Jeroen de Boer
23 december 2025, 15:30

Hoogleraar energie en duurzaamheid Gert Jan Kramer: 'Nederland moet knoppen zo zetten dat concurrentienadeel verdwijnt'

Nederland en Europa hebben meer reden dan ooit om tempo te maken met een verduurzaming van het energiesysteem. Daarbij wordt steeds duidelijker dat de markt tekortschiet. ‘We gaan richting een consensus over een grotere betrokkenheid van de overheid’, zegt hoogleraar verduurzaming van energiesystemen Gert Jan Kramer.

Hoogleraar duurzame energievoorziening Ger Jan Kramer Hoogleraar verduurzaming van energiesystemen Gert Jan Kramer. | Credits: Jeroen Berends / Universiteit Utrecht / Bewerking Change Inc.

In 2025 kreeg Nederland flink wat tegenvallers te verwerken van industriebedrijven die groene projecten afbliezen. In Rotterdam zagen Shell en BP af van de bouw van biobrandstoffabrieken, plasticrecyclingbedrijven hadden het zwaar en pogingen van het kabinet-Schoof om met grote CO2-uitstoters maatwerkafspraken te maken over verduurzaming liepen veelal vast.

Tegelijkertijd lijkt het besef doorgebroken dat een fundamenteel andere aanpak bij de verduurzaming van de industrie nodig is. ‘Als je kijkt naar de aard van de problemen en de feitelijke ontwikkelingen, dan is duidelijk dat dit niet makkelijk door de markt wordt opgelost’, zegt Gert Jan Kramer, hoogleraar verduurzaming van energiesystemen aan de Universiteit van Utrecht.

Zonder regierol van de overheid wordt groene transitie lastig

Decennialang was industriebeleid in Nederland min of meer taboe bij beleidsmakers die vertrouwden op de zelfsturende mechanismen van de markt. Door een opeenstapeling van hoofdpijndossiers (netcongestie, problemen met de uitbouw van windenergie op zee, achterblijvende elektrificatie van de industrie) is het sentiment echter langzaam aan het veranderen. Zonder een duidelijke regierol van de overheid wordt het lastig voor Nederland om een hoog welvaartsniveau vast te houden én de omslag te maken naar een duurzame, circulaire economie.

Het deze maand verschenen rapport van oud-ASML topman Peter Wennink straalt onmiskenbaar uit dat Nederland een gerichte investeringsagenda nodig heeft – al waren de reacties op de duurzame invulling daarvan vrij gemengd. Duidelijk is in ieder geval dat de overheid scherpe strategische keuzes moet maken.

Afgelopen oktober gaf Kramer met de denktank Sustainable Industry Lab (SIL) een voorschot op het soort keuzes waar een nieuw kabinet zich over moet buigen met een eigen rapport: Hulp bij Systeempijn. Daarin wordt vrij gedetailleerd geanalyseerd wat de randvoorwaarden zijn voor een duurzame transitie van de Nederlandse basisindustrie.

Optimisme over verduurzaming industrie na Klimaatakkoorden van Parijs

Kramer volgt het reilen en zeilen van de industrie al meer dan drie decennia. Na zijn promotie in de natuurkunde werkte hij tussen 1988 en 2016 als onderzoeker voor Shell, waar hij onder meer betrokken was bij de energiescenario’s van het olie- en gasconcern. Ook was hij vanaf 2010 elf jaar lang hoogleraar duurzame energie in Leiden. In die periode maakte Kramer mee hoe de Klimaatakkoorden van Parijs in 2015 een in zijn woorden ‘niet te onderschatten signaal’ gaven aan een brede groep van multinationals: zorg voor een strategie waarmee je in 2050 CO2-neutraal bent.

‘Dat bracht in internationale boardrooms de discussie op gang over de invulling van een routekaart: wat gaan we doen?’, schetst Kramer. Voor de basisindustrie betekende het dat bedrijven moesten gaan experimenteren met nieuwe fabrieken om bijvoorbeeld biobrandstoffen te maken of de productie van plastics te verduurzamen.

