Jeroen de Boer
03 september 2025, 14:08

Waarom de toekomst van Tata Steel grote invloed heeft op de energietransitie: Nederland moet kiezen

De toekomst van Tata Steel in IJmuiden is onderwerp van stevige discussie: blijven we in IJmuiden staal maken, maar dan groener? Of kan Tata beter deels of geheel de deuren sluiten? Die keuze heeft grote gevolgen voor de energietransitie in Nederland. Een analyse.

Tata toekomst staal energietransitie Tata Steel in IJmuiden. | Credits: Getty Images

Tata Steel Nederland is met een jaarlijkse emissie van broeikasgassen van ruim 11 miljoen ton CO2-equivalent goed voor ongeveer 10 procent van de totale uitstoot van Nederland. Wat er gebeurt op het 730 hectare omvattende terrein bij IJmuiden met de staalproductie of eventuele alternatieve bestemmingen is van groot belang voor de Nederlandse klimaatdoelen en de energietransitie.

Afgelopen week presenteerden milieu-organisaties Urgenda en Gezondheid op 1 een rapport met drie alternatieve scenario’s voor Tata Steel, in aanvulling op het huidige Groen Staal-plan. Die scenario’s sluiten deels aan bij bijvoorbeeld de toekomstvisie van ondernemer Han de Groot om het terrein van Tata Steel te gebruiken voor een groot AI-datacenter dat op groene stroom van windparken op zee kan draaien.

Bij dit alles is duidelijk dat keuzes voor de toekomst van de staalproductie bij IJmuiden niet los gezien kunnen worden van de energietransitie, waarbij onder meer de uitbreiding van windparken op zee en de ontwikkeling van de productie van groene waterstof van strategisch belang zijn voor Nederland.

Hoeveel Tata blijft er over in IJmuiden?

De drie scenario’s beschreven in het rapport Wijmond worden afgezet tegen het Groen Staal-plan van Tata.

Het staalbedrijf wil de productie vergroenen door geen cokes meer te gebruiken voor het proces waarbij de zuurstof uit ijzererts wordt verwijderd. Bij verhitting met kolen bindt de vrijgekomen zuurstof zich aan koolstof, waardoor er veel CO2 in de atmosfeer komt.

Tata wil voor het proces van de zuurstofverwijdering in eerste instantie met aardgas en later met groene waterstof gaan werken. Dit scheelt fors bij de CO2-uitstoot van de staalproductie. Daarnaast wil Tata een zogenoemde vlamboogoven inzetten die op elektriciteit werkt, bij de verdere verwerking van ijzererts en aangeleverd schroot.

In één van de drie alternatieve scenario’s in het rapport wordt de omvang van de staalproductie nog verder teruggebracht, waarbij Tata alleen nog met behulp van een vlamboogoven schroot verwerkt tot staalproducten. Het meer milieubelastende eerste deel van het proces valt dan weg, terwijl fabrieken voor onder meer de direct sheet plant, koudbandwalserij, warmbandwalserij, coated products, packaging en de oxystaalfabriek worden opgeknapt en deels in bedrijf blijven. Per saldo komt er dan 150 hectare vrij voor een zogenoemd maritiem cluster, waar scheepsbouwers als Damen en Feadship zich kunnen vestigen.

Dan zijn er nog twee andere alternatieve scenario’s waarbij de staalproductie helemaal verdwijnt. In het eerste geval komt er dan een nieuwe woonwijk met daarnaast ruimte voor bedrijvigheid bij de haven. Een gebied van 530 hectare wordt voor ene de helft bebouwd met huur- en koophuizen en voor de andere helft met publieke voorzieningen zoals scholen, winkels en horeca.

Een andere optie is een combinatie van grootschalige natuurontwikkeling en een innovatiezone. Voor het natuurgebied wordt 400 hectare gereserveerd en 350 hectare is beschikbaar voor startups, een innovatiecluster, een nieuwe campus voor chipmachinebouwer ASML en een park vol met datacenters. Dat laatste zou goed passen bij het plan van ondernemer Han de Groot om een groot AI-datacenter neer te zetten in de buurt van het internetknooppunt bij Amsterdam.

Op energiegebied zou er bij het laatstgenoemde scenario ruimte zijn voor de bouw elektrolysers, die waterstof produceren met groene stroom van windparken op zee. Daarnaast zou een grootschalige locatie voor batterijopslag neergezet kunnen worden om schommelingen in het aanbod van hernieuwbare energie op te vangen.

