De klimaatconferentie COP30 in Brazilië loopt op zijn eind, met een gemengd beeld over de inspanningen om met klimaatbeleid de opwarming van de aarde te beperken. De huidige prognoses voor temperatuurstijging zijn minder extreem dan de scenario’s van tien jaar geleden, maar de verwachte gevolgen lijken juist tegen te vallen. De verwachting is bovendien nog steeds dat de gemiddelde temperatuur op aarde deze eeuw fors boven de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs komt te liggen. ‘We gaan hoger uitkomen dan 1,5 graad opwarming ’, zegt ook klimaatwetenschapper Heleen de Coninck.
In internationaal verband schreef De Coninck mee aan rapporten van het VN-klimaatpanel IPCC, terwijl ze in Nederland als plaatsvervangend voorzitter van de Wetenschappelijke Klimaatraad betrokken is bij de advisering over nationaal klimaatbeleid.
Zeven jaar geleden was De Coninck medeauteur van een IPCC-rapport over het belang van het doel om de opwarming van de aarde onder de 1,5 graad Celsius te houden. ‘Het probleem is dat landen de afgelopen jaren wel ambities hebben uitgesproken om emissies van broeikasgassen terug te dringen, maar dat ze die ambities onvoldoende hebben omgezet in beleid’, zegt de hoogleraar aan de TU Eindhoven en de Radboud Universiteit Nijmegen.
Tijdens de coronacrisis was er volgens De Coninck een unieke mogelijkheid om de enorme steunpakketten van overheden de vorm te geven van een groene investeringsimpuls. ‘In sommige landen zoals Zuid-Korea is dat gebeurd, maar de meeste landen zijn toen tekortgeschoten. Daar hebben we echt de kans gemist om onder de 1,5 graden te blijven.’
Volgens nieuwe prognoses van onder meer de VN koerst de wereld met het huidige beleid af op een opwarming van 2,5 tot 2,8 graden Celsius deze eeuw. Toch lijken zorgen over de consequenties daarvan in politiek opzicht minder gewicht te hebben dan enkele jaren geleden.
‘De wetenschap geeft daar geen enkele aanleiding toe. Het is nog steeds zo dat de opwarming leidt tot zeer schadelijke en onomkeerbare veranderingen. In dat rapport uit 2018 schreven we al met grote stelligheid over het uitsterven van de koraalriffen en over de risico’s van het smelten van het landijs bij de polen. Sindsdien is er nog veel meer onderzoek gedaan naar de risico’s van klimaatkantelpunten, maar de boodschap vanuit de wetenschap is al jaren hetzelfde: ieder beetje extra opwarming vergroot disproportioneel de gevolgen. Je kunt nu niet meer zeggen dat je het niet wist.’
Tegelijk blijkt het nog altijd lastig om die wetenschappelijke boodschap te vertalen naar maatschappelijke actie.
‘Dat is inderdaad ingewikkeld. Wij zijn geen politici, maar ik denk wel dat de wetenschap mogelijk te passief is geweest. Er is veel vanaf de zijlijn geroepen, terwijl we ons misschien meer hadden kunnen inzetten voor degenen die daadwerkelijk proberen om duurzame verandering door te voeren. Niet dat elke wetenschapper zich met klimaat moet bezighouden, maar er kan wel wat meer gekeken worden naar hoe klimaatwetenschap echt impact kan hebben.
Los daarvan denk ik dat de herverkiezing van Donald Trump toch een soort psychologisch kantelpunt is geweest. Op dat moment werd voor iedereen duidelijk dat er in de VS vanuit de overheid vier jaar lang niets gaat gebeuren op klimaatgebied. Dat is in landen die al moeite hadden met klimaatbeleid, aangegrepen om hun doelen af te zwakken. En fossiele bedrijven en financiële instellingen zien hun kans schoon om duurzaamheidsdoelen terug te draaien en de tegenlobby op te schroeven.
Aan de andere kant is er ook een tegenbeweging die erop wijst dat er geen enkele reden is om achterover te leunen, nu allerlei ongewenste effecten van klimaatverandering escaleren. En gelukkig spelen, zeker in landen als Nederland, veel media een positieve rol door over klimaatverandering te blijven berichten en zo het thema op de agenda te houden.
Verder zie je dat het ook werkt om klimaatvragen meer te verbinden met andere thema’s, zoals veiligheid, woningbouw en economische toekomstbestendigheid. Dat laatste is bijvoorbeeld direct gerelateerd aan verduurzaming van de industrie en strategische autonomie.’
Hoe kijk je in dit verband aan tegen kansen om economieën af te helpen van fossiele brandstoffen via verregaande elektrificatie met hernieuwbare energie?
‘Dat hangt een beetje af van de economische structuur van landen, maar ik denk wel dat je in veel gevallen zo’n 70 procent van de eindvraag naar energie kunt elektrificeren met duurzame energie, ook in Nederland. Voor het overige heb je dan nog groene waterstof of andere duurzaam geproduceerde moleculen nodig.
We hebben voor Nederland twee jaar geleden met een expertgroep gekeken hoe je dat in 2050 kunt bereiken. Dan zie je dat de zware industrie de ‘wild card’ is waar veel vanaf hangt. Er moeten echt keuzes worden gemaakt over het soort bedrijvigheid dat je wilt hebben.’
Waar liggen op dit vlak de grootste uitdagingen?
