Redacteur Maaike
Maaike Kooijman
09 oktober 2025, 17:30

Vleeslobby wint van vega in Brussel: 'Politiek bewijst maatschappij geen dienst'

Binnenkort geen vegaburger meer op je bord, maar een sojaschijf. Dat besloot het Europese Parlement gisteren. Producenten van vleesvervangers noemen het besluit ‘schadelijk voor consumenten, producenten én de eiwittransitie’.

Vleesvervanger van LikeMeat 355 Europarlementariërs stemden vóór een verbod op vleesnamen voor vegetarische producten. | Credits: Unsplash

Een maatregel voor een probleem dat niet bestaat. Zo noemt The Vegetarian Butcher Collective, een samenwerking tussen Vivera en De Vegetarische Slager, het aanstaande verbod op vleesgerelateerde namen voor vegetarische alternatieven.

‘Consumenten begrijpen deze namen al decennialang’, stelt Vivera-ceo Willem van Weede in een statement. Deze namen helpen hen juist om snel te begrijpen hoe een product gebruikt kan worden