Peulvruchten als soja en veldbonen zijn vlinderbloemigen: een familie van planten die stikstof uit de lucht bindt in de grond. Dat maakt ze tot ontzettend nuttige gewassen voor de bodemkwaliteit. Ze zijn ook nog eens goed voor de biodiversiteit en onze eigen gezondheid. Het enige probleem: er is nog geen structurele markt voor deze gewassen uit Nederland. En als ze geen geld in het laatje brengen, blijven boeren ze niet telen.
Daar heeft Plant Protein Forward een oplossing voor. Minstens acht maanden lang werken partijen in de hele keten van een gewas – van teelt tot verkoop – samen om een structurele afzetmarkt te creëren, mét een goed verdienmodel voor de boer.
Hoe Plant Protein Forward de verkoop van Nederlandse eiwitten aanjaagt
Plant Protein Forward is een programma van Foodvalley, Rabobank en het Provinciaal Eiwitnetwerk NL. Het programma richt zich op het versterken van ketens van plantaardige eiwitten van Nederlandse bodem. Zo eten we straks geen soja uit Zuid-Amerika meer, maar gewoon uit de polder. Plant Protein Forward draagt bij aan de Nationale Eiwitstrategie en de Bean Deal, beide met als doel minder afhankelijk te worden van de import van plantaardige eiwitten.
Als de partijen een gewas hebben gekozen, zoeken zij daar een zogenoemde ketenversterker voor. Dat zijn onafhankelijke experts die voor langere tijd onderdeel worden van het team. Deze ketenversterker stemt de verschillende belangen in de keten op elkaar af en legt contact tussen boeren, verwerkers en voedselaanbieders. Als gevolg daarvan verkoopt Jumbo nu Nederlandse sojayoghurt en edamamebonen, met een vertienvoudiging van de Nederlandse edamameteelt als gevolg. Ook lupine en de veldboon hebben een boost gekregen van Plant Protein Forward. Lupinemeel wordt nu bijvoorbeeld ingekocht door industriële bakkerijen, veldbonen worden mogelijk verwerkt in hybride vleesproducten.
Hoe ziet het proces eruit?
Projectmanager Sylvia Raijmakers van Foodvalley: ‘We maken eerst een marktscan van interessante eiwitrijke gewassen om de vraag, concurrentie, prijzen en consumentenvoorkeuren te begrijpen. Er moet al een gerealiseerde teelt zijn. Gewassen zijn geschikt voor het programma als ze wel marktpotentie hebben, maar die nu nog niet waarmaken. We focussen nadrukkelijk niet op teeltoptimalisatie, maar op afzetcreatie. Daar lopen boeren vaak op vast. Een gewas telen is één, maar het onder de aandacht brengen bij voedselaanbieders – en daadwerkelijk deals sluiten – is een andere tak van sport.
Een onafhankelijke ketenversterker gaat aan de slag om langdurige afzet te creëren. Die gaat samenwerkingen met belangrijke partijen aan, zoals retailers of verwerkers. Het precieze proces verschilt per gewas; elke keten zit in een andere fase van ontwikkeling. Zo draaide het bij edamamebonen vooral om gesprekken met nieuwe afnemers, terwijl er voor veldbonen in Nederland nog een hele toeleveringsketen gebouwd moest worden.’
Jullie werken volgens het EAT-principe. Wat houdt dat in?
‘EAT staat voor Entrepreneuring Apart Together. Apart doelt op de specifieke aanpak die elke gewasketen nodig heeft. We hebben ook weleens gedacht: misschien moeten we één foodprofessional met een mandje vol bonen op ‘verkooppad’ laten gaan. Maar omdat elke gewasketen eigen hulpvragen en uitdagingen heeft, krijgen ze een eigen ketenversterker. Juist daardoor kunnen er snel stappen worden gezet.
Daarnaast organiseert Plant Protein Forward workshops en kennissessies waarbij partijen uit de verschillende gewasketens samenkomen – ‘Together’ – om hun ervaringen te delen. Daar bespreken we overkoepelende thema’s die voor elke keten relevant zijn. True value bijvoorbeeld, of het uitrekenen van de carbon footprint. Samenwerking is heel belangrijk.’
Waar lopen de partijen waar jullie mee werken in de ketens tegenaan?
‘Het kost veel inspanning om een keten op te bouwen of te versterken. Omdat veldbonen in Nederland nog niet op grote schaal werden verwerkt, moesten partijen bijvoorbeeld veel inspanning verrichten om de verwerkingsprocessen in te richten en te voldoen aan strenge kwaliteits- en toelatingseisen in de voedingsmiddelenketen.
Ook daarin is kennisdeling van groot belang. Vroeger teelden we veel bonen in Nederland, maar de afgelopen decennia hebben we veel meer ingezet op veeteelt en veevoer. Voor veel boeren is de teelt van peulvruchten niet meer zo vanzelfsprekend. De kennis moet soms weer even worden opgefrist. Plant Protein Forward focust op afzetcreatie, maar er zijn verschillende andere initiatieven die boeren ondersteunen in de teelt.’
Wat zijn jullie plannen voor de toekomst?
‘De volgende keten waar we ons op richten is die van quinoa. Plant Protein Forward loopt nog minstens twee jaar, maar ook daarna willen we impact blijven maken. Een goed verdienmodel voor de boeren creëren blijft centraal staan, zodat we meer zelfvoorzienend worden. Boeren die betrokken zijn bij Plant Protein Forward kunnen vervolgens ook weer anderen inspireren. Het helpt dat peulvruchten uit eigen land aantrekkelijker worden nu grote bedrijven over hun duurzaamheidsprestaties moeten rapporteren.
Aan het einde van het traject willen we een handboek voor boeren en ketenpartijen opleveren met geleerde lessen over afzetkanalen. Zo kunnen we ze helpen bij het vormgeven van duurzame samenwerkingen binnen de keten. Daarmee willen we een nog veel grotere groep bereiken en inspireren.’