‘Rond 2020 was de vraag waar je dan de eerste proeffabrieken ging bouwen. Het lag voor de hand om dat te doen op een continent waar de politieke en maatschappelijke steun het grootst is’, zegt Kramer. ‘Europa stond er op dat moment heel goed op. En binnen Europa ook Nederland. Er was politiek gezien een gunstig momentum voor de duurzaamheidsagenda, onder meer met de investeringen in wind op zee.’

Terugslag door corona, gascrisis en Trump

Op de golf van optimisme in de eerste vijf jaar na het sluiten van de Klimaatakkoorden van Parijs volgde vrij abrupt een drievoudige terugslag: de coronacrisis zorgde vanaf 2020 voor serieuze economische tegenwind, de oorlog in Oekraïne leidde in 2022 tot een mondiale gascrisis die vooral Europa hard raakte, en de herverkiezing van Donald Trump zette eind 2024 de mondiale consensus over klimaatbeleid onder druk.

‘Bij elkaar zorgde dat voor een flinke verslechtering van de vooruitzichten voor de industrie in Europa’, zegt Kramer. ‘Het ongelukkige is dat Nederland juist in deze periode zijn eigen concurrentiepositie binnen Europa heeft verzwakt met een nationale CO2-heffing en extra energieheffingen voor de industrie.’

Door deze samenloop van omstandigheden wordt Nederland volgens Kramer momenteel relatief hard geraakt door beslissingen van multinationals over bezuinigingen in Europa. ‘Vanuit het perspectief van die bedrijven is het logisch om bij het schrappen van een nieuwe fabriek of het sluiten van een bestaande productielocatie te kijken naar het land waar alle knoppen de verkeerde kant op zijn gezet. Er is dus een urgente noodzaak om die knoppen weer zo te draaien dat we in ieder geval geen concurrentienadeel voor onszelf creëren binnen Europa.’

Intussen zijn de redenen om te versnellen met de energietransitie en verduurzaming van de industrie alleen maar urgenter geworden, mede door de geopolitieke spanningen in de wereld. Kramer: ‘Zeker sinds de oorlog in Oekraïne en de gascrisis zijn de argumenten om snel door te gaan met vergroening heel sterk. De grote uitdaging is nu om doelen te stellen voor het tempo van verduurzaming die precies goed zijn: niet te slap, maar ook niet onrealistisch hoog, zoals enkele jaren geleden het geval was met de verwachtingen rond groene waterstof.’

Het rapport ‘Hulp bij Systeempijn’ is afgelopen oktober aangeboden aan VVD-minister Sophie Hermans van Klimaat, met enkele ‘stoutmoedige ideeën’ die een grotere rol van de staat impliceren. Hoe is dat gevallen?

‘Er is in Den Haag inmiddels een besef dat de verduurzaming van de basisindustrie vastloopt vanwege een systeem dat niet is toegerust op de eisen van de toekomst. In het rapport hebben we willen schetsen wat er onderliggend speelt, met als belangrijk discussiepunt: zijn de gesignaleerde problemen oplosbaar als de overheid de zeer bescheiden rol blijft spelen die ze in de afgelopen decennia heeft gehad?

Mijn indruk is dat we richting een consensus gaan over een grotere betrokkenheid van de overheid. Over de precieze invulling van die nieuwe rol kun je nog discussiëren, maar ik heb niet de indruk dat veel politieke partijen daar nog principieel tegen zijn – zelfs de VVD niet.’

Eén van de stellingen in het SIL-rapport is dat de spectaculaire opmars van hernieuwbare energie bij de opwekking van elektriciteit geen blauwdruk biedt voor verduurzaming van de industrie. Hoe komt dat?

‘De opschaling van energie uit zon en wind in de afgelopen twintig jaar is geweldig als je kijkt naar de kostendaling van zonnepanelen en windmolens. Voor volledige verduurzaming van het energiesysteem is echter veel meer nodig dan alleen goedkope zonnepanelen. Er zijn allerlei systeemkosten, zoals de noodzaak tot verzwaring van elektriciteitsnetten en grootschalige beschikbaarheid van groene waterstof om bijvoorbeeld de chemiesector te verduurzamen.

