’

Datzelfde beeld schetst Digni van den Dries. Sinds zijn omschakeling naar biologisch in 1990 heeft hij vele golfbewegingen gezien, zegt hij. ‘Bijvoorbeeld in de jaren ’90. Toen groeide door een subsidieregeling de biologische productie ineens heel snel, waardoor er te veel op de markt kwam. De hele prijs donderde in elkaar.’

Zo’n extreem lage afzetprijs is ‘niet leuk’ voor de boeren, want hun producten leveren dan nog maar weinig op. Tegelijkertijd trekt het wel de aandacht van verwerkers in de keten, zegt Van den Dries. ‘Zo’n golf in productie hielp toen om de consumptie op gang te brengen. In periodes die voor boeren wat slechter zijn kan de vraag juist groeien.’ Toch raadt hij een stijging van het aanbod zonder vraagstijging met klem af. Want: ‘Omschakelen naar biologisch wordt aantrekkelijk en is alleen duurzaam als de huidige boeren het goed doen.’

Inflatie dempt vraag naar biologisch

In het Actieplan groei biologische productie en consumptie is ook aan de consument gedacht. Om mensen te stimuleren meer biologisch voedsel te kopen wil de overheid onder andere campagnes opzetten en afspraken maken met supermarkten over voorlichting, ruimte in de schappen en het aanbod van biologische producten.

‘Veel te vrijblijvend’, vindt Bakker. ‘Met voorlichting bereik je de burger wel. Maar de consument in de supermarkt maakt toch een andere keuze. Zolang biologisch anderhalf tot twee keer zo duur is, gaat de vraag niet voldoende stijgen om 15 procent van het areaal te rechtvaardigen.’

In de coronajaren zag Bakker weliswaar een verhoging van de vraag, mede door de focus op gezondheid, maar de inflatie in de jaren erna heeft roet in het eten gegooid. Dat de prijzen van biologische groenten en fruit mogelijk omhooggaan door het stoppen van de grootste biologische plantenkwekerij van Nederland, zal ook niet helpen.

Verder dan de donkergroene consument

Er dus moet er aan de prijs worden gemorreld om biologisch aantrekkelijker te maken. Markttoezichthouder ACM oppert om duurzame producten goedkoper te maken door een btw-verlaging. Maar volgens Bakker van Rabobank moeten we duurzaam voedsel niet goedkoper maken, maar juist herwaarderen. ‘Ik heb het idee dat mensen de waarde van voedsel niet inzien. Begin zelf eens een moestuin, dan kom je erachter hoeveel energie en tijd het kost om goede producten te verbouwen.’

De sectormanager ziet liever dat niet-duurzame producten duurder worden, en wel volgens het true price-principe. De negatieve milieu-impact van voedselproductie wordt dan meegerekend in de prijs van een product, wat het prijsverschil tussen biologisch en gangbaar kleiner maakt. Niet-duurzame producten worden dan immers duurder, zodat biologische producten eerlijker kunnen concurreren. Bakker: ‘Wij willen als maatschappij een mooier, schoner Nederland. Dan moet daar ook een beloning tegenover staan. Producten met een lage milieu-impact moeten anders beprijsd worden dan die met een hoge milieu-impact.’

Ook Griffioen ziet graag dat er een prijskaartje wordt gehangen aan de impact van onder meer de antibiotica en bestrijdingsmiddelen in de gangbare landbouw. ‘Als dat gebeurt, kan biologisch daarmee gaan concurreren.’

De koeien van Boy en Wendela Griffioen

De koeien op de Groene Griffioen mogen hun hoorns houden. | Credits: Cathy van den Berg

Andere manieren om biologisch te stimuleren zijn er ook. De overheid kan bijvoorbeeld een bijmengverplichting instellen – een verplicht percentage biologische grondstoffen in producten – of retailers verplichten een bepaald deel van hun producten duurzaam in te kopen. Ook moet biologisch meer aandacht krijgen in bijvoorbeeld schoolkantines en grote zorginstellingen, vindt Bakker. ‘Nu koopt alleen de donkergroene consument standaard biologisch. Juist grote instellingen vergroten de volumes. Oók overheidsinstellingen moeten anders inkopen.’

Meer geld nodig voor biologisch

Volgens Griffioen ligt er ook een verantwoordelijkheid bij supermarkten. De 10 procent korting die Albert Heijn haar Premium-klanten op biologische producten geeft, is volgens hem bij lange na niet genoeg. ‘Met een beetje extra reclame in supermarkten redden we het niet. Willen we de 15 procent biologische landbouw in 2030 halen, dan denk ik eerder aan quota in de retail. Dat we net zoals ooit met de gloeilamp gewoon zeggen: niet-duurzaam doen we niet meer.’

