Rianne Lachmeijer 21 maart 2023, 15:00

‘We hebben de morele plicht om te innoveren’

Nagenoeg geen enkel bedrijf is al 100 procent duurzaam, maar steeds meer bedrijven gaan wel met verduurzaming aan de slag. “Het is niet alleen leuk om te innoveren maar we hebben ook de morele plicht om te innoveren”, vindt Julia van Boven van Impact Nation. Zij begeleidt bedrijven die hun grootste duurzaamheidsuitdaging(en) aangaan.

Jeljer Haarsma opent de bijeenkomst van Impact Nation credits Marlise Steeman Jeljer Haarsma, Co-lead Impact Nation, opent de bijeenkomst in Circl. | Credits: Marjolein Elise Steeman voor Impact Nation

“Jullie kennen allemaal een moreel dilemma”, zegt Julia van Boven tegen een volle zaal in Circl. ““Agent ought to do A. Agent ought to do B, but you cannot do both.”

Haar toehoorders zijn medewerkers van ambitieuze bedrijven die vanuit heel Nederland naar het ‘circulaire paviljoen’ van ABN Amro afreisden voor de afsluiting van hun honderd-dagen-durende verduurzamingstraject. Vandaag presenteren zij hun ervaringen bij het aangaan van hun duurzame dilemma. Daarnaast zitten er ook bedrijven in de zaal die nog niet eerder meededen. Om hen te motiveren, deelt Van Boven een dilemma van ABN Amro zelf.

Een deel van de bedrijven in de zaal ging die innovatie-uitdaging met hulp van ABN Amro, TNW en Impact Hub aan: ‘thuisklimaatdistributeur’ PVG, verpakkingsfabrikant Sollas Holland, meubelstoffenleverancier Textaafoam, kunststofproducent Sunware en Avia Marees met een netwerk van circa zestig tankstations.

‘Een soort omdenken’

Deze deelnemers werden gekoppeld aan een bedrijf dat hen kon helpen bij hun duurzaamheidsuitdaging. “Het is een soort omdenken wat zo tot stand komt”, zegt Dick-Jan Marees van Avia Marees.

“Iedereen denkt altijd maar dat hij alles alleen kan bedenken, maar het is juist interessant om in zo’n setting te zitten waarbij andere mensen met jou meedenken”, zegt hij. Door mee te doen aan Impact Nation werd hij op een positieve manier gedwongen zich even minder bezig te houden met de dagelijkse werkzaamheden. “Dan komen er hele verassende dingen naar boven.”

Door het programma kwam Marees in aanraking met Green Fuels. Dit bedrijf maakt een schaalbare machine die van allerlei materialen lokaal biobrandstof kan maken. Precies wat Marees wil.

Rijden op gebruikt frituurvet

Nu levert Avia Marees ook al brandstoffen met een percentage hernieuwbare brandstoffen aan klanten die dat wensen. Het bedrijf laadt de brandstoffen op diverse laadlocaties in tankwagens en brengt die vervolgens naar de stations of de eindklant, zoals een loonwerker of een transportbedrijf. “Wij weten eigenlijk niet wat voor hernieuwbare brandstoffen we laden en ook niet waar de hernieuwbare componenten vandaan komen. Tevens is het maar de vraag of en hoeveel hernieuwbare brandstoffen er in de brandstoffen zitten die wij laden”, zegt Marees.

Wat Marees vooral verraste is dat de oplossing van Green Fuels niet duur is vanwege de kleine schaal waarop Avia Marees wil beginnen, maar vanwege de prijs van het product dat er in de machine gaat. “Als we het zelf gaan collecteren dan denk ik dat wij een betere prijs kunnen realiseren met het uiteindelijk product om deze installatie neer te zetten.”

Behoefte aan (bio-)brandstof blijft nog even

In zijn presentatie toont Marees een grafiek die de stijging van het aantal personenauto’s laat zien en een met het aandeel vol-elektrische wagens. Zijn boodschap: brandstof blijft nog lange tijd nodig. Daarom is het belangrijk om daarop te innoveren.

Voor de toekomst heeft Marees hoge verwachtingen van brandstoffen die gemaakt worden van waterstof en uit-de-lucht-gehaalde CO2. Hiermee is het wagenpark volgens hem sneller te verduurzamen dan door de inzet op elektrificatie. Zo betekent de toevoeging van een elektrische auto niet dat er gelijktijdig een brandstofauto naar de sloop gaat. Brandstofauto’s rijden nog heel lang rond, stelt hij.