We zijn nu op een punt gekomen dat je voor elk zonnepaneel of elke windmolen die je erbij plaatst, ook een extra stroomkabel en een batterij nodig hebt voor de netbalans, plus een elektrolyzer voor de productie van groene waterstof. Dat brengt allemaal additionele kosten met zich mee.

Specifiek voor de chemie geldt dat alternatieve procestechnologie op basis van biologische reststromen en circulair hergebruik duurder is dan olie als bron van koolstoffen. Biomassa en afval zijn nu eenmaal een slechter uitgangspunt om brandstof en chemicaliën van te maken dan aardolie.

Als we álle plastic zouden willen recyclen, zou je met de huidige stand van de techniek in het meest gunstige geval de helft van de koolstof in gerecycled plastic terugkrijgen. Wat dat betreft loopt de koolstoftransitie zo’n twintig jaar achter op de elektriciteitstransitie die we hebben gezien met zon en wind.’

Is dat de reden dat het SIL-rapport geen private businesscase ziet voor een groene basisindustrie als de overheid niet bereid is om, vooral op het gebied van kapitaalinvesteringen, risico’s over te nemen?

‘Het woord privaat is hier belangrijk. Er is wel een maatschappelijke businesscase wanneer externaliteiten mondiaal beprijsd zouden zijn. Maar bij afwezigheid daarvan moet elk project en iedere markt door specifiek overheidsbeleid worden ondersteund. De overheid moet de markt dus “maken”. Elk procent groen product moet gemandateerd worden. En dan is de vraag ieder jaar hoeveel procent meer groen product je verplicht kunt invoeren, want die mandaatvraag en de productie moeten steeds gelijk opgaan.’

Wordt het dan niet lastig voor bedrijven om investeringsbeslissingen te nemen voor de lange termijn?

‘Het probleem met regelingen voor bijvoorbeeld bijmengpercentages is dat die gevoelig zijn voor tussentijdse aanpassingen. Of het nu gaat over duurzame vliegtuigbrandstof of over circulair plastic, het maakt voor producenten enorm veel uit of de politiek besluit dat een bijmengpercentage over vijf jaar 8 procent is of toch 5 procent. Zoiets heeft grote gevolgen voor de benuttingsgraad van fabrieken en schept risico’s voor langetermijninvesteringen. Dat geldt eens te meer als het gaat over fabrieken die met nieuwe technologie werken. Dan is het de eerste jaren onzeker of en hoeveel die nieuwe fabriek zal produceren.

Bedrijven zijn vaak wel bereid om het technische risico op zich te nemen met de bouw van zo’n innovatieve fabriek. Maar als daar ook nog een beleidsrisico bijkomt over de gemandateerde afzet, wordt het heel lastig om kapitaalinvesteringen te doen die in de honderden miljoenen euro’s lopen. Op het moment dat de overheid voor zo’n eerste circulaire fabriek via een publiek gefinancierde market maker afnamegaranties biedt, geeft dat bedrijven veel meer zekerheid over de initiële investering.’

Het idee achter het Europese CO2-emissiehandelssysteem is dat de overheid de industrie in principe voldoende stimuleert om te verduurzamen door elk jaar minder emissierechten te veilen. CO2-intensieve productie wordt daarmee steeds duurder. Waarom is een aanvullende rol voor de overheid dan nog nodig?

‘Het Europese ETS-systeem is gebaseerd op een doel van nul emissies, zonder plan over hoe je daar moet komen. Daarbij zijn er twee uitkomsten mogelijk: een industrie met nul uitstoot, of nul uitstoot met nul industrie. Wat je momenteel ziet, is dat de dreiging van boetes vanuit het ETS-systeem de businesscase voor de transitie naar een circulair model niet rond maakt voor de basisindustrie.