Dat supermarkten de vraag naar biologisch fors kunnen doen groeien, beaamt ook Van den Dries van Biohuis. Biologische groenten en fruit zijn volgens hem vooral duurder vanwege het lage volume en de hoge marges. ‘Als supermarkten de marges in eerste instantie iets verlagen, kunnen ze de vraag op gang brengen. Daarmee zal de uiteindelijke omzet stijgen.’ Hij noemt rode bieten als voorbeeld. ‘Daarvan is 86 procent in Nederland al biologisch. Een stille transitie.’

Van den Dries roept het bedrijfsleven op om duidelijk voor biologisch te kiezen en daar ook over te communiceren. Een win-win, zegt hij: bedrijven maken hun duurzaamheidsambities waar, boeren krijgen vertrouwen in de toekomst. Daarmee wordt ook omschakelen aantrekkelijker. Van den Dries spreekt over noodzakelijk ‘perspectief op groeiende markten en redelijke prijszetting’. Is dat perspectief er? Van den Dries lacht: ‘Daar wordt hard aan gewerkt. Als beleid, retail en ketenpartijen ervoor willen gaan, kan het zeker.

‘Ik ben optimistisch, maar dan is er wel meer geld nodig’, vervolgt hij. ‘Nu heeft de overheid gezegd: we willen naar die 15 procent, maar we zetten er maar 26 miljoen euro tegenover. 26 miljoen! Om een enorme transitie in het landelijk gebied te bewerkstelligen.’ Hij lacht ongelovig. ‘Dat straalt niet echt uit: we gaan ervoor. Een vergelijkbare ingrijpende transitie, de energietransitie, kostte tot nu toe miljarden.’

Als het aan Griffioen ligt, wordt meer geld onder meer in een gebiedsproces gestoken dat ervoor zorgt dat de grondprijzen weer teruggaan naar hun reële waarde.

Ook gangbare landbouw verduurzaamt

Griffioen is nu niet bezig met opschaling, maar zijn bedrijf staat niet stil. Hij wil vooral inzetten op meer toegevoegde waarde, vertelt hij. ‘De biologische sector heeft nu toch een wat stoffig imago. Ik denk dat we niet snel genoeg vernieuwen. Om relevant te blijven zullen we stappen moeten zetten in bijvoorbeeld dierenwelzijn en fossielvrije bedrijfsvoering. Daarmee kunnen we ons onderscheiden van de gangbare landbouw.’

Want ook de niet-biologische landbouw wordt steeds duurzamer. Biologische boeren mogen het dan lastig hebben, ze zijn wel een voorbeeld voor gangbare boeren. ‘Die kijken met veel interesse toe’, aldus Bakker. ‘Ook in de gangbare landbouw komt verduurzaming steeds meer op gang. Er zijn bijvoorbeeld grote akkerbouwers die op een deel van hun grond een biologisch product telen om ervaring op te doen. Gangbaar en biologisch staan steeds minder tegenover elkaar. Dat is hoopgevend.’

Lees ook:

Dit verandert er in 2026 bij de fiscale regels en wetten voor energie en klimaat

Het nieuwe jaar brengt altijd flink wat veranderingen mee op fiscaal gebied en bij andere regelgeving. In 2026 geldt dat bij uitstek voor overheidswetten die van invloed zijn op de energietransitie en de CO2-emissies van bedrijven. Drie grote nieuwe wetten treden per 1 januari in werking, en daarnaast verandert er ook nog flink wat bij subsidieregelingen en de fiscale aftrekposten.Dit zijn de belangrijkste veranderingen in 2026 op het gebied van duurzame regelgeving voor bedrijven. Nieuwe wetten: energiewet, warmtewet en Europese grensheffing voor CO2 1. EnergiewetDe nieuwe Energiewet vervangt afzonderlijke wetten voor elektriciteit en gas, rekening houdend met Europese richtlijnen voor de transitie naar hernieuwbare energie. De wet treedt per 1 januari 2026 in werking.De nieuwe regelgeving biedt betere bescherming voor energieconsumenten, vooral huishoudens en kleine ondernemingen. Ze krijgen meer rechten bij energiecontracten, transparantere voorwaarden en betere bescherming bij facturering en leveranciersfaillissementen. Alle leveranciers moeten verplicht minimaal één vast jaarcontract aanbieden en vergunningseisen worden aangescherpt.Om netcongestie aan te pakken biedt de wet ruimte voor oplossingen als vraagrespons, netcongestiemanagement en het delen van netaanslutingen. Nieuwe regels voor gegevensuitwisseling maken het eenvoudiger voor consumenten om hun energiedata in te zien of te delen met dienstverleners zoals prijsvergelijkers.De Energiewet sluit beter aan bij het toekomstige energiesysteem met meer lokale duurzame productie, opslag en flexibiliteit. Particulieren en bedrijven krijgen nieuwe mogelijkheden om actief te worden op de energiemarkt, bijvoorbeeld via energiegemeenschappen die door leden geproduceerde elektriciteit kunnen verkopen en leveren. De wet wil daarmee flexibel netwerkgebruik en veilige gegevensuitwisseling bevorderen.2. Wet collectieve warmteVeel Nederlandse gebouwen en woningen gebruiken nog aardgas voor verwarming en warm water. Collectieve warmtesystemen bieden een duurzaam alternatief. Hiermee kunnen meerdere woningen tegelijk worden verwarmd via één centrale bron, zoals industriële restwarmte of geothermie. Voor ongeveer een derde van Nederlandse gebouwen is dit de maatschappelijk goedkoopste optie.De overheid streeft naar 200.000 extra warmteaansluitingen voor bestaande woningen in 2030 en 2,6 miljoen in 2050. Aansluiten blijft vrijwillig: warmtebedrijven moeten vooraf duidelijke informatie over voorwaarden en prijzen verstrekken.De Wet collectieve warmte vervangt vanaf 2026 de Warmtewet en regelt dat gemeenten bepalen waar collectieve warmte het beste past. Warmtebedrijven moeten voor meer dan de helft overheidseigendom zijn, waardoor gemeenten en provincies zeggenschap houden over het beleid.De prijsstelling voor warmte verandert fundamenteel. In plaats van koppeling aan de gasprijs komt er een maximumtarief gebaseerd op werkelijke aanleg- en onderhoudskosten. Dit moet eerlijke prijzen voor klanten en rendement voor warmtebedrijven garanderen.Voor de overstap zijn diverse subsidies beschikbaar voor bewoners, gebouweigenaren, woningcorporaties en warmtebedrijven, waaronder de ISDE-regeling voor isolatie en duurzame warmtetechnieken, SDE++ voor grootschalige energieprojecten en de Warmtenet Investeringssubsidie (WIS). Hiermee kunnen overstapkosten deels worden terugverdiend.3. CBAM: Europese CO2-heffing voor importeursPer 1 januari voert de Europese Unie definitief een CO2-heffing in aan de buitengrenzen. Het CBAM-mechanisme (Carbon Border Adjustment Mechanism) verplicht importeurs om te betalen voor de CO2-uitstoot van bepaalde goederen. Hierdoor wordt 'koolstoflekkage' voorkomen: het verplaatsen van productie naar landen met minder strenge klimaatregels. De grensheffing is bedoeld om gelijke voorwaarden te creëren voor Europese producenten die binnen de EU moeten betalen voor hun CO2-uitstoot.Vanaf 2026 gelden er strengere verplichtingen. Importeurs moeten dan vooraf toelating aanvragen als 'CBAM-aangever' om goederen te mogen invoeren. De douane controleert deze toelating bij de invoer van goederen. De CBAM-regeling geldt voor goederen als cement, ijzer, staal, aluminium, kunstmest en elektriciteit. Hier vind je de officiële lijst met GN-codes van producten die onder de invoerheffing vallen.Importeurs die jaarlijks meer dan 50 ton aan CBAM-goederen invoeren vallen onder de regeling en moeten het jaar daarop aangifte doen in het CBAM-register. Na de aangifte moeten voldoende CBAM-certificaten worden gekocht en ingeleverd. De prijs per ton CO2 is gelijk aan die in het Europese emissiehandelsysteem. Als importeurs of buitenlandse producenten al hebben betaald voor CO2-uitstoot, worden deze kosten verrekend in de aangifte.In Nederland zijn de Nederlandse Emissieautoriteit