Redacteur Maaike
Maaike Kooijman
01 augustus 2025, 12:00

Zo ziet de stad van de toekomst eruit: 'Er zijn geen argumenten tégen meer groen'

De stad van de toekomst is natuurlijk, bereikbaar, actief, geleefd en klimaatbestendig. En die kan – en wordt – nu al gebouwd, laat Vincent Luyendijk zien in het inspiratieboek De fijne stad. ‘De truc is om meerdere functies op één plek te combineren.’

Vincent Luyendijk over groene steden De Catharijnesingel in Utrecht is een goed voorbeeld van een fijne plek. | Credits: Antoine Thevenet / Elizabeth Wattimena

Bij droog water is het een skatebaan en speel- en sportplek die talloze kinderen aantrekt. Maar als er hevige regen valt – en dat zal steeds meer gebeuren – kan het Rabalderparken in het Deense Roskilde water afvoeren.

Het is een goed voorbeeld van hoe een fijne stad eruitziet, vindt Vincent Luyendijk, specialist in gezonde en duurzame leefomgevingen. ‘We realiseren ons steeds meer dat ruimte schaars is. Zeker in Nederland. Als we het woningtekort willen oplossen en óók nog willen zorgen dat mensen hun wijk een fijne plek vinden, zullen we dus verschillende functies voor verschillende mensen moeten combineren. Dat bespaart ook ruimte.’

Dat doen ze niet alleen in Denemarken, maar zeker ook in Nederland. Neem de Spiegelwaal, een nevengeul van de Waal bij Nijmegen. De geul werd tussen 2013 en 2015 aangelegd als onderdeel van het project Ruimte voor de Rivier, met als doel om waterveiligheid en recreatie te combineren. Bij hoogwater kan er meer water opgevangen worden, op andere momenten is het een populair recreatiegebied voor watersporters en zwemmers.

Luyendijk: ‘Vaak zijn er wethouders die verantwoordelijk zijn voor mobiliteit, voor vergroening óf voor sport. Zij kunnen beter de handen ineenslaan. Je kunt gezondheid van de mens en gezondheid van de planeet niet los van elkaar zien.’

Bouwstenen voor een fijne stad

Een fijne stad wordt opgebouwd met verschillende bouwstenen, laat Luyendijk zien in zijn boek.

De basis bestaat uit prettige huizen en gebouwen, bereikbare en toegankelijke voorzieningen, een veilige omgeving en sociale verbindingen.

Voor de omgeving zijn gezonde lucht, groen en natuur, genoeg en veilig water, klimaatbestendigheid en weinig geluidsoverlast belangrijk. Denk aan autoluwe gebieden, groene daken en lage-emissiezones.

Daarbovenop komen de activiteiten. Die omvatten actieve mobiliteit, gezonde voeding, sport en beweging, spelen en ontspannen en andere activiteiten die het welzijn stimuleren.

Groene steden

Eén van de speerpunten van een leefbare stad is veel groen, blijkt keer op keer uit de voorbeelden die Luyendijk aanhaalt. Daar zijn handige kaders voor. Professor Cecil Konijnendijk bedacht bijvoorbeeld ooit de 3-30-300-regel. Die stelt dat iedereen vanuit huis drie bomen moet kunnen zien, in een buurt met minstens 30 procent boomkroonbedekking moet wonen (het boomkroonoppervlakte gedeeld door het landoppervlak) en binnen 300 meter toegang tot een park of groenvoorziening moet hebben.

Zo’n omgeving heeft verschillende voordelen. Zo kan een volgroeide boom in de stad op een zonnige dag een koelvermogen van 20 tot 30 kilowatt leveren door schaduw en verdamping via de bladeren. Het verschil tussen straten met en zonder bomen kan oplopen tot wel 10 graden Celsius. Het Colombiaanse Medellín wist de temperatuur in drie jaar tijd met 2 graden Celsius te verlagen met ‘groene corridors’ en verticale tuinen. Goed tegen de hittestress én de airco hoeft minder aan.

Daarnaast verbeteren bomen de luchtkwaliteit en de biodiversiteit – in Medellín keerden dertig vlindersoorten terug – en verminderen ze de druk op het riool bij hevige regenbuien. Een stedelijke boom kan tot wel 1.000 liter water per jaar opnemen. Ook groene daken en gevels kunnen helpen.

Duurzaam is niet duurder

Een veelgehoord argument tegen het vergroenen van steden is dat het veel geld zou kosten. De focus ligt vaak op wat een ontwikkelaar op korte termijn aan een project kan verdienen, weet Luyendijk. ‘Daardoor verliezen we niet alleen zicht op de opbrengsten op de lange termijn, maar ook op de maatschappelijke waarde van plekken. Wat levert het op voor de gezondheid, voor het welzijn, voor het milieu?’ Hij doelt op het WISE-model: Wellbeing, Inclusivity, Sustainability en Economic value. Dat model biedt houvast voor gebiedsontwikkelaars om verder te kijken dan de economische waarde van een gebied.