Transformatie Tata Steel:  kosten belastingbetaler

Zet je de vier opties voor de toekomst van Tata Steel tegen elkaar af, dan kun je onder meer kijken naar het financiële plaatje voor de overheid, het effect op de werkgelegenheid en gevolgen voor de energietransitie.

Wat betreft de kosten en baten voor de overheid – het Rijk, lokale overheden en Staatsbosbeheer – toont het rapport Wijmond grote verschillen tussen het saldo van de eenmalige lasten en opbrengsten, en de verwachte jaarlijkse netto belastinginkomsten in de analyse. Dat is te zien in de tabellen hieronder.

Bij de eenmalige kosten en opbrengsten is de overheid in drie gevallen per saldo ruim 4 miljard euro kwijt: voor het Groen Staal-plan van Tata zelf, het afgeslankte staalplan en de natuur- en innovatiehub. Alleen in het geval van transformatie tot een woonstad zijn de eenmalige baten net iets hoger dan de kosten (een positief saldo van 40 miljoen euro), omdat er direct al verdiend kan worden door de overheid aan het realiseren van woningbouw.

Kijk je naar de verwachte jaarlijkse inkomsten en uitgaven, dan ziet het plaatje er anders uit. Het Groen Staal-plan van Tata levert dan per saldo het minste op met een jaarlijkse plus van 460 miljoen euro voor de overheid.

Het meest interessante scenario is dan de combinatie van natuur en een innovatieve tech- en energiehub. Het netto voordeel voor de overheid wordt daarbij op 1,7 miljard euro per jaar geraamd. Dit zit ‘m vooral in een forse verwachte daling van zorgkosten door een gezondere leefomgeving (600 miljoen euro per jaar) en overige maatschappelijke baten van 700 miljoen euro. Door een lagere uitstoot van schadelijke stoffen verbetert bijvoorbeeld de landbouwopbrengst en dalen de kosten voor waterzuivering.

Het personeelsbestand van Tata Steel daalt op basis van recente reorganisatieplannen naar verwachting tot minder dan 10.000 werknemers. In het rapport Wijmond wordt gesteld dat alternatieve scenario’s waarin de staalproductie plaatsmaakt voor andere economische activiteiten, kansen bieden om relatief veel banen te creëren. De tabel hieronder geeft een inschatting per scenario op basis van voltijdsbanen.

Rol van wind op zee en waterstof

Kijk je naar de bredere impact van de scenario’s voor de toekomst van Tata Steel op de energietransitie, dan is vooral van belang wat er gebeurt met de stroomvraag, de impact die dat heeft op de uitbreiding van windparken op zee en de rol van groene waterstof.

Bij het Groen Staal-plan van Tata gaat de afbouw van het gebruik van kolen gepaard met in eerste instantie een hogere behoefte aan aardgas. Vervolgens moet er een overgang naar de inzet van groene waterstof plaatsvinden, die met windenergie kan worden geproduceerd. Daarbij is er wel een grote kans dat er ook aanzienlijke hoeveelheden aardgas en waterstof uit het buitenland moet worden geïmporteerd, gelet op de enorme volumes die nodig zijn voor de staalproductie.

In de tabel hieronder is te zien dat het stroomverbruik van Tata Steel Nederland dan zou stijgen van de huidige 0,4 terawattuur per jaar naar 5,8 terawattuur per jaar; het waterstofverbruik zou in eerste instantie naar 100.000 ton per jaar gaan en vervolgens naar 370.000 ton.

Bron: Wiijmond.nl

Voor de drie alternatieve invullingen geeft het rapport Wijmond geen precieze berekening voor de stroomvraag en de rol van waterstof per scenario, maar dat laat zich wel enigszins uittekenen. Bij een afgeslankte staalproductie die vooral gericht is op het smelten en verder bewerken van schroot, valt de behoefte weg om aardgas of waterstof grootschalig in te zetten voor het bewerken van ijzererts.  Er is nog wel veel elektriciteit nodig voor de vlamboogoven om schroot te smelten.