“Ik wil hier overigens niet mee zeggen dat we geen elektrische auto’s moeten kopen maar wel dat we het huidige wagenpark met verbrandingsmotoren moeten gebruiken om sneller te vergroenen.”

Zoektocht naar een duurzaam alternatief

Bij een andere deelnemer aan het programma is die innovatieboodschap voor brandstoffen ook aangekomen: PVG. Het bedrijf ontwikkelt warmtepompen en airco’s, maar ook brandstofkachels. In totaal zijn er 25 miljoen van deze kachels in Europa te vinden bij klanten die behoefte hebben aan een lokale, off-grid warmte-oplossing. Want niet iedereen is aangesloten op centrale verwarming.

PVG is ook degene die de brandstof levert: 100 miljoen liter per jaar. “Dat staat gelijk aan veertig Olympische zwembaden gevuld met brandstof”, zegt Niels Mol. Hij is de jongste medewerker van de holding en leidt de zoektocht naar een duurzaam alternatief. Het bedrijf is nu volop aan het testen met synthetische brandstoffen geproduceerd uit afval, vertelt Mol. “Als die testfase lukt dan kunnen wij het voor elkaar krijgen om per liter brandstof een 90 tot 95 procent CO2-reductie te verzorgen.”

Een blijvende gedragsverandering

Terwijl PVG al druk aan het testen is, zoekt Sunware nog een testlocatie. Het bedrijf produceert kunststof opbergboxen in allerlei kleuren en maten. De boxen zijn nu al vaak grotendeels van gerecycled materiaal én recyclebaar, maar het bedrijf wil de consument ook motiveren om met recycling aan de slag te gaan.

“Als we wel zijn gestart zouden we willen opschalen naar zo’n 100 tot 150 winkels met een inleverzuil.” In de presentatie staat daar als datum het derde kwartaal van 2023 aan gekoppeld: binnen een half jaar dus.

Het beste jongetje van de klas

Van alle deelnemers is Dirk Verbeek van Sollas Holland zonder twijfel het beste jongetje van de klas. Hij heeft het nieuwe product namelijk al meegenomen: een biobased coating voor papier. “Het is net gelukt binnen de honderd-dagen-challenge”, zegt hij trots.

De coating is voor 94 procent biobased, biologisch afbreekbaar als het in water of op de grond terechtkomt en mag bij het papierafval. Daarnaast is het ‘sealbaar’ bij 140 graden Celsius: dezelfde temperatuur als plastic. Dat is handig, want de machines van Sollas Holland werken nu ook op die temperatuur.

In eerste instantie is het opvallend dat juist Sollas Holland op zoek gaat naar een duurzame coating voor papier. Het bedrijf is namelijk geen papierleverancier, maar een verpakkingsmachinebedrijf. Toch heeft het bedrijf er goede redenen voor: consumenten willen geen plastic meer.

Daarom merkt Verbeek dat steeds meer van zijn klanten aan de slag willen met papier. Als zij de overstap maken, dan is het fijn als zij voor verpakkingspapier kiezen met een coating die de machines van Sollas Holland aankunnen. Als de klanten van Sollas Holland overstappen op papier kan de impact groot zijn, rekende Verbeek uit: “Stel; wij kunnen 20 procent van onze klanten overzetten naar papier, dan praten we over 180.000 kilometer folie per jaar. Oftewel 4,5 keer de wereld rond.”

De klant als (stugge) koning

Het deelnemerskoppel Sollas Holland en One.Five is het enige duo dat al te maken heeft met klanten die bereid zijn meer te betalen voor een duurzaam alternatief, omdat hun eindklanten steeds vaker moeite hebben met plastic verpakkingen.

De ervaring van Marees is compleet anders. Hij vertelt dat hij 100 procent biologische brandstof kan maken, maar: “Dat wordt niet gekocht door de klant.” Tot ongeveer 30 procent biobrandstof kan hij bijmengen. Daarna wordt het te duur.

Ook meubelstoffenleverancier Textaafoam heeft te maken met prijsbewuste klanten, vertelt Bart Smarius. Dat houdt de groothandel echter niet tegen om op zoek te gaan naar een duurzaam alternatief voor polyester-garen. (“Polyester is voor ons gewoon veruit het meest geschikte materiaal om meubelstoffen van te maken.”)

