Redactie Change Inc. 08 december 2025, 14:59

Bouwen met organische materialen toekomstmuziek? Niet als het aan dit bouwbedrijf ligt

Biobased materialen die de CO2-uitstoot van de bouwsector omlaag kunnen brengen liggen voor het oprapen. Toch grijpen bouwbedrijven er nog niet massaal naar. Waarom eigenlijk niet? Ralph Oduber, hoofd innovatie bij bouwbedrijf Heijmans, ziet een industrie die zichzelf tegenhoudt, juist op het moment dat vernieuwing het hardst nodig is.

A9_02534.jpg De Growing Facade is gemaakt van mycelium, een netwerk van organische schimmeldraden. Helemaal biobased dus. | Credits: Maikel Samuels

Glunderend kijkt Oduber naar de stellage van blokken naast hem op het podium. De blokken, zandkleurig en uitgerust met een zwierig motief, lijken op het eerste gezicht puur voor de sier neergezet. En ja, sierlijk zijn ze: een week eerder waren ze nog te bewonderen als pronkstukken op de Dutch Design Week. Maar de blokken zijn meer dan alleen hun esthetische waarde. Het zijn namelijk ook duurzame bouwstenen die gebruikt kunnen worden bij het bouwen van huizen.

De ‘stenen’, door ontwerpers Maartje Dros en Eric Klarenbeek gedoopt tot Growing Facade, zijn gemaakt van mycelium, een netwerk van organische schimmeldraden. Helemaal biobased dus. De schimmels worden gedurende twee weken kunstmatig gegroeid op een ondergrond van houtvezel en suikers, en krijgen daardoor eigenschappen die vergelijkbaar zijn met hout. Het mycelium wordt met 3D-printers gevormd tot stevige bouwblokken die gebruikt kunnen worden als wandbekleding. Vooralsnog voor binnen, maar het doel is dat ze na wat experimenten ook buiten toegepast kunnen worden.

Grootschalig gebruik biobased blijft uit

De bouwsector moet het in de toekomst van dit soort materialen hebben, vertelt Oduber tijdens een lezing in de Utrechtse Jaarbeurs. Vanwege het nijpende woningtekort is de noodzaak om huizen te bouwen enorm. Het overheidsdoel staat op bijna een miljoen woningen in 2030. Maar traditionele bouwmaterialen als beton en staal veroorzaken veel CO2-uitstoot, en dat valt niet te rijmen met de klimaatdoelen. Hoognodig dus om te kijken naar duurzamere bouwmaterialen, zoals geopolymeerbeton, hout, hennep of mycelium.

‘Het goede nieuws is dat deze materialen allemaal al kunnen worden toegepast’, zegt Oduber. ‘Maar het slechte nieuws is dat de bouwsector er helaas nog niet grootschalig gebruik van maakt.’

De bouwsector is van nature conservatief, hoor je uit alle hoeken. Bedrijven klampen zich graag vast aan traditionele bouwmaterialen die gedurende de afgelopen decennia hun strepen hebben verdiend vanwege lage kosten, hoge brandveiligheid en flexibiliteit in het gebruik.

Dat heeft enerzijds een voordeel: dat de sector voorzichtig is, betekent dat ze doorgaans veilige, betaalbare en robuuste gebouwen levert. Maar tegelijk zit de hang naar vervuilende materialen innovatie in de weg. En over biobased materialen kan in de sector nog wel eens laatdunkend gesproken worden, weet Oduber. ‘Je krijgt dan sarcastisch te horen: ‘leuk joh, dat bouwen met schimmels, ga zo door’. Terwijl vanuit andere omgevingen de reactie heel anders is. Bijvoorbeeld op de Dutch Design Week, waar men heel enthousiast was. Daar kan het dus blijkbaar wel.’

Geen gebrek aan ambitie

Uit de Nederlandse Innovatie Monitor van SEO Economisch Onderzoek, waarin onderzoekers inzoomen op de mate van technologische vernieuwing in de samenleving, blijkt dat Nederland de afgelopen jaren steeds minder investeert in innovatie. Dit geldt weliswaar breder dan alleen voor de bouwsector, maar de bouw is wel een opvallende onderpresteerder. ‘Dus terwijl de economie groeit en het aantal maatschappelijke uitdagingen toeneemt, neemt de hoeveelheid nieuwe technieken die we gebruiken en de investeringen daarin af’, zegt Oduber. ‘Dat is echt een gemiste kans.’

Een gebrek aan ambitie is niet het probleem, denkt hij. Vooral in de vroege stadia van projecten zijn er onder de betrokken partijen nog volop ideeën om duurzamer te bouwen. Ofwel door elementen te hergebruiken, dan wel door gebruik te maken van nieuwe, biobased materialen waarmee minder CO2-uitstoot gepaard gaat. Maar naarmate een project vordert, sijpelt de drive weg, ziet Oduber. ‘Dan zien we ineens allemaal beren op de weg en hebben we geen creatieve ideeën om met die risico’s om te gaan. Eigenlijk zijn we dus zelf onze grootste vijand.’