en de douane samen verantwoordelijk voor de uitvoering van de CBAM-regelgeving. Grote subsidieregelingen: ISDE, SDE++, DEI+, MOOI, EKOO en HEP 1. ISDE voor ondernemersZakelijke energiegebruikers kunnen ook in 2026 aanvragen doen voor de Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE). Het gaat dan om mkb'ers, zzp'ers, overheden, religieuze instellingen, verschillende typen vennootschappen, woningbouwcorporaties, verenigingen en eigenaren van vakantiewoningen. Verhuurders van huurwoningen, VvE's, woonverenigingen en wooncoöperaties komen niet in aanmerking.Het subsidiebedrag wordt bepaald door twee factoren. Ten eerste het type installatie. Bij warmtepompen spelen de soort (lucht-water, grond-water of water-water), het energielabel (A++ of A+++) en het vermogen een rol. Voor zonneboilers zijn de effectieve oppervlakte van de collector en de inhoud van het boilervat bepalend. Windturbines krijgen maximaal 140 euro per vierkante meter rotoroppervlak.Naast het type installatie is ook het jaar van de aanvraag van belang. Wie in 2026 subsidie aanvraagt en in 2027 een maatregel uitvoert, krijgt een subsidiebedrag op basis van de aanvraag in 2026.In bepaalde gevallen wordt de subsidie-aanvraag getoetst aan regels voor staatssteun. Bij subsidies boven 100.000 euro (voor landbouw en visserij vanaf 10.000 euro) registreert Rijksdienst voor Ondernemend Nederland de aanvraag bij de zogenoemde Transparency Award Module van de Europese Commissie.2. SDE++-subsidieDe SDE++-subsidieregeling ondersteunt bedrijven en non-profitorganisaties bij het terugdringen van hun CO2-uitstoot door ze te stimuleren om grootschalig hernieuwbare energie op te wekken. Het gaat om een exploitatiesubsidie die gedurende twaalf of vijftien jaar wordt uitgekeerd.Er zijn vijf hoofdcategorieën: hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte, CO2-arme warmte en CO2-arme productie. Daarbij kan het gaan om het opwekken van stroom met zonnepanelen, het generen van warmte met elektrische boilers of CO2-afvanginstallaties.De subsidie dekt de 'onrendabele top': het verschil tussen de kostprijs en de marktvergoeding. Bij marktprijzen voor groene energie die lager liggen dan de kostprijs, wordt het verschil vergoed. Omgekeerd is de subsidie nul als marktprijzen hoger zijn dan de kostprijs.De regeling is jaarlijks voor ongeveer vier weken open voor inschrijving, meestal ergens tussen juni en oktober. Voor 2026 wordt een budget van circa 8 miljard euro verwacht.3. Innovatiesubsidies voor de energietransitieVoor komend jaar stelt het demissionair kabinet-Schoof in totaal 450 miljoen euro subsidie beschikbaar via vier regelingen voor innovaties die bijdragen aan de energietransitie. De regelingen gaan verspreid over het jaar open.Het gaat om de MOOI-regeling voor grote samenwerkingsverbanden tussen bedrijven en kennisinstellingen die praktijkgerichte systeemoplossingen onderzoeken en ontwikkelen, de EKOO-regeling voor kleinere onderzoek- en ontwikkelprojecten, de DEI+-regeling voor pilot- en demonstratieprojecten om het energieverbruik te verlagen of te verduurzamen, en de HEP-regeling voor Nederlandse deelnemers die willen meedoen aan een Europees Clean Energy Transition Partnership-project. Fiscale regelingen in 2026 1. Bijtelling privégebruik leaseautoWie een leaseauto of auto van de zaak heeft, krijgt te maken met een bijtelling voor het belastbaar inkomen als hij meer dan 500 kilometer per jaar in privé met de auto rijdt.Voor 2026 geldt voor nieuwe elektrische auto’s een bijtelling van 18 procent van de catalogusprijs over de eerste 30.000 euro. Voor de waarde daarboven geldt een tarief van 22 procent. Hiermee komt de bijtelling over de eerste 30.000 euro 1 procentpunt hoger te liggen dan in 2025.2. Kilometerheffing vrachtwagensVanaf 1 juli 2026 krijgen eigenaren van vrachtwagens in Nederland te maken met een kilometerheffing. Die is afhankelijk van het gewicht van een vrachtwagen en de CO2-uitstoot per gereden kilometer. Deze heffing is van toepassing op alle binnenlandse en buitenlandse vrachtwagens met een gewicht vanaf 3.500 kilo.De vrachtwagenheffing geldt voor snelwegen, een aantal N-wegen en gemeentelijke wegen.3. Energie-investeringsaftrekOndernemers die willen investeren in energiezuinige bedrijfsmiddelen kunnen gebruikmaken van de energie-investeringsaftrek bij de vennootschapsbelasting of de inkomensbelasting. Van de investeringskosten mag 40 procent worden ingezet om de belastbare winst te verlagen.In 2026 geldt er wel een samentelbepaling die het totaalbedrag aan aftrekbare energie-investeringen beperkt tot 151 miljoen euro per belastingplichtige. Lees ook:Dit zijn 4 grote voordelen voor bedrijven die meebewegen met de groene economie Tilburg doorbreekt impasse bij aanleg warmtenetten met eigen warmtebedrijf Netcongestie aanpakken: hoe Limburgse ondernemers samen een complete energiehub bouwden