Demissionair klimaatminister Sophie Hermans (VVD) wil de ambities voor de uitbreiding van windparken op zee voor de periode tot 2040 flink terugschroeven. De ideeën van een minister in een kabinet dat binnenkort verdwijnt, zijn op zich weinig relevant. Maar het zwalkende beleid rond de uitbouw van windenergie is wel tekenend voor een breder probleem.
Het kabinet-Schoof mist duidelijk een integrale kijk op de duurzame transitie, waarin de overheid haar regierol serieus neemt. Dat is voor veel maatschappelijke partijen frustrerend, omdat de energietransitie voortdurend tegen marktfalen aanloopt.
CO2-beprijzing: meest effectieve instrument
Het meest doeltreffende instrument om de transitie richting duurzame energie te versnellen is zwaarder inzetten op CO2-beprijzing. Idealiter worden de opruimkosten van CO2-uitstoot simpelweg onderdeel van de prijzen van fossiele energie. Hiermee pak je het probleem van de zogenoemde ‘externaliteit’ aan: het feit dat de maatschappelijke kosten van CO2-uitstoot onvoldoende zijn verwerkt in individuele productprijzen.
De huidige Europese CO2-prijzen van zo’n 70 euro per ton zijn te laag om bijvoorbeeld projecten voor opvang en opslag van CO2 rendabel te maken. Daarvoor heb je veelal prijzen van rond de 150 euro tot 200 euro per ton CO2 nodig, blijkt uit een recent rapport van adviesbureau Deloitte.
Een fors hogere CO2-prijs kan veel uitmaken. Er is immers een dubbel voordeel: je stimuleert technologie om uitgestoten CO2 op te ruimen en maakt tegelijkertijd CO2-intensieve energie (kolen, olie, gas) relatief duurder vergeleken met duurzame energie.
Energie uit wind en zon wordt daarmee relatief een stuk goedkoper. Zo versnellen ook de verdere elektrificatie van het totale energieverbruik en de verduurzaming van de industrie. Een dergelijke fiscale maatregel kan het speelveld dus drastisch veranderen.
Hogere CO2-prijs politiek lastig haalbaar
De politieke realiteit is dat ambitieuze beprijzing van CO2 alleen op Europees niveau kan werken. Dat bleek onlangs weer uit het besluit van het kabinet-Schoof om onder druk van de zware industrie een specifieke Nederlandse CO2-belasting te schrappen. Dat gebeurde net op het moment dat de Nederlandse CO2-belasting substantieel hoger dreigde te worden dan de Europese CO2-prijs.
Een belangrijke opgave voor een volgend kabinet wordt daarom om binnen de nationale kaders een integraal beleid op te zetten dat rekening houdt met zowel de aanbod- als de vraagkant van de energietransitie. Als je dat toepast op windenergie zou het fijn zijn als er wat systematischer wordt gekeken naar een tweesporenbeleid voor enerzijds makkelijke oplossingen voor de korte termijn en anderzijds moeilijke problemen voor de langere termijn.
Versnellen windenergie op korte termijn
Demissionair minister Hermans heeft voorgesteld om te mikken op minimaal 30 gigawatt aan windcapaciteit op zee in 2040, in plaats van de 50 gigawatt die eerder de ambitie was. Het achterliggende rapport, getiteld Windenergie Infrastructuurplan Noordzee, schetst een aantal scenario’s voor de ontwikkeling van vraag en aanbod van windenergie op de langere termijn. Dat geeft een aardig beeld van hoe je moeilijke en minder lastige problemen uit elkaar kunt trekken.
In vrijwel alle scenario’s is het uitgangspunt dat de ontwikkeling van het elektriciteitsgebruik van de gebouwde omgeving, binnenlandse mobiliteit, landbouw en de minder energie-intensieve industrie zorgt voor voldoende vraag om te mikken op 30 gigawatt aan vermogen voor wind op zee in 2040. In dit verband zou het logisch zijn om op de korte termijn oplossingen te implementeren die ervoor zorgen dat zowel de aanbod- als de vraagkant voldoende worden gestimuleerd.
Aan de aanbodzijde zijn hiervoor diverse opties, waaronder zogenoemde contracts-for–difference. Daarbij compenseert de overheid private exploitanten van windparken als stroomprijzen onder een vooraf bepaald minimumniveau zakken. Aan de andere kant mag de overheid overwinsten afromen als de prijzen boven een bepaald maximum stijgen. Onder meer het Verenigd Koninkrijk maakt gebruik van deze vorm.
Aan de vraagzijde kan gedacht worden aan corporate power purchase agreements om meer zekerheid te bieden in de vraag naar windenergie vanuit bedrijven. Het gaat dan om langetermijncontracten tussen ontwikkelaars van windparken en in dit geval bedrijven die stroom afnemen, waarbij meerjarige afspraken gemaakt worden over vaste prijzen en af te nemen volumes van windenergie.
Het ligt eveneens voor de hand om in elk geval tijdelijk een verdere stimulans te bieden voor elektrificatie. Dat kan bijvoorbeeld met subsidies voor warmtepompen en elektrische auto’s, aangevuld met steun voor thuisbatterijen om bijvoorbeeld stroom van zonnepanelen efficiënter te benutten. Afhankelijk van de kostprijsontwikkeling kan worden gekeken hoelang subsidies noodzakelijk zijn.
Gedurfde keuzes voor moeilijke problemen
Uit het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee blijkt dat de onzekerheid over de uitbreiding van wind op zee met name voortkomt uit twee dingen: de elektriciteitsvraag van de energie-intensieve industrie en de haalbaarheid van de grootschalige productie van groene waterstof met windenergie. Dat roept de vraag op hoe je industrieën meekrijgt die voor hun productieprocessen zwaar afhankelijk zijn van fossiele energie. Dat lukt alleen als de overheid de regie pakt bij systeemverandering.
Een interessante aanzet hiervoor kwam afgelopen juni van het Sustainable Industrie Lab (SIL), een denktank die zich richt op een duurzame transformatie van de industrie. Zo kun je aan de aanbodzijde denken aan een openbaar nutsbedrijf voor groene elektriciteit en groene waterstof voor de fase waarin marktpartijen nog te veel risico’s zien. ‘De kapitaallasten zijn laag en centrale planning geeft de beste garantie op voortgang’, aldus de analyse van SIL voor de basisindustrie in de periode tussen 2025 en 2040.
Andere gedurfde ideeën van de denktank omvatten een voorstel om grote Nederlandse olieraffinaderijen samen te brengen in een consortium dat gezamenlijk werkt aan koolstofconversie (het benutten van CO2 om nieuwe producten te maken), een publieke entiteit die als inkoopplatform voor waterstof kan dienen en een landelijke coördinator die zich richt op groene stroom, groene waterstof en infrastructuur.
Dit alles schreeuwt om overheidsbeleid dat consistentie biedt voor de lange termijn, terwijl politieke partijen sterk de neiging hebben om niet veel verder te kijken dan tot de volgende verkiezingen. We moeten hopen dat er na de Kamerverkiezingen van 29 oktober politici zijn die uitstijgen boven de waan van de dag en daadwerkelijk aan de slag gaan met de grote uitdagingen waar Nederland voor staat.
Lees ook:
- Deze slimme financiële constructie kan voor een win-win zorgen voor windparken op zee én de Nederlandse industrie
- Opmerkelijk: 5 grafieken die laten zien hoe China iedereen voorbij snelt met zonne- en windenergie
- Windenergie laten groeien: hoe Frans Timmermans wil bereiken, wat het kabinet-Schoof naliet