Het is goed om te beseffen dat het economisch ook rationeel kan zijn om niets te doen. Als er geen businesscase is en je moet je huidige fabriek over vijftien jaar sluiten, dan ga je afbouwen.’

Het EU-rapport van Mario Draghi en het rapport Wennink bevatten allebei een oproep tot een investeringsagenda met scherpe keuzes. Wat kan dat betekenen voor bijvoorbeeld de positie van Tata Steel in Nederland en het chemiecluster in Rotterdam?

‘Idealiter bekijk je dit soort dingen op Europees niveau vanuit een portfolioperspectief. De discussie over staal is in Nederland altijd lastig, omdat het de facto over één bedrijf gaat.

Voor Europa moet je denk ik constateren dat de staalindustrie vooral sterk verbonden is met de auto-industrie. Als je auto’s maakt, wil je het daarvoor benodigde staal niet van de andere kant van de wereld halen, maar dichtbij produceren. Bij strategische beslissingen over de auto-industrie zijn Duitsland en Frankijk in the lead. Dan ligt het ook voor de hand dat je die landen de discussie over de Europese staalbehoefte laat aanvoeren.

Voor de petrochemie zit dat anders. Daar maakt het ARRRA-cluster van Rotterdam, Antwerpen en de Rijn-Ruhr-regio 40 procent van de Europese productie uit. Binnen dat cluster is Nederland de aantrekkelijkste locatie. Het zou prachtig zijn als Nederland het voortouw neemt bij het vormgeven van de duurzame toekomst van deze strategisch belangrijke sector, om te beginnen door samen met België en Duitsland een plan te maken.’

Als het aan formatiepartners D66 en CDA ligt, helpt de overheid de industrie onder meer door energiekosten te verlagen. Biedt dat hoop voor de basisindustrie?

‘De erkenning dat de overheid een actieve rol kan spelen is positief. Tegelijk lijkt het erop dat we, om het in medische termen uit te drukken, te maken hebben met een patiënt die pijnstillers neemt, maar nog niet naar de dokter is geweest met de vraag: is er ook een medicijn dat de ziekte verhelpt? Die stap moet in politieke zin nog worden gezet.’

Lees ook:

Biologische landbouw heeft explosieve groei nodig: 'Aanbod kan niet stijgen als de vraag achterblijft'