En dat terwijl de bouw juist een voortrekkersrol zou moeten spelen, vindt hij. ‘Er heerst het gevoel dat alle innovatie bij hightech-bedrijven of kennisinstellingen vandaan moet komen, en dat wij als bouwsector slechts volgen. Maar wij hebben een gigantische invloed. Hoe wij stenen stapelen, maakt uit of mensen elkaar wel of niet ontmoeten, of ze een fijne leefomgeving hebben, of producten wel of niet hergebruikt kunnen worden.’

Radicaal nieuwe en innovatieve kijk op bouwen

Volgens ING vertegenwoordigt de totale bouwsector ruim 5 procent van het BBP. Neem je de toelevering van materialen en gerelateerde diensten, loopt dit op naar meer dan het dubbele. Oduber: ‘Dan ben je dus automatisch een impact-industrie. We zijn daarom verplicht om er iets mee te doen, vind ik.’

Heijmans wil daarom stapsgewijs gaan inzetten op wat het bedrijf zelf noemt ‘een radicaal nieuwe en innovatieve kijk op bouwen’. Lees: het creatief gebruiken van biobased materialen die de klimaatimpact van bouwen verkleinen. Tot aan 2030 wil Heijmans minstens tien vernieuwende samenwerkingen aangaan met bedrijven, universiteiten, ontwerpers, en architecten. Die samenwerkingen moeten uiteindelijk allemaal leiden tot baanbrekende toepassingen in de bouw, zegt Oduber.

De Growing Facade gemaakt van mycelium is daar een voorbeeld van. De bouwstenen van ontwerpers Dros en Klarenbeek stonden niet alleen op de Dutch Design Week, ze zijn ook al daadwerkelijk toegepast bij een renovatieproject. Heijmans werkte mee aan de verbouwing van een gebouw van de rijksoverheid, waarbij een grote ruimte werd uitgerust met de biobased blokken. Zelf zegt Heijmans dat de ruimte daardoor een plek geworden is waar ‘groen, rust en verbinding de boventoon voeren’.

Materialen moeten zich bewijzen

Toch klinken er vanuit de sector ook zorgen over het vestigen van hoop op dit soort bouwelementen; materialen die zich nog niet op grote schaal bewezen hebben. De enorme bouwopgave vraagt van duurzame materialen dat ze betaalbaar, schaalbaar en brandveilig zijn, en dat ze een lange levensduur hebben, zowel binnen als buiten. Zo niet, heeft het geen zin om er grootschalig op in te zetten, zo klinkt het. Voldoet mycelium aan die kenmerken?

Het eerlijke antwoord: dat weet nog niemand. ‘Dat zijn de grote vragen die we met elkaar moeten gaan beantwoorden’, zegt Oduber. ‘Mycelium heeft de belofte om brandwerend, thermisch isolerend, akoestisch dempend en vochtresistent te zijn. Daarmee hebben we een product dat alles in zich heeft voor succesvol binnengebruik. Buitengebruik moeten we nu goed gaan testen, maar ik ben ervan overtuigd dat het gaat lukken.’

Of het betaalbaar en schaalbaar is, blijkt dan vanzelf, vindt hij. ‘Het heeft geen zin om daar vooraf te veel op te focussen. Dan lopen we als sector dood en krijgen we niets voor elkaar. We moeten gewoon beginnen en gaandeweg uitvinden wat wel en niet werkt.’

Lees ook:

Dit artikel is gemaakt door een van onze expertredacteuren in samenwerking met onze partner Heijmans. Change Inc. werkt met partners die de klimaattransitie aanjagen. Zij kunnen cases presenteren waar anderen zich aan kunnen optrekken en zijn eerlijk over de uitdagingen. Niet één bedrijf is al 100 procent duurzaam, maar veel zijn onderweg. Dankzij ons partnermodel zijn onze artikelen gratis toegankelijk voor iedereen. Benieuwd naar hoe wij werken? Klik hier.