Het voortouw nemen

“Ik denk dat het vooral aan de overheid en aan bedrijven zoals ons – en jullie die hier zitten – is om het voortouw te nemen”, vindt Smarius. Hij wijst de zaal nog even op de impact van de textielsector: zowel op land- en watergebruik als vervuiling en arbeidsomstandigheden scoort deze slecht. Het is volgens de Europese Commissie de op drie na meest vervuilende sector, vertelt Smarius.

De uitdaging van innoveren

De meubelstoffabrikant werkte een aantal jaar met een bedrijf dat gerecycled polyester maakte van petflessen. “Dat was echt een voorloper in de industrie met een intrinsieke motivatie. En nu is het vier jaar later en wordt er op politiek niveau bepaald dat het onwenselijk is om op die manier te recyclen.”

Dat soort veranderingen ziet Smarius als een grote uitdaging. “Dat je als voorloper in de industrie je nek uitsteekt en een springplank probeert te zijn voor bepaalde innovaties terwijl de wet- en regelgeving eigenlijk achterblijft.”

Nu gaat Textaafoam samenwerken met OceanSafe die het materiaal naNea ontwikkelde. De grondstof daarvan is nog steeds fossiel. Dat vindt Smarius spannend aangezien het onduidelijk is hoe wet- en regelgeving zich ontwikkelt. Maar het garen is wél biologisch afbreekbaar, recyclebaar en heeft dezelfde kwaliteiten als polyester, benadrukt Smarius. Daarnaast draagt het een Cradle to Cradle Gold duurzaamheidskeurmerk.

Smarius benadrukt dat hij niet denkt dat dit de enige oplossing is voor de textielsector. Hij stoort zich er ook aan als bedrijven andere oplossingen de grond in boren om er zelf beter van te worden. Zoals kritiek op biologisch katoen vanuit de recyclehoek. “Er zijn gewoon zoveel oplossingen. Ik vind dat we daar wel open voor moeten blijven staan, omdat we al die oplossingen samen nodig hebben om het duurzamer te maken. Er zal niet een gouden ei komen.”

Tips van de ervaringsdeskundigen

De kersverse Impact Nation-alumni hebben ook tips voor andere bedrijven die aan de slag willen met hun duurzame dilemma. Voor Van Erve en Mol zit het vooral intern. Zoals het inrichten van een groen kernteam met mensen vanuit de hele organisatie die duurzaamheid overal uitdragen: van meetings over productintroducties tot sollicitatiegesprekken met nieuwe medewerkers. “Als je er met een kernteam in gelooft, dan kun je het ook overbrengen op andere mensen”, zegt Van Erve.

Marees en Verbeek raden juist aan om de blik naar buiten te richten. Verbeek: “Wij zeggen binnen onze organisatie weleens dat je soms creatieve ideeën krijgt als je niet gehinderd wordt door enige technische kennis. Af en toe kan je bij wijze van spreken een kind om een oplossing vragen, omdat die niet gehinderd is door enige vorm van kennis. Dat moet je haast zelf ook gaan doen.”

Smarius benadrukt dat het voor nieuwe bedrijven niet zo moeilijk is om duurzaam te zijn. Juist voor bestaande bedrijven is het lastig om de transitie te maken. Hen raadt hij aan om vooral gewoon te beginnen.

“Als je duurzaam wil zijn heb je soms de neiging om te zeggen dat het nieuwe plan in een keer goed moet zijn: perfect. Daar geloof ik niet zo in. Ik denk dat je gewoon een stap vooruit moet zetten. Dan kom je vanzelf nieuwe partners en nieuwe ideeën tegen en vind je je eigen pad in het verduurzamen van je bedrijf. Dus je moet het gewoon doen: gewoon starten. Hoe klein ook.”

Lees ook:

“Je moet het gewoon doen: gewoon starten.” | Credit: Marlise Steeman

Duurzame tech van eigen bodem: Europese Commissie zet er vol op in

De ambities die gepaard gaan met de Net-Zero Industry Act liegen er niet om. In 2030 wil de Europese Unie in ten minste 40 procent van zijn eigen vraag naar duurzame technologieën kunnen voorzien. Ursula von der Leyen, president van de Europese Commissie, in een persbericht: “De Europese vraag naar clean tech groeit razendsnel. We ondernemen nu actie om met Europees aanbod aan die vraag te kunnen voldoen.” Momenteel is het tegenovergestelde waar: Europa is juist bijzonder afhankelijk van import. Zo wordt meer dan 90 procent van alle zonne-energietechnologie in Europa geïmporteerd uit China. En meer dan een kwart van de elektrische auto’s die in Europa rondrijden zijn óók van Chinese makelij. 600 miljard euro per jaar De Net-Zero Industry Act moet daar verandering in brengen. Het beleidspakket moet ertoe leiden dat een schare aan duurzame oplossingen steeds vaker en grootschaliger op Europese bodem geproduceerd worden. Op die manier wordt de Europese Unie minder afhankelijk van derden bij het behalen van de klimaatdoelen. Daarnaast biedt het economische voordelen: naar verwachting heeft de clean tech-industrie in 2030 een omzet van ruim 600 miljard euro per jaar. Maar er is nog een reden waarom de Net-Zero Industry Act belangrijk is, stelt Tjeerd Jongsma, directeur van het Institute for Sustainable Process Technology (ISPT). “Om de klimaatdoelen te behalen, moeten we veel first-of-a-kind installaties bouwen, op het gebied van waterstof, circulaire plastics, noem maar op. Die innovaties moeten getest worden, er moeten pilots gedraaid worden… Het klimaat om dat te doen, is momenteel veel gunstiger in landen als de Verenigde Staten”, aldus Jongsma. “Met andere woorden: Europa en zeker ook Nederland lopen het gevaar dat de eerste investeringen in nieuwe technologieën in het buitenland gedaan worden en dat innovatie hier verdwijnt. Dat zet je direct op een achterstand.” “Het lijkt misschien klein, maar als de eerste ontwikkelingen van nieuwe technologieën elders plaatsvinden, is de kans groot dat de vervolgstappen daar óók gezet worden”, vervolgt hij. “Dat is zorgelijk. Het is juist belangrijk om innovatie op eigen bodem te laten plaatsvinden.” Net-Zero Academies Verschillende beleidsmaatregelen moeten ervoor zorgen dat Europa een bakermat voor innovatie wordt. Zo wil de Europese Commissie een beter vestigingsklimaat scheppen door de administratieve lasten voor duurzame bedrijven te verlichten en vergunningstrajecten te verkorten. Daarnaast moeten landelijke overheden vaker duurzaamheidscriteria opnemen in hun aanbestedingen. Op die manier hebben clean tech-bedrijven meer kans om overheidsopdrachten in de wacht te slepen en wordt het dus interessanter om in Europa actief te zijn. Ook moet er meer geïnvesteerd worden in de arbeidsmarkt. De Europese Commissie wil zelfs zogeheten Net-Zero Industry Academies in het leven roepen, die arbeidskrachten zullen klaarstomen voor een duurzame toekomst.Europese Waterstofbank Een ander belangrijk onderdeel van de Net-Zero Industry Act is de oprichting van de zogeheten European Hydrogen Bank. De bank (die aan het einde van dit jaar zijn deuren opent) moet de kostenkloof tussen hernieuwbare waterstof en fossiele brandstoffen verkleinen of zelfs dichten. Zo kunnen groene waterstofprojecten sneller en gemakkelijker van de grond komen en raakt Europese waterstofeconomie in een stroomversnelling. Dat is belangrijk, want de groene waterstofambities van de EU zijn groot. In 2030 wil het in staat zijn om 10 miljoen ton groene waterstof zelf te kunnen produceren en 10 miljoen ton te kunnen importeren. CO2-reductie van 55 procent De Europese Unie wil in 2050 ’s werelds eerste klimaatneutrale continent zijn. In 2030 moet er al een CO2-reductie van 55 procent (ten opzichte van 1990) bereikt zijn. De Net-Zero Industry Act kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren, maar zover is het nog niet. Voordat de beleidsmaatregelen werking treden, moet het Europees Parlement er eerst nog mee akkoord gaan. Jongsma is in ieder geval blij met het voorstel: “Elke stap die bedrijven duidelijkheid en zekerheid biedt om in Europa te investeren, is meer dan welkom. Onzekerheid is namelijk een belangrijke rem op de energietransitie. Je wilt juist zekerheid hebben in het systeem, dan kan het hard gaan.”Lees ook: EU wil met nieuwe wet meer grondstoffen mijnen uit eigen bodem‘Europa zal nooit genoeg groene waterstof produceren voor zijn eigen behoeftes’