De ruimte is groot en hoog. Aan de muur hangen drie gitaren, achter een deur zit een muziekstudio. Als je niet beter zou weten, zou je denken dat je bij een professionele muzikant op bezoek was. Vast goede akoestiek hier. Maar Boy Griffioen is geen muzikant; hij is melkboer. Vijfde generatie. In 2009 schakelde De Groene Griffioen in Weesp om naar biologisch. Het is één van de inmiddels ruim 1.900 biologische boerderijen in Nederland.Omschakelen naar biologisch betekende niet alleen een omslag in werken, er kwamen ook nevenactiviteiten bij. De Groene Griffioen maakt bijvoorbeeld zijn eigen kaas. Die wordt – samen met andere lokale producten – verkocht in de boerderijwinkel, bestierd door Wendela Griffioen. De ruimte waarin we zitten wordt verhuurd.[caption id="attachment_171438" align="alignright" width="300"] Boy en Wendela Griffioen. | Credits: Grutto[/caption]Die nevenactiviteiten zijn deels plezier, deels noodzaak. Biologische boeren hebben het niet makkelijk in Nederland. Voor biologisch boeren is in de regel meer grond nodig dan voor gangbaar boeren, legt Griffioen uit. En laat die grond nou juist ontzettend duur zijn geworden. De laatste vier jaar steeg de prijs van landbouwgrond met ongeveer een kwart; gemiddeld kost een hectare nu 85.000 euro. 'Daardoor lopen vooral biologische boeren achter in schaalvergroting', weet Griffioen. Doelstelling voor biologische landbouw raakt uit zicht Toch moet er de komende jaren flink wat biologische landbouwgrond bij komen. In 2030 moet 15 procent van het landbouwoppervlak voor biologische landbouw worden gebruikt, vindt de Nederlandse overheid.Daar zijn we nog lang niet. Tussen 2011 en 2024 ging het percentage biologische landbouw van 2,5 naar 5 procent van het totale areaal. Wie die lijn doortrekt, komt al snel tot de conclusie dat we niet echt op koers liggen om het doel van 15 procent in 2030 te halen. 'Zeg maar gerust helemaal niet', aldus Griffioen.!function(){"use strict";window.addEventListener("message",function(a){if(void 0!==a.data["datawrapper-height"]){var e=document.querySelectorAll("iframe");for(var t in a.data["datawrapper-height"])for(var r,i=0;r=e[i];i++)if(r.contentWindow===a.source){var d=a.data["datawrapper-height"][t]+"px";r.style.height=d}}})}();Maar de hoop op een biologische toekomst is nog springlevend. Niet alleen (centrum-)linkse partijen als Groenlinks-PvdA, Partij voor de Dieren, Volt en ChristenUnie pleitten in hun partijprogramma voor biologische landbouw, datzelfde geldt voor JA21. In het tussentijdse formatieverslag van partijleiders Rob Jetten (D66) en Henri Bontenbal (CDA) wordt biologisch niet genoemd, maar gaat het wel over 'ondernemers die op een steeds schonere manier voedsel produceren', 'boeren die werk maken van agrarisch natuurbeheer' en 'een meer circulaire landbouw'.Maar hoe krikken we het percentage biologisch landbouwareaal op? Andere manier van denken Omschakelen naar biologisch is voor veel boeren een grote stap. Omdat biologische landbouwers geen gebruik maken van kunstmatige bestrijdingsmiddelen en kunstmest, en beperkt gebruikmaken van antibiotica, hebben ze minder controle over hun opbrengsten dan in de gangbare landbouw. 'Dat moet bij je passen', zegt Griffioen.Hoewel hij nooit spijt heeft gehad van de omschakeling naar biologisch, denkt de biologische landbouwer dat niet elke boer ervoor is gemaakt. 'Als je doel een maximale melkproductie per koe is, dan kun je bio waarschijnlijk slecht aan', zegt hij. 