Bovendien heeft vergroening ook financiële voordelen. De investering betaalt zich terug in bijvoorbeeld gewildere huizen – mensen betalen meer voor een woning met uitzicht op groen – en hogere inkomsten voor winkeleigenaren. Grijze winkelstraten trekken geen publiek op warme dagen, terwijl mensen wel willen shoppen in groene winkelstraten. Luyendijk: ‘Er is eigenlijk geen enkele reden om tegen een groene stad te zijn. Die gedeelde grond is fijn in een polariserende samenleving.’

Utrecht is koploper

Maar waar te beginnen? Bij stedenbouwkundigen en gebiedsontwikkelaars, lijkt het logische antwoord. Toch heeft Luyendijk zijn boek niet geschreven om hen te inspireren. Hij richt zich meer op wethouders. ‘Natuurlijk heb je goede ideeën en lef van architecten nodig. Maar van bovenaf moeten er ook duidelijke kaders komen. De gemeente Utrecht is één van de koplopers in Nederland als het gaat om fijne plekken. Dat komt doordat zij healthy urban living in elke visie als uitgangspunt nemen. Alles wordt langs die lat gelegd.’

Utrecht heeft de afgelopen jaren grote beslissingen gemaakt met het oog op duurzame mobiliteit. Niet auto’s, maar fietsers en voetgangers worden als uitgangspunt genomen. ‘De Catharijnesingel, jaren een soort snelweg door de stad, is nu één van de fijnste plekken. Dat krijg je als je verder kijkt dan efficiëntie.’

Ook inwoners moeten hun invloed niet onderschatten, vindt Luyendijk. ‘Als inwoner heb je ook wat te zeggen over je eigen omgeving. Bovendien gaat vergroening verder dan de publieke ruimte. Als er harde regen valt moeten niet alleen de straten groen zijn, maar ook de tuinen. Mensen met een volledig stenen tuin belasten de publieke ruimte door dat water niet zelf op te vangen.’

Hij vervolgt: ‘In het Verenigd Koninkrijk kijken ze daarom naar een “tegeltaks”. Wie te veel verharding in de tuin heeft, moet betalen. In Nederland zal het zo’n vaart niet lopen, wij vinden zulke maatregelen al snel betutteling. Maar de gemeente Groningen onderzoekt wel of grootschalig tegelgebruik kan worden ontmoedigd via de hemelwaterverordening.’

Ook in andere Nederlandse steden ziet Luyendijk positieve ontwikkelingen voor groenere steden. Koplopers volgens hem zijn Utrecht, Zwolle, Groningen en Leiden. ‘Daar kan de rest een voorbeeld aan nemen.’

Vier groene steden in Nederland

Utrecht is volgens Luyendijk een ‘internationale voorbeeldstad’ waarin natuur en stadsleven samenkomen. Zo wordt er gebouwd aan stadswijk Cartesius, waar meer dan 3.000 woningen omgeven moeten worden door veel groen, autoluwe straten en gedeelde voorzieningen. Ook stadswijk Merwede wordt vrijwel autovrij. Verschillende stadsparken bieden daarnaast verkoeling en speelmogelijkheden. Het Griftpark is bijvoorbeeld ontstaan na de sanering van een voormalige vuilstort.

Zwolle heeft een speciale ‘blauwe visie’ voor het omgaan met water. Nieuwbouwproject Het Kraanbolwerk aan de stadsgracht is zodoende ontworpen met de gedachte om ook in 2100 droog te blijven. De woningen zijn zo ontworpen dat ze beschermd blijven bij extreme waterstanden. En het Stationsplein in Zwolle fungeert als ‘superspons’ voor het opvangen van regenwater bij hevige buien.

Groningen presenteerde in 2021 de ‘Ontwerpleidraad Leefkwaliteit Openbare Ruimte’. Straten worden daarin niet alleen gezien als plekken om je te verplaatsen, maar worden ook bekeken door de bril van toegankelijkheid, klimaatbestendigheid, sociale interactie, leefkwaliteit en cultuurhistorie. Ook langetermijnontwikkelingen worden meegenomen.

Leiden heeft het bekende Singelpark: het langste stadspark van Nederland. Het bijzondere daaraan is dat het een burgerinitiatief is. Het is gecreëerd in samenspraak tussen de gemeente, inwoners en de stichting Vrienden van het Singelpark. Vrijwilligers onderhouden het groen en organiseren activiteiten in het park. Ook op andere plekken in de stad maken tegels plaats voor groen, daar waar Leiden tot tien jaar geleden nog de meest versteende gemeente van Nederland was.

Lees ook:

Groene groei: illusie of noodzaak?