‘Nederland telt een aantal industriële sectoren die veel broeikasgassen uitstoten, zoals staal, chemie en kunstmest. Je moet je daarbij afvragen waar we echt onderscheidend in zijn en hoe je dat duurzaam wilt inrichten. Dat gaat verder dan het vergroenen van de huidige industrie, het vraagt om een transformatie naar iets nieuws.
Bij Tata Steel is nu 2 miljard euro overheidssubsidie in het vooruitzicht gesteld voor wat toch vooral een ‘fuel switch’ lijkt te zijn van kolen naar aardgas. Een andere route is dat je geen nieuw ijzererts meer gebruikt voor de staalproductie en kiest voor het importeren van halffabrikaten en het recyclen van schroot om staal te maken, met als gevolg een emissievoetafdruk die sneller richting nul kan. De consequentie is dan wel dat die energie-intensieve stap van ijzererts verwerken elders – in Europa of daarbuiten – moet gebeuren.’

De Nederlandse overheid wil tot 2 miljard euro bijdragen aan het verduurzamen van Tata Steel Nederland. Foto: Getty Images.
‘Voor de kunstmestproductie geldt iets vergelijkbaars. Daar is ammoniak voor nodig en de vraag is of je ammoniak op basis van groene waterstof in Nederland moet gaan maken, gegeven het relatief beperkte potentieel voor hernieuwbare energie.
Je kunt er ook voor kiezen om groene ammoniak te importeren, omdat de productie elders goedkoper kan. Dat soort keuzes maakt uiteindelijk veel uit voor de binnenlandse vraag naar groene stroom.’
En de chemie?
Daarvan kun je zeggen dat dit voor Nederland echt een strategische sector is. Met de elektrificatie van het transport en andere beperkingen op het gebruik van fossiele brandstoffen komt er onvermijdelijk een krimp van de olieraffinage, dus dan moet de chemie haar grondstoffen via andere routes verkrijgen.
Wat ik in deze context bemoedigend vind, is dat er hiervoor initiatieven opduiken in de chemie, zoals recent het plan voor de fabriek van Blue Circle Olefins. Daarmee kun je de plasticketen echt op schaal verduurzamen. In dit verband kun je overigens vraagtekens zetten bij de maatwerkafspraken van de overheid: die zijn alleen gericht op bestaande spelers, terwijl je juist ook nieuwe partijen wilt ondersteunen.’
In de politieke discussie is het vaak makkelijker om te praten over technologische keuzes dan over sociaal gedrag. Is die focus op technologie afdoende, of moet je voor het terugdringen van emissies ook serieus kijken naar consumptie met een hoge klimaatvoetafdruk?
‘Ik ben een innovatiewetenschapper en dat gaat over technologie, maar je moet absoluut ook naar de impact van consumptieve keuzes kijken. Daarbij zie je dat nieuwe technologie eigenlijk altijd een klimaatimpact heeft. We gebruiken bijvoorbeeld ledlampen, omdat dat je daarmee energie bespaart. Vervolgens zie je hele tuinen volhangen met ledlampjes in plastic snoeren, waarbij extra plastic dus voor nieuwe uitstoot zorgt.
De auto is ook een goed voorbeeld. We vervangen benzine-auto’s voor grotere elektrische auto’s die meer staal bevatten, terwijl de accu’s grondstoffen vereisen die veelal een negatieve sociale en ecologische impact hebben.
Daarmee zeg ik niet dat niemand meer een auto mag hebben. De vraag is wel of er in Nederland echt tien miljoen auto’s nodig zijn. Het is ook zinnig om te kijken naar oplossingen voor mobiliteit waarbij we het aantal auto’s kunnen verminderen, zonder dat mensen hun auto missen.’
Toch ontstaat er al snel maatschappelijke weerstand als de overheid voorschrijft wat mensen wel en niet mogen consumeren. Zie je mogelijkheden om op dat vlak grotere stappen te zetten?
‘Vanuit de wetenschap begrijpen we steeds beter hoe normverandering zich voltrekt. Positief is dat er bijvoorbeeld op het gebied van eten al een grote verschuiving heeft plaatsgevonden. Twintig jaar geleden werd het nog lastig gevonden als iemand vegetarisch was, terwijl dat tegenwoordig eigenlijk helemaal geaccepteerd is. Niemand in een restaurant kijkt er nog van op en meestal staan vegetarische opties gewoon op de kaart.
Als overheid kun je dergelijke processen negeren, of ze juist versnellen. Momenteel is er eigenlijk geen overheidsbeleid bij het stimuleren van plantaardige dieetopties in ons deel van Europa. In de Wetenschappelijke Klimaatraad zijn we bezig met het voorbereiden van een advies voor de Nederlandse regering, waarin de boodschap wordt om dit wel op te pakken.
We geven die boodschap ook, omdat onderzoek keer op keer aantoont dat de meeste mensen graag duurzamer willen leven, mits ze daarbij geholpen te worden. Het lukt vaak niet, omdat er te weinig of geen geschikt aanbod is. Of het is te duur en te ingewikkeld.
Op het moment dat de overheid een bepaalde vorm van gedrag voorleeft door er beleid op te voeren, ontstaat sneller het gevoel dat dergelijk gedrag de sociale norm is. De milieuwinst die je boekt met aanpassing van gedrag is uiteindelijk ook goedkoper voor de samenleving. Het gaat er dus om dat je duurzame keuzes makkelijker maakt en ik ben wel hoopvol dat je daar beweging in kunt krijgen.’




