Bij droog water is het een skatebaan en speel- en sportplek die talloze kinderen aantrekt. Maar als er hevige regen valt – en dat zal steeds meer gebeuren – kan het Rabalderparken in het Deense Roskilde water afvoeren.
Het is een goed voorbeeld van hoe een fijne stad eruitziet, vindt Vincent Luyendijk, specialist in gezonde en duurzame leefomgevingen. ‘We realiseren ons steeds meer dat ruimte schaars is. Zeker in Nederland. Als we het woningtekort willen oplossen en óók nog willen zorgen dat mensen hun wijk een fijne plek vinden, zullen we dus verschillende functies voor verschillende mensen moeten combineren. Dat bespaart ook ruimte.’
Dat doen ze niet alleen in Denemarken, maar zeker ook in Nederland. Neem de Spiegelwaal, een nevengeul van de Waal bij Nijmegen. De geul werd tussen 2013 en 2015 aangelegd als onderdeel van het project Ruimte voor de Rivier, met als doel om waterveiligheid en recreatie te combineren. Bij hoogwater kan er meer water opgevangen worden, op andere momenten is het een populair recreatiegebied voor watersporters en zwemmers.
Luyendijk: ‘Vaak zijn er wethouders die verantwoordelijk zijn voor mobiliteit, voor vergroening óf voor sport. Zij kunnen beter de handen ineenslaan. Je kunt gezondheid van de mens en gezondheid van de planeet niet los van elkaar zien.’
Bouwstenen voor een fijne stad
Een fijne stad wordt opgebouwd met verschillende bouwstenen, laat Luyendijk zien in zijn boek.
De basis bestaat uit prettige huizen en gebouwen, bereikbare en toegankelijke voorzieningen, een veilige omgeving en sociale verbindingen.
Voor de omgeving zijn gezonde lucht, groen en natuur, genoeg en veilig water, klimaatbestendigheid en weinig geluidsoverlast belangrijk. Denk aan autoluwe gebieden, groene daken en lage-emissiezones.
Daarbovenop komen de activiteiten. Die omvatten actieve mobiliteit, gezonde voeding, sport en beweging, spelen en ontspannen en andere activiteiten die het welzijn stimuleren.
Groene steden
Eén van de speerpunten van een leefbare stad is veel groen, blijkt keer op keer uit de voorbeelden die Luyendijk aanhaalt. Daar zijn handige kaders voor. Professor Cecil Konijnendijk bedacht bijvoorbeeld ooit de 3-30-300-regel. Die stelt dat iedereen vanuit huis drie bomen moet kunnen zien, in een buurt met minstens 30 procent boomkroonbedekking moet wonen (het boomkroonoppervlakte gedeeld door het landoppervlak) en binnen 300 meter toegang tot een park of groenvoorziening moet hebben.
Zo’n omgeving heeft verschillende voordelen. Zo kan een volgroeide boom in de stad op een zonnige dag een koelvermogen van 20 tot 30 kilowatt leveren door schaduw en verdamping via de bladeren. Het verschil tussen straten met en zonder bomen kan oplopen tot wel 10 graden Celsius. Het Colombiaanse Medellín wist de temperatuur in drie jaar tijd met 2 graden Celsius te verlagen met ‘groene corridors’ en verticale tuinen. Goed tegen de hittestress én de airco hoeft minder aan.
Daarnaast verbeteren bomen de luchtkwaliteit en de biodiversiteit – in Medellín keerden dertig vlindersoorten terug – en verminderen ze de druk op het riool bij hevige regenbuien. Een stedelijke boom kan tot wel 1.000 liter water per jaar opnemen. Ook groene daken en gevels kunnen helpen.
Duurzaam is niet duurder
Een veelgehoord argument tegen het vergroenen van steden is dat het veel geld zou kosten. De focus ligt vaak op wat een ontwikkelaar op korte termijn aan een project kan verdienen, weet Luyendijk. ‘Daardoor verliezen we niet alleen zicht op de opbrengsten op de lange termijn, maar ook op de maatschappelijke waarde van plekken. Wat levert het op voor de gezondheid, voor het welzijn, voor het milieu?’ Hij doelt op het WISE-model: Wellbeing, Inclusivity, Sustainability en Economic value. Dat model biedt houvast voor gebiedsontwikkelaars om verder te kijken dan de economische waarde van een gebied.
Bovendien heeft vergroening ook financiële voordelen. De investering betaalt zich terug in bijvoorbeeld gewildere huizen – mensen betalen meer voor een woning met uitzicht op groen – en hogere inkomsten voor winkeleigenaren. Grijze winkelstraten trekken geen publiek op warme dagen, terwijl mensen wel willen shoppen in groene winkelstraten. Luyendijk: ‘Er is eigenlijk geen enkele reden om tegen een groene stad te zijn. Die gedeelde grond is fijn in een polariserende samenleving.’
Utrecht is koploper
Maar waar te beginnen? Bij stedenbouwkundigen en gebiedsontwikkelaars, lijkt het logische antwoord. Toch heeft Luyendijk zijn boek niet geschreven om hen te inspireren. Hij richt zich meer op wethouders. ‘Natuurlijk heb je goede ideeën en lef van architecten nodig. Maar van bovenaf moeten er ook duidelijke kaders komen. De gemeente Utrecht is één van de koplopers in Nederland als het gaat om fijne plekken. Dat komt doordat zij healthy urban living in elke visie als uitgangspunt nemen. Alles wordt langs die lat gelegd.’
Utrecht heeft de afgelopen jaren grote beslissingen gemaakt met het oog op duurzame mobiliteit. Niet auto’s, maar fietsers en voetgangers worden als uitgangspunt genomen. ‘De Catharijnesingel, jaren een soort snelweg door de stad, is nu één van de fijnste plekken. Dat krijg je als je verder kijkt dan efficiëntie.’
Ook inwoners moeten hun invloed niet onderschatten, vindt Luyendijk. ‘Als inwoner heb je ook wat te zeggen over je eigen omgeving. Bovendien gaat vergroening verder dan de publieke ruimte. Als er harde regen valt moeten niet alleen de straten groen zijn, maar ook de tuinen. Mensen met een volledig stenen tuin belasten de publieke ruimte door dat water niet zelf op te vangen.’
Hij vervolgt: ‘In het Verenigd Koninkrijk kijken ze daarom naar een “tegeltaks”. Wie te veel verharding in de tuin heeft, moet betalen. In Nederland zal het zo’n vaart niet lopen, wij vinden zulke maatregelen al snel betutteling. Maar de gemeente Groningen onderzoekt wel of grootschalig tegelgebruik kan worden ontmoedigd via de hemelwaterverordening.’
Ook in andere Nederlandse steden ziet Luyendijk positieve ontwikkelingen voor groenere steden. Koplopers volgens hem zijn Utrecht, Zwolle, Groningen en Leiden. ‘Daar kan de rest een voorbeeld aan nemen.’
Vier groene steden in Nederland
Utrecht is volgens Luyendijk een ‘internationale voorbeeldstad’ waarin natuur en stadsleven samenkomen. Zo wordt er gebouwd aan stadswijk Cartesius, waar meer dan 3.000 woningen omgeven moeten worden door veel groen, autoluwe straten en gedeelde voorzieningen. Ook stadswijk Merwede wordt vrijwel autovrij. Verschillende stadsparken bieden daarnaast verkoeling en speelmogelijkheden. Het Griftpark is bijvoorbeeld ontstaan na de sanering van een voormalige vuilstort.
Zwolle heeft een speciale ‘blauwe visie’ voor het omgaan met water. Nieuwbouwproject Het Kraanbolwerk aan de stadsgracht is zodoende ontworpen met de gedachte om ook in 2100 droog te blijven. De woningen zijn zo ontworpen dat ze beschermd blijven bij extreme waterstanden. En het Stationsplein in Zwolle fungeert als ‘superspons’ voor het opvangen van regenwater bij hevige buien.
Groningen presenteerde in 2021 de ‘Ontwerpleidraad Leefkwaliteit Openbare Ruimte’. Straten worden daarin niet alleen gezien als plekken om je te verplaatsen, maar worden ook bekeken door de bril van toegankelijkheid, klimaatbestendigheid, sociale interactie, leefkwaliteit en cultuurhistorie. Ook langetermijnontwikkelingen worden meegenomen.
Leiden heeft het bekende Singelpark: het langste stadspark van Nederland. Het bijzondere daaraan is dat het een burgerinitiatief is. Het is gecreëerd in samenspraak tussen de gemeente, inwoners en de stichting Vrienden van het Singelpark. Vrijwilligers onderhouden het groen en organiseren activiteiten in het park. Ook op andere plekken in de stad maken tegels plaats voor groen, daar waar Leiden tot tien jaar geleden nog de meest versteende gemeente van Nederland was.