Tilburg doorbreekt impasse bij aanleg warmtenetten met eigen warmtebedrijf

Aan warmtenetten wordt een belangrijke rol toegekend, als onderdeel van de ambitie om Nederland van het gas af te krijgen en woningen en gebouwen duurzaam te verwarmen. Dinsdag stemt de Eerste Kamer over de Wet Collectieve Warmte, die moet helpen om de uitbouw van warmtenetten te versnellen, zodat in 2050 een derde van de woningen in Nederland is aangesloten op een collectief warmtesysteem.Als de nieuwe wet wordt aangenomen, krijgen publieke partijen zoals gemeenten en provincies per 1 januari 2026 een leidende rol bij het ontwikkelen van warmtevoorzieningen. Die moeten dan verplicht voor minimaal de helft eigendom moeten zijn van publieke aandeelhouders. Tilburg van start met eigen warmtebedrijf Sommige gemeenten nemen daar al een voorsprong op. Zo heeft Tilburg medio dit jaar een volledig publiek warmtebedrijf opgericht, met de gemeente als enige aandeelhouder.Tijdens de Dag van de Warmtetransitie, georganiseerd door Energie Beheer Nederland, lichtten energieadviseur Robert Kint van de gemeente Tilburg en directeur Barry Scholten van Warmtebedrijf Tilburg afgelopen week in een speciale sessie toe, waarom voor deze opzet is gekozen.Een belangrijk argument om zelf alvast te beginnen met een gemeentelijk warmtebedrijf, lag bij de ambitie om geen kansen te missen bij lopende plannen voor nieuwbouw en ook in te spelen op mogelijkheden om bestaande wijken op een warmte-koude-net aan te sluiten. ‘We willen nu snelheid maken en daarvoor is slagkracht nodig’, aldus Kint.Het gemeentelijke programmateam voor de energietransitie was vijf jaar geleden al begonnen met een verkenning om in kaart te brengen welke stadsgebieden potentieel geschikt zijn voor aansluiting op een warmtenet. Het hele traject heeft dus al een langere voorgeschiedenis, waarbij volgens Kint een aantal zaken van belang zijn om verder te komen. Durven kiezen om vaart erin te houden Zo helpt het als je begint met een ‘slimme startmotor’. In het geval van Tilburg was dat het plan om te beginnen met de aanleg van een warmte-koude-net in Tilburg-Zuid. Cruciaal is volgens Kint verder dat je als gemeente ervaren professionals voor je warmtebedrijf aantrekt, maar ook dat er heldere communicatie en afstemming is met burgers. Tot slot is voldoende politiek steun van wethouders onontbeerlijk.‘Je moet durven kiezen’, stelt Kint over het besluit om te beginnen met een warmtebedrijf dat voor 100 procent in handen is van de gemeente. Voordeel hiervan is dat er meteen effectief kan worden ingespeeld op de lokale agenda voor ruimtelijke ordening. Daarmee is volgens Kint overigens niet uitgesloten dat het gemeentelijke warmtebedrijf in een later stadium alsnog nieuwe aandeelhouders erbij krijgt, bijvoorbeeld om onderdeel te worden van een regionaal warmtecluster. Publiek warmtebedrijf met publiek doel: betaalbaar en betrouwbaar Directeur Scholten van het Warmtebedrijf Tilburg gaf bij de Dag van de Warmtetransitie aan dat zijn organisatie een duidelijk publiek doel dient: zorgen dat Tilburgers toegang hebben tot betaalbare en betrouwbare warmte. ‘De nutsfunctie staat voorop, het gaat niet om winst maken.'Het Warmtebedrijf Tilburg krijgt de beschikking over ontwikkel- en projectfinanciering via de gemeente en kan additioneel kapitaal aantrekken in de vorm van bankfinanciering.Bij specifieke projecten voor bijvoorbeeld nieuwbouw voert het Warmtebedrijf Tilburg de regie over de exploitatie. De bouw van de infrastructuur wordt via het warmtebedrijf aanbesteed bij marktpartijen. Scholten: ‘Je moet daarbij goed nadenken over de toekomstige waarde van voorzieningen die je nu aanlegt. Je bouwt infrastructuur voor de lange termijn, dus die systemen moet over dertig jaar nog veel waarde vertegenwoordigen.’ Zeerlagetemperatuur warmte-koude-net Tilburg kiest voor een zogenoemd zeerlagetemperatuur warmte-koude-net. Dat betekent dat er niet met één grote bron wordt gewerkt, maar dat er koppelingen komen tussen verschillende lokale bronnen die restwarmte afgeven. Dat kunnen gebouwen zoals ziekenhuizen zijn, maar er kan ook gebruik worden gemaakt van bodemenergie zoals warmte van het riool.Een gesloten circuit van leidingen zorgt ervoor dat er continu energie door een wijk stroomt op temperaturen van onder de dertig graden. Binnen gebouwen die een aansluiting krijgen op het warmte-koude-net, worden de temperaturen met een warmtepomp aangepast voor specifieke gebruiksbehoeften. Zo krijgt een nieuwbouwlocatie één centrale warmtepomp die in de energievraag van een gebouw voorziet en hoeft niet elke woning een eigen warmtepomp. Daarnaast kan restwarmte worden bewaard door middel van warmte-koudeopslag.‘De technologie is niet nieuw, het gaat om bewezen oplossingen’, aldus Scholten. ‘De grootste opgave is om burgers mee te nemen in dit verhaal en comfort te geven.’ Met als uiteindelijk doel om 40.000 woningen in Tilburg met een eigen warmte-koude-net in de komende vijfentwintig jaar een duurzame toekomst te geven. Lees ook:Dit zijn de 7 innovaties met de grootste impact op de energietransitie Hoe de aanleg van warmtenetten in een impasse kwam – en hoe we eruit komen Wat Nederland kan leren van Duitsland: 92% besparen op je energierekening met zon en slimme batterijen