35 boeken heeft hij op zijn naam staan. Van De kunst van veranderen en Duurzaam organiseren tot Duurzaam Denken Doen. Heeft emeritus hoogleraar Jan Jonker al afkickverschijnselen, nu zijn laatste boek naar de drukker is? ‘Vraag me dat maar opnieuw na de kerstdagen’, zegt hij nuchter. ‘Tot die tijd heb ik nog zeven presentaties. Dan is het moeilijk afkicken.’
Zijn laatste boek, Transitie van betekenis, is ‘een synthese van in ruim drie decennia verzamelde gedachten en concepten’. Die worden rijkelijk geïllustreerd. Een salontafelboek, noemt Jonker het zelf. Als klap op de vuurpijl doet hij een voorstel voor een nieuwe maatschappelijk contract.
Change Inc. sprak Jonker over zijn carrière, zijn voorstellen en de toekomst.
Prof. dr. Jan Jonker was ruim dertig jaar werkzaam als universitair hoofddocent en hoogleraar duurzaam ondernemen aan de Radboud Universiteit Nijmegen. De afgelopen jaren focuste hij zich vooral op nieuwe businessmodellen voor duurzaamheid en circulariteit.
Jonker is (co-)auteur van 35 boeken. In 2018 werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassauvoor voor zijn bijdragen aan het populariseren van duurzaamheid en circulariteit. In 2020 sprak de hoogleraar de duurzame troonrede uit.
Transitie van betekenis is Jonkers laatste boek. Het wordt op 13 november gepresenteerd tijdens een speciaal congres aan de Hogeschool Rotterdam.
U specialiseerde zich vanaf de jaren ’90 in duurzaam ondernemen. Hoe keken bedrijven destijds naar duurzaamheid?
‘Duurzaamheid was een volstrekt nieuw fenomeen. Als je erover begon, trokken mensen bij bedrijven een zuur gezicht.
In drie decennia heb ik bedrijven er echt mee aan de slag zien gaan. Instituties werden opgericht, zoals de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling. Het werd zelfs ingebed in wetgeving. Het waren dertig heel veelbelovende jaren.’
Toch noemt u uw boek een ‘cry for change‘.
‘De afgelopen één, twee jaar is het tij gekeerd. We doen ineens alsof duurzaamheid er niet meer toe doet. Dat is natuurlijk onzin. Als we straks woonwijken bouwen die we niet kunnen aansluiten op het water, hebben we een vet probleem. Als we geen elektrische auto’s kunnen bouwen omdat we grondstoffen niet hebben ook. Zo kan ik nog een hele poos doorgaan.
Duurzaamheid is dus wel degelijk belangrijk. Maar een heleboel mensen doen nu ongefundeerde, onfeitelijke uitspraken zonder ervoor afgestraft te worden. Als wetenschapper erger ik me daar mateloos aan. Maar als al dat non-beleid tot schaarste leidt – als er geen water meer uit de kraan komt of geen stroom uit het stopcontact – zullen we vanzelf de noodzaak weer inzien. We moeten blijkbaar eerst het dieptepunt bereiken om weer verder te komen.’
Is die schaarste er nu nog onvoldoende?
‘Ik denk dat we het dieptepunt nog niet hebben bereikt. We zitten nog veel te veel vast in het consumentisme. O, het is voorjaarsvakantie? Dan gaan we toch lekker naar Ibiza. Hoe naar, verdrietig, vervelend ik het ook vind; zo lang er geen fundamentele problemen zijn, denk ik dat het eerst nog erger moet worden voor het de andere kant op gaat.’
Met ‘de andere kant op’ bedoelt u een shift naar collectieve businessmodellen. Wat zijn dat?
‘Kort gezegd: een model voor een gezamenlijke creatie en verdeling van waarde. Dat is de motor achter transities.
Neem lokaal stroom opwekken. Veel van onze stroom komt uit een andere provincie of zelfs ander land. Door dat transport gaat er energie verloren. Als je dat lokaal opwekt, gebruikt, verdeelt, bestuurt en afrekent krijg je een relatief voordelig collectief businessmodel.
Ik kan het niet korter zeggen dan dit. Maar ik hoor de TenneTs van deze wereld nu al klagen, omdat het aan hun verdienmodel toornt.’

De opbouw van een collectief businessmodel. | Credits: Transitie van betekenis, Jan Jonker
Bij een businessmodel denk ik toch vooral aan geld verdienen.
‘We hebben een vorm van denken over businessmodellen ontwikkeld die heel erg financieel getint is. Alleen financiële waarde telt nog. Waarom moeten we alles monetariseren?
Het is tijd voor een herziening van het begrip waardecreatie. Waarde kan ook zitten in CO2-opslag van een gebouw. Of de restwaarde die overblijft als je ergens zuinig op bent. Of verhuurwaarde. Dat zijn allemaal businessmodellen, die ook weer gecombineerd kunnen worden.’
Merkt u dat die manier van denken aanslaat?
‘Ik heb net de telefoon neergelegd voor een workshop over verdienmodellen in Praag. En binnenkort ga ik naar Gent.’
U spreekt dan bij één bedrijf, of voor één zaal. Terwijl u juist stelt dat we voor echte transitie verder moeten kijken dan personen of organisaties.
‘Dat is een heel cruciaal punt. In Nederland hebben we het vaak over de “onderstroom”. De onderstroom-adepten gaan uit van de optel-hypothese. Eén plus één is drie, of misschien wel vier. Nog erger: bij genoeg initiatieven komt er een kantelpunt.
Dat zeg ik bewust een beetje cynisch, want het is niet alsof ik kleine initiatieven niet goed vind. Een burgerinitiatief in Appingedam-Zuid of Zwijndrecht-Oost is zeker van waarde. Alleen die optel-hypothese klopt niet. Honderden of duizenden initiatieven maken nog niet dat de maatschappij kantelt. Dat laat deze tijd goed zien.
Een provincie of gemeente die investeert in een aantal pilots en denkt dat de verduurzaming daarna vanzelf zal gaan, zal dus volstrekt teleurgesteld worden. Uit de evaluatie blijkt dan dat het een succesvolle pilot was, maar vervolgens gaan de schoppen de schuur in en gebeurt er niks meer.’
Hoe krijgen we duurzaamheid wel van de grond?
‘Daarvoor is samenwerking nodig. Ik pleit voor een constructie waarin overheid, bedrijven en burgers samenwerken aan cruciale voorzieningen. Niet in een burgerberaad, maar in een BBO-beraad: bedrijven, burgers en overheid.’
Wie moet dat organiseren?
‘Ik ben een fan van coöperaties. Dat is een handig, uitgetest model. Waarom dan iets nieuws verzinnen?
Denk bijvoorbeeld aan een coöperatie per wijk. De nieuwbouwopgave biedt daar fantastische mogelijkheden voor. Nu bouwt de bouwer braaf een huis, komt Waternet braaf leidinkjes aanleggen, tekent de burger braaf een contract voor een koophuis, en blijft alles hetzelfde. Terwijl er bij wonen heel veel komt kijken. Wonen is ook energie, mobiliteit, voedsel, zorg, water.
Stel dat je niet alleen een contract tekent voor je huis, maar ook voor feit dat je dat gezamenlijk bestuurt. Zodat niet iedereen individueel zonnepanelen aanschaft, maar dat met de hele wijk wordt geregeld. Als dan in het ene huis een jong gezin met een elektrische auto woont en in het andere een oud stel, is de kans groot dat het oudere echtpaar meer verdient aan de zonnepanelen. Dat kun je verrekenen in geld, in stroom of de oudere mensen kunnen bijvoorbeeld mobiliteitspunten krijgen.
Als het kabinet wil dat we onze stroom slimmer gaan gebruiken, dan zie ik daar een businessmodel in. Datzelfde geldt bijvoorbeeld voor lokale waterzuivering. Het is niet zo ingewikkeld.’
Het ingewikkelde lijkt me vooral in de uitvoering te zitten.
‘Natuurlijk is het niet gemakkelijk. Maar als mensen de schaarste straks meer gaan voelen, voelen ze ook meer verantwoordelijkheid.
En ja, collectieve businessmodellen gaan deels ten koste van conventionele sectoren. De vraag is of dat erg is. Als je nieuwe dingen bedenkt, komen daar ook nieuwe banen uit. Zoals een wijk-energiemanager.’

De transitiecurve, gebaseerd op de Gartner Hype Cycle. | Credits: Transitie van betekenis, Jan Jonker
Raakt dat ook aan uw idee van een nieuw maatschappelijk contract?
‘We hebben onze maatschappij bewust en onbewust ingericht op basis van Rousseaus sociale contract uit 1762. Dat gaat over hoe landen worden bestuurd. Economie en ecologie waren er toen simpelweg nog niet. En dus is het contract aan vernieuwing toe.
Ik doe een voorzet voor een maatschappelijk contract op basis van een solidariteitspact, een veiligheidspact en een democratisch, economisch en ecologisch pact. Dat zie ik als een grondslag voor collectieve businessmodellen.
Mijn ideeën staan haaks op het huidige individualisme en consumentisme. Maar wat je ook doet, er zal altijd weerstand zijn. De truc is om een redelijk voorstel te doen waarover genoeg mensen zeggen: het is moeilijk, maar we doen wel mee.’
Hoe doen we dat? De grote kritiek op linkse partijen is dat ze duurzaamheid niet aantrekkelijk weten te maken.
‘Mijn strategie is om het zo klein mogelijk te maken. Om een transitie te verpakken alsof het niets voorstelt. Mensen moeten er vooral een beeld bij kunnen krijgen dat voor hen logisch is en op hun leefwereld aansluit. Neem die wijken. Mensen moeten gewoon denken: ja, logisch om ook te tekenen voor een bewonersvereniging als ik bij de notaris zit.
Natuurlijk is er systeemverandering nodig om naar te komen. Maar als ik dat zeg, blokkeer ik alles meteen.’
Transities kosten tijd, schrijft u. Kan het ook sneller?
‘Als het aan mij ligt wel, maar het ligt niet aan mij. Het zou helpen als we een regering zouden hebben die beleid maakt dat bijvoorbeeld een jaar of zeven vaststaat.’
Is het dan nog niet te laat?
‘Wie over “te laat” praat, vervalt al snel in doemdenken. Zo zit ik niet in elkaar.’
Lees ook:
- Van schillenboer tot grondstofproducent: ‘Uiteindelijk hebben circulaire verdienmodellen de toekomst’
- Met ‘recyclewinkels’ maakt startup Droppie van afval haar businesscase
- Changemaker Siward Zomer (Energie Samen): ‘Als burgers hun energievoorziening lokaal regelen, krijg je de eerlijkste verdeling’