'Je moet het los kunnen laten als dieren wat minder produceren, of als er onkruid op je land komt. Het vergt ook een andere manier van denken. Omdat biologische boeren vaak zelf veevoer telen, moet je je bedrijf echt als geheel bekijken. Je dieren moeten bijvoorbeeld passen bij de kwaliteit van het gras dat je teelt.'Voor boeren van middelbare leeftijd die nog geen opvolger hebben, kan de omschakeling naar biologisch ook lastig blijken vanwege de benodigde investering. Ook Griffioen, nu 42 jaar, heeft nog geen opvolger. Zijn twee zoons hebben andere toekomstplannen. Kosten biologisch boeren stijgen harder dan opbrengsten Hoe zit het met het financiële plaatje voor boeren die willen omschakelen? Dat ligt voor een deel aan de huidige situatie van een gangbare boer. Heeft hij al voldoende grond, dan kan omschakelen best lucratief zijn. Moet hij grond bijkopen en/of grote aanpassingen aan stallen doen, dan wordt dat een flinke investering.Eenmaal omgeschakeld zijn de kosten van biologisch boeren hoger, onder meer door het verhoogde grondgebruik en de hoge prijs van biologisch krachtvoer, maar de opbrengsten ook. Dat was lang in balans, maar de laatste tijd kunnen biologische boeren hun extra kosten voor duurzame productie steeds minder vaak terugverdienen, concludeerde de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in haar Agro-Nutri Monitor. De kosten voor biologische productie zijn sterker gestegen dan de opbrengsten, onder meer door de hoge prijs van energie en arbeidskrachten. Daardoor zijn investeringen moeilijk terug te verdienen.Om boeren te stimuleren om te schakelen naar biologisch, kunnen boeren onder gunstige omstandigheden geld lenen via het Investeringsfonds Duurzame Landbouw van het Nationaal Groenfonds. Ook komen biologische boeren en omschakelaars in aanmerking voor de hoogste vergoeding van de zogenoemde eco-regeling voor hun bijdrage aan biodiversiteit, schoon water en een gezonde bodem. Daarmee kunnen ze hun inkomen aanvullen, al is de vergoeding met 180 euro per hectare niet erg hoog. Biologische boeren geven meer ruimte aan hun dieren en gebruiken geen kunstmest of synthetische bestrijdingsmiddelen. Ze zetten liever natuurlijke vijanden in tegen ziekten en besteden extra aandacht aan de bodemkwaliteit. Biologische landbouw heeft daarom minder impact op het milieu dan gangbare landbouw en is beter voor de natuur. Het grote nadeel is echter dat de opbrengst per hectare gemiddeld lager is bij biologische akkerbouw, juist omdat er geen kunstmest en pesticiden worden gebruikt. Daardoor worden er per kilo groente en fruit gemiddeld meer broeikasgassen uitgestoten dan bij gangbare landbouw.Biologische markt relatief gesloten Toch zijn biologische boeren grotendeels overgeleverd aan de grillen van de markt. En die markt is niet makkelijk, weet Boy Griffioen. Grote afnemers hebben liever niet te veel aanbod, omdat dat de prijzen kan drukken. Griffioen vertelt dat er bij FrieslandCampina regelmatig 'geen ruimte' was voor nieuwe biologische leden.Daarom maakt de boer zijn eigen kaas. Voor de verkoop van de melk werkt hij ook deels samen met MOMA, een Amsterdamse onderneming die zuivel en eieren uit de omgeving verkoopt in de stad. Slechts 20 procent van de melk gaat nog naar een 'gewone' fabriek. 'Daardoor is ons verdienmodel nu best oké', zegt Griffoen. 'Dat we de kaas zelf maken en verkopen, voegt echt waarde toe. We verkopen onze zuivel zelfs voor een iets hogere prijs dan gemiddeld.' Aanbod kan niet groeien als de vraag achterblijft Griffioen is één van de biologische boeren die zich heeft gespecialiseerd in directe verkoop aan de consument. Dat is een stabiele bron van inkomsten, maar uiteindelijk een beperkte markt, denkt biologisch akkerbouwer Digni van den Dries. Hij is bestuurslid bij vereniging Biohuis en mede-auteur van de routekaart Versnelling naar 15 procent biologisch.  'Het gros van de mensen koopt eten nou eenmaal in de supermarkt', zegt hij.Daarom is vooral een verhoging van de vraag naar biologische producten nodig. In het eerste halfjaar van 2025 ging slechts 3,5 procent van de bestedingen aan voedsel in de Nederlandse supermarkten naar producten met een biologisch keurmerk. Die vraag groeit wel, weet Van den Dries vanuit vereniging Biohuis. Vooral biologische aardappelen, groenten en fruit werden juist dit jaar veel verkocht in de supermarkten. Een groei van een aantal procentpunt ten opzichte van het totaal klinkt niet als veel, maar is wel een grote stijging als je naar puur biologisch kijkt, benadrukt de akkerbouwer.De vraag verschilt per categorie. Vorig jaar was liefst 17,4 procent van de verkochte eieren biologisch, tegenover 4,9 procent van de aardappelen, groente en fruit en 2,6 procent van het vlees.window.addEventListener("message",function(a){if(void 0!==a.data["datawrapper-height"]){var e=document.querySelectorAll("iframe");for(var t in a.data["datawrapper-height"])for(var r,i=0;r=e[i];i++)if(r.contentWindow===a.source){var d=a.data["datawrapper-height"][t]+"px";r.style.height=d}}});Het verhogen van het aanbod heeft weinig zin als de vraag niet meegroeit, stelt Gea Bakker, sectormanager akkerbouw bij Rabobank. 'Als het aanbod stijgt maar de vraag achterblijft, komen alle biologische boeren in de problemen.'Datzelfde beeld schetst Digni van den Dries. Sinds zijn omschakeling naar biologisch in 1990 heeft hij vele golfbewegingen gezien, zegt hij. 'Bijvoorbeeld in de jaren '90. Toen groeide door een subsidieregeling de biologische productie ineens heel snel, waardoor er te veel op de markt kwam. De hele prijs donderde in elkaar.'Zo'n extreem lage afzetprijs is 'niet leuk' voor de boeren, want hun producten leveren dan nog maar weinig op. Tegelijkertijd trekt het wel de aandacht van verwerkers in de keten, zegt Van den Dries. 'Zo'n golf in productie hielp toen om de consumptie op gang te brengen. In periodes die voor boeren wat slechter zijn kan de vraag juist groeien.' Toch raadt hij een stijging van het aanbod zonder vraagstijging met klem af. Want: 'Omschakelen naar biologisch wordt aantrekkelijk en is alleen duurzaam als de huidige boeren het goed doen.' Inflatie dempt vraag naar biologisch In het Actieplan groei biologische productie en consumptie is ook aan de consument gedacht. Om mensen te stimuleren meer biologisch voedsel te kopen wil de overheid onder andere campagnes opzetten en afspraken maken met supermarkten over voorlichting, ruimte in de schappen en het aanbod van biologische producten.'Veel te vrijblijvend', vindt Bakker. 'Met voorlichting bereik je de burger wel. Maar de consument in de supermarkt maakt toch een andere keuze. Zolang biologisch anderhalf tot twee keer zo duur is, gaat de vraag niet voldoende stijgen om 15 procent van het areaal te rechtvaardigen.'In de coronajaren zag Bakker weliswaar een verhoging van de vraag, mede door de focus op gezondheid, maar de inflatie in de jaren erna heeft roet in het eten gegooid. Dat de prijzen van biologische groenten en fruit mogelijk omhooggaan door het stoppen van de grootste biologische plantenkwekerij van Nederland, zal ook niet helpen. Verder dan de donkergroene consument Er dus moet er aan de prijs worden gemorreld om biologisch aantrekkelijker te maken. Markttoezichthouder ACM oppert om duurzame producten goedkoper te maken door een btw-verlaging. Maar volgens Bakker van Rabobank moeten we duurzaam voedsel niet goedkoper maken, maar juist herwaarderen. 'Ik heb het idee dat mensen de waarde van voedsel niet inzien. Begin zelf eens een moestuin, dan kom je erachter hoeveel energie en tijd het kost om goede producten te verbouwen.'De sectormanager ziet liever dat niet-duurzame producten duurder worden, en wel volgens het true price-principe. De negatieve milieu-impact van voedselproductie wordt dan meegerekend in de prijs van een product, wat het prijsverschil tussen biologisch en gangbaar kleiner maakt. Niet-duurzame producten worden dan immers duurder, zodat biologische producten eerlijker kunnen concurreren. Bakker: 'Wij willen als maatschappij een mooier, schoner Nederland. Dan moet daar ook een beloning tegenover staan. Producten met een lage milieu-impact moeten anders beprijsd worden dan die met een hoge milieu-impact.'Ook Griffioen ziet graag dat er een prijskaartje wordt gehangen aan de impact van onder meer de antibiotica en bestrijdingsmiddelen in de gangbare landbouw. 'Als dat gebeurt, kan biologisch daarmee gaan concurreren.'[caption id="attachment_171435" align="aligncenter" width="900"] De koeien op de Groene Griffioen mogen hun hoorns houden. | Credits: Cathy van den Berg[/caption]Andere manieren om biologisch te stimuleren zijn er ook. De overheid kan bijvoorbeeld een bijmengverplichting instellen – een verplicht percentage biologische grondstoffen in producten – of retailers verplichten een bepaald deel van hun producten duurzaam in te kopen. Ook moet biologisch meer aandacht krijgen in bijvoorbeeld schoolkantines en grote zorginstellingen, vindt Bakker. 'Nu koopt alleen de donkergroene consument standaard biologisch. Juist grote instellingen vergroten de volumes. Oók overheidsinstellingen moeten anders inkopen.' Meer geld nodig voor biologisch Volgens Griffioen ligt er ook een verantwoordelijkheid bij supermarkten. De 10 procent korting die Albert Heijn haar Premium-klanten op biologische producten geeft, is volgens hem bij lange na niet genoeg. 'Met een beetje extra reclame in supermarkten redden we het niet. Willen we de 15 procent biologische landbouw in 2030 halen, dan denk ik eerder aan quota in de retail. Dat we net zoals ooit met de gloeilamp gewoon zeggen: niet-duurzaam doen we niet meer.'Dat supermarkten de vraag naar biologisch fors kunnen doen groeien, beaamt ook Van den Dries van Biohuis. Biologische groenten en fruit zijn volgens hem vooral duurder vanwege het lage volume en de hoge marges. 'Als supermarkten de marges in eerste instantie iets verlagen, kunnen ze de vraag op gang brengen. Daarmee zal de uiteindelijke omzet stijgen.' Hij noemt rode bieten als voorbeeld. 'Daarvan is 86 procent in Nederland al biologisch. Een stille transitie.'Van den Dries roept het bedrijfsleven op om duidelijk voor biologisch te kiezen en daar ook over te communiceren. Een win-win, zegt hij: bedrijven maken hun duurzaamheidsambities waar, boeren krijgen vertrouwen in de toekomst. Daarmee wordt ook omschakelen aantrekkelijker. Van den Dries spreekt over noodzakelijk 'perspectief op groeiende markten en redelijke prijszetting'. Is dat perspectief er? Van den Dries lacht: 'Daar wordt hard aan gewerkt. Als beleid, retail en ketenpartijen ervoor willen gaan, kan het zeker.''Ik ben optimistisch, maar dan is er wel meer geld nodig', vervolgt hij. 'Nu heeft de overheid gezegd: we willen naar die 15 procent, maar we zetten er maar 26 miljoen euro tegenover. 26 miljoen! Om een enorme transitie in het landelijk gebied te bewerkstelligen.' Hij lacht ongelovig. ‘Dat straalt niet echt uit: we gaan ervoor. Een vergelijkbare ingrijpende transitie, de energietransitie, kostte tot nu toe miljarden.'Als het aan Griffioen ligt, wordt meer geld onder meer in een gebiedsproces gestoken dat ervoor zorgt dat de grondprijzen weer teruggaan naar hun reële waarde. Ook gangbare landbouw verduurzaamt Griffioen is nu niet bezig met opschaling, maar zijn bedrijf staat niet stil. Hij wil vooral inzetten op meer toegevoegde waarde, vertelt hij. 'De biologische sector heeft nu toch een wat stoffig imago. Ik denk dat we niet snel genoeg vernieuwen. Om relevant te blijven zullen we stappen moeten zetten in bijvoorbeeld dierenwelzijn en fossielvrije bedrijfsvoering. Daarmee kunnen we ons onderscheiden van de gangbare landbouw.'Want ook de niet-biologische landbouw wordt steeds duurzamer. Biologische boeren mogen het dan lastig hebben, ze zijn wel een voorbeeld voor gangbare boeren. 'Die kijken met veel interesse toe', aldus Bakker. 'Ook in de gangbare landbouw komt verduurzaming steeds meer op gang. Er zijn bijvoorbeeld grote akkerbouwers die op een deel van hun grond een biologisch product telen om ervaring op te doen. Gangbaar en biologisch staan steeds minder tegenover elkaar. Dat is hoopgevend.' Lees ook:Hendrik Wijnen (DO IT Organic): ‘Biologisch eten wordt de norm, daar twijfel ik geen seconde aan’ ‘Op papier is krekels eten de toekomst, maar de praktijk blijkt weerbarstiger’ Changemaker Erik Does (Ekoplaza): ‘Biologisch eten duurder? Niet als je de toekomstige kosten meeneemt’