‘Als je kiest voor groei, kies je niet voor het klimaat en de natuur', aldus Hans Stegeman, hoofdeconoom van duurzame bank Triodos, in een Change Inc.-interview. Dat klinkt stellig. Stegeman legt dat als volgt uit: 'Elke economische activiteit heeft negatieve effecten op onze leefomgeving. Er zijn grondstoffen en land nodig, er wordt CO2 uitgestoten.’Even later legt hij uit dat Triodos een lager winststreven heeft dan in de financiële sector gebruikelijk is. ‘We zetten bewust lager in, omdat we ruimte willen houden om dingen te doen die impact hebben. Waarmee ik niet wil zeggen dat impact en rendement niet hand in hand kunnen gaan. Maar we proberen een voorloper te zijn en dat betekent dat je soms meer risico moet nemen.’Toen ik dat las dacht ik: Huh? Als impact en rendement hand in hand kunnen gaan, waarom is groene groei dan onmogelijk? Het interview geeft geen antwoord op die vraag. Hogere prijzen dempen de vraag Ik ben het met Stegeman eens dat het ongebreidelde consumentisme van de afgelopen decennia meer schade veroorzaakt dan het aan welvaart oplevert. De spreekwoordelijke telefoonhoesjes van 1 euro per stuk die door Alibaba wereldwijd massaal aan de man worden gebracht, om niet zelden snel in de vuilnisbak te verdwijnen: het is waanzin.True pricing – waarbij milieuschade wordt verrekend in de prijs – helpt het consumentisme te beteugelen. Hogere prijzen dempen immers de vraag. De Europese CO2-markt is hiervan het bekendste voorbeeld: wie uitstoot, betaalt. Maar dat leidt hooguit tot minder grijze groei, niet vanzelf tot groene.Stegeman heeft een punt als hij zegt dat voortdurende groei op een eindige planeet wringt. Meer productie, meer consumptie, meer energiegebruik: de druk op klimaat en milieu neemt toe, zolang de energievoorziening niet duurzaam is en het grondstoffenverbruik niet circulair.Maar wie economische groei per definitie als probleem ziet, mist volgens mij een andere realiteit: we hebben als samenleving ook middelen nodig om onze collectieve ambities te realiseren. Gezondheidszorg, onderwijs, veiligheid, ouderenzorg – het vergt allemaal mensen, middelen en organisatiekracht. En dus economische groei. Zeker in een land dat vergrijst en waarin de kosten voor de publieke sector oplopen, is economische stilstand simpelweg geen optie. Hoe gaan we het groeiend aantal medewerkers in de zorg en het onderwijs betalen als de economie niet groeit? Transitie gaat met horten en stoten Misschien heeft Stegeman gelijk en is groene groei een illusie. Maar ik heb de hoop op een succesvolle energietransitie en een circulaire economie nog niet opgegeven. Ik ben ooit opgeleid tot ingenieur. Hoewel ik daarna in de journalistiek ben gerold, heb ik er wel een vooruitgangsgeloof en technologie-optimisme aan overgehouden.Op termijn zorgt technologie en innovatie voor een groene en schone economie. Daar ben ik van overtuigd. Waarom? Omdat duurzame en circulaire producten uiteindelijk comfortabeler, schoner en goedkoper zijn dan producten van fossiele oorsprong. De gloeilamp was ooit een enorme innovatie, veel beter dan kaarsverlichting. Sinds de gloeilamp (tegenwoordig LED) is met een druk op de knop het licht aan. Je hoeft geen kaarsen in huis te halen, geen gedoe met lucifers en geen walm.De duurzame en circulaire economie heeft diezelfde belofte: comfortabelere en schonere producten. De transitie gaat met horten en stoten. De infrastructuur is niet op orde en de opslag van groene stroom staat nog in de kinderschoenen. Maar uiteindelijk zullen die bedrijven succesvol zijn die de gloeilampen van de 21e eeuw verkopen in plaats van kaarsen. Groene groei is niet makkelijk Het gaat volgens mij niet om de vraag óf we moeten groeien, maar hóe? Daarmee komen we uit bij een ander punt waar ik me wél in kan vinden: het bruto binnenlands product als maatstaf voor vooruitgang is te beperkt. Het zegt weinig over kwaliteit van leven, niets over duurzaamheid, en al helemaal niets over de verdeling van welvaart. Als we groei breder definiëren – in termen van welzijn, toegang, gezondheid en ecologische draagkracht – dan ontstaat er een nieuw perspectief.Groene groei is niet makkelijk, wel noodzakelijk. Want zonder perspectief op vooruitgang verliezen we draagvlak voor verandering. En zonder economische basis verschraalt ook de ruimte voor publieke investeringen, solidariteit en innovatie. Krimp klinkt misschien principieel, maar biedt weinig richting. Groene groei is geen vanzelfsprekendheid, maar ook geen luxe, vind ik. Het is de enige route waarmee we én onze planeet én onze samenleving leefbaar houden. Lees ook:Tijd voor visie en samenwerking in de politiek, niet voor haarkloverij en stokpaardjes De optimistische wijsheid van Jan Terlouw Het is (te) makkelijk om kritiek te hebben op klimaatbeleid van Hermans