Bij de inrichting van een tech- en energiehub met bijvoorbeeld grote datacenters zal er ook een forse vraag zijn naar stroom. Aan de andere kant verandert de rol van groene waterstof. De haalbaarheid van het plan om met elektrolysers groene waterstof te produceren, hangt namelijk mede af van het kostenplaatje en de beschikbaarheid van alternatieve afnemers, als er geen waterstof meer nodig is voor staalproductie.

De transformatie van het terrein van Tata Steel Nederland tot woongebied, betekent eveneens dat er geen duidelijke rol meer is voor waterstof. Het beroep op windenergie uit de Noordzee zal dan waarschijnlijk ook beperkt blijven. Woningen kunnen immers door een combinatie van warmtepompen op basis van aardwarmte, plus de inzet van zonnepanelen in een groot deel van hun energiebehoefte voorzien.

Transformatie van Tata Steel koppelen aan de energietransitie

Een belangrijke strategische vraag is dus hoe je de transformatie van Tata Steel inpast bij de bredere vormgeving van de energietransitie met bijvoorbeeld het uitbreiden van de capaciteit van windparken op zee en het opschalen van de productie van groene waterstof.

Afgelopen juli stelde demissionair minister Sophie Hermans van Klimaat en Groene Groei voor om de ambities voor het uitbreiden van de capaciteit van wind op zee in 2040 terug te schalen naar 30 gigawatt, in plaats van de 50 gigawatt die eerder werd beoogd. Dit heeft mede te maken met onzekerheid over de ontwikkeling van de vraag naar groene stroom vanuit de industrie. De plannen voor de toekomst van het terrein van Tata Steel zijn daarbij een belangrijk puzzelstuk.

Voor de continuïteit van Nederlandse ambities om een grote Europese speler met offshore-windenergie te worden kan het inzetten op bijvoorbeeld datacenters op het terrein van Tata een interessant optie zijn. Dat geldt helemaal omdat grote techbedrijven inmiddels kansen zien om het variabele aanbod van windenergie zo te reguleren, dat je windparken op een stabiele manier direct stroom kunt laten leveren voor datacenters.

Het uitbreiden van de productie van groene waterstof blijft hoe dan ook een grote uitdaging. Uit vergelijkingen van de kosten van groene waterstof op basis van elektrolyse blijkt bijvoorbeeld dat dit vooralsnog relatief duur is. Waterstof onderdeel maken van een innovatiehub die zich richt op technologie om groene waterstof economisch concurrerend te maken, is dan wellicht een goed startpunt.

Lees ook:

Zo ging het duurzame modemerk van Xander Slager failliet: ‘Mooie ideeën verkopen zichzelf niet’

#1 De mode-industrie veranderen? Dat is bijna onmogelijk Voor Xander Slager in 2020 New Optimist oprichtte, had hij een jassenmerk: Spoom. Voor zijn bedrijf woonde en werkte hij in China, waar de jassen werden gemaakt. Honderdduizenden per jaar verkocht hij er. Maar de manier waarop die collecties tot stand kwamen, begon hem tegen te staan.Het eeuwige gevecht met leveranciers en klanten om flinterdunne marges, die je in feite moet verdienen door anderen uit te knijpen. De alsmaar groeiende volumes die nodig zijn om op prijs te kunnen concurreren. En toen moesten Shein en Temu, die de boel nóg verder op de spits dreven, nog komen.Ondertussen voerde Slager in China ook een persoonlijk gevecht: hij worstelde met een alcohol- en drugsverslaving. Om daar bovenop te komen, moest de ondernemer flink met zichzelf aan de slag. Eenmaal nuchter, zag hij ook zijn bedrijf in een ander licht. In eerste instantie voelde hij er weinig voor om terug te keren naar de ‘opgefokte’ mode-industrie.Tot hij met New Optimist een nieuw doel vond: de industrie laten zien dat het ook anders kan. ‘Waar veel modemerken de productie uitbesteden, deden wij zoveel mogelijk zelf’, vertelt hij. De kledingstukken worden in elkaar gezet in het atelier in Amsterdam, deels door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, en zijn voor 100 procent van organische en/of gerecyclede materialen. Zoals katoen, linnen, hennep en wol.Gaandeweg leerde Slager dat New Optimist zich niet zo makkelijk aan het systeem kon onttrekken als hij had gedacht, of gehoopt. ‘Als duurzame speler opereren we nog steeds in een hypercompetitieve vechtmarkt. Je bent altijd aan het strijden om de aandacht van de consument. Zeker nu de verkoop grotendeels naar onze beeldschermen verschoven is.’Volgens Slager zat dat te weinig verankerd in de bedrijfscultuur. Spelers die wél volle bak focussen op het spel van promotie, prijs en marge – zo’n beetje iedereen dus – hadden een cruciale voorsprong. ‘We hebben partijen als Shein en Temu nooit als directe concurrenten gezien. Maar elke euro die bij die bedrijven wordt besteed, wordt uit de markt gezogen. Daar hebben alle duurzame modebedrijven last van.’Dat duurzaamheid consumenten niet interesseert, is volgens hem te kort door de bocht. ‘Maar de modeverkoop is een diep psychologisch proces. Mensen kopen kleding om er mooier uit te zien in de ogen van anderen. Daar ligt meestal – uitzonderingen daargelaten – een grote onzekerheid onder over wie ze zijn, of willen zijn. Als consumenten een nieuwe broek of jurk aantrekken, zijn ze bezig met hoe het kledingstuk staat en hoe ze zich erin voelen. Niet met hoe het gemaakt is.’Niet dat het verhaal achter een kledingstuk helemaal geen rol speelt. ‘Onze klanten voelden absoluut verbondenheid met het merk.’ Maar toch: New Optimist, dat zijn collecties online en bij andere moderetailers verkocht, moest klanten elke keer opnieuw verleiden om 60 euro uit te geven aan een T-shirt, of 150 euro aan een jas of broek. Lokaal, sociaal en duurzaam produceren kost nu eenmaal meer.Slager: ‘Gecombineerd met de vluchtigheid van online, is het als duurzame speler heel moeilijk om in zo’n markt te groeien.’ #2 Mooie ideeën verkopen zichzelf niet New Optimist moest na vijf jaar het onderspit delven in die strijd. Het modemerk werd in juli failliet verklaard. Een paar weken later werd bekend dat er geen doorstart komt. Er meldde zich een serieuze kandidaat, maar het bod was te laag, blijkt uit het eerste faillissementsverslag van de curator.Daarmee komt er definitief een einde aan de duurzame modedroom van Slager en Wegdam.Dan kan je de markt de schuld geven, maar als ondernemer moet je ook naar je eigen aandeel durven kijken, vindt Slager. ‘Want er zijn best wel wat dingen die beter hadden gekund.’ Op LinkedIn is hij gul met het delen van zijn lessen. Een belangrijk inzicht: mooie ideeën verkopen zichzelf niet. Daarom heeft New Optimist het volgens de ondernemer uiteindelijk niet gered. ‘De omzet steeg niet snel genoeg.’[caption id="attachment_164331" align="alignnone" width="300"] Het duurde ruim een jaar voor de productie, in het eigen atelier in Amsterdam, goed stond. ‘Langer dan verwacht, waardoor de kosten opliepen.’ | Credit: Titia Hahne[/caption]Bij de start lag de focus op het product en de productie: het opzetten van het atelier en de toeleveringsketen. ‘Het heeft ruim een jaar geduurd voor dat goed stond. Langer dan verwacht, waardoor de kosten opliepen. We namen in die periode ook te veel hooi op onze vork. Dat is een fout die meer duurzame ondernemers maken. Die nemen er een heel pakket aan lasten bij, die eigenlijk geen ruk te maken hebben met de omzet.’Want dat de kleding ook moest worden verkocht, dat verdween een beetje naar de achtergrond. Slager verwoordt het zo: ‘We hadden zoveel te doen dat de commerciële focus onvoldoende verankerd was in de organisatie.’ En goed, misschien stond hij er ook wat te naïef in. ‘Bij Spoom vlogen de jassen uit mijn handen. New Optimist had zo’n prachtig verhaal, dat ik dacht dat het op precies dezelfde manier zou gaan.’Winstgevend werd New Optimist nooit, blijkt uit het faillissementsverslag. Al begon de verkoop uiteindelijk wel te vliegen. Slager: ‘Het najaarseizoen van 2024 was heel goed, de verkopen verdrievoudigden ten opzichte van het seizoen ervoor. Maar we konden onze investeerders niet overtuigen dat dit het begin was van verdere groei. Zij vonden dat er te veel was geïnvesteerd om op dit punt te komen. Bovendien hadden we de afgesproken targets niet gehaald. Daar liepen we uiteindelijk op vast.’ #3 Lokaal produceren werkt niet alleen, het heeft ook grote voordelen Toch is hij trots, al is dat geen woord dat hij zelf snel zou gebruiken. Want New Optimist is er absoluut in geslaagd om de industrie te laten zien dat het anders kan, vindt Slager. Tegen 2024 had de startup de code gekraakt en kon het gaan profiteren van de voordelen die de lokale productie en korte toeleveringsketen boden. Te weten: flexibiliteit en snelheid.New Optimist experimenteerde met tientallen ontwerpen per seizoen, die in kleine oplage werden uitgebracht en op de webshop en sociale media werden gepusht. Sloeg zo’n design aan, zoals bijvoorbeeld gebeurde met een denim shirt van hennepkatoen, dan kon de productie razendsnel worden opgevoerd. Waarmee de voorraad tot een minimum werd beperkt, terwijl het geld bij veel modebedrijven daarin juist vastzit. Slager: ‘Voor een goed seizoen hadden we maar twee of drie succesnummers nodig.’Klinkt bekend? Het is precies hetzelfde model waarmee de Chinese modegigant Shein succes boekt. Alleen dan met veel grotere volumes, en een veel schadelijker product.De spotgoedkope kleding van Shein ontwricht niet alleen de mode-industrie, maar ook de recyclingindustrie. De textielbakken puilen uit met polyester prul dat niet gerecycled kan worden. Ook daar dacht Slager over na. De collecties van New Optimist werden zo ontworpen dat ze makkelijk te recyclen waren, door stof van goede kwaliteit te gebruiken en niet met materiaalblends te werken.New Optimist wilde alles zelf doen, dus ook zelf de keten sluiten. Een kleine twee jaar geleden lanceerde het bedrijf daarom een statiegeldsysteem. Klanten betaalden bij aankoop 2,50 tot 7,50 euro extra per kledingstuk, een bedrag dat ze terug zouden krijgen als ze het na afdragen weer zouden inleveren. De startup zou daar dan weer nieuwe kleding van maken, was het idee.Het aantal items dat sindsdien is teruggestuurd, is volgens Slager op twee handen te tellen – wat iets zegt over de kwaliteit en hoe lang klanten ermee doen. Niets onoverkomelijks, vindt hij. ‘We wisten dat het model tijd nodig had om te groeien.’ #4 Tijd en kapitaal zijn schaars, zet ze goed in Daar wringt het. Aan twee dingen heb je als startup permanent gebrek: tijd en geld. New Optimist is grotendeels gefinancierd door een crowdfundingcampagne, waarmee ruim 350.000 euro werd opgehaald, en een investering van 1,7 miljoen euro van de fondsen AKEF en ifund, samen met een aantal angels.Die laatste was een zogeheten milestone-financiering, wat betekende dat het bedrijf steeds bepaalde mijlpalen moest halen om het volgende deel van de som te ontvangen.Die targets werden niet gehaald, met liquiditeitsproblemen tot gevolg. De ondernemer haalde het eerder al aan: New Optimist nam in de beginfase teveel hooi op zijn vork, waardoor het te veel tijd en geld kostte voor de omzet op stoom kwam. En investeerders – ook impactinvesteerders – willen uiteindelijk rendement op hun belegging zien.Slager begrijpt de kritiek dat de groei te langzaam ging. Tegelijkertijd vraagt hij om meer begrip. ‘We concurreren met bedrijven die niets doen aan duurzaamheid en misstanden in de keten niet aanpakken. De kranten staan vol over hoe slecht de mode-industrie is. Ondertussen vallen bedrijven als de onze om. Waarmee het beeld ontstaat dat duurzame startups niet commercieel genoeg zijn en niet weten hoe ze geld moeten verdienen. Dat is niet zo. In een ideale wereld hadden we meer tijd gekregen om dat te bewijzen.’Dit artikel verscheen oorspronkelijk op MT/Sprout. Lees ook:Zijn Shein en Temu nog te stoppen? ‘Europa is veel te lief geweest, of eigenlijk te traag’ Deze start-up doet wat tot nu toe niet kon: kleding van katoen en polyester uit elkaar halen en recyclen Brightfiber Textiles maakt van oude vodden de mode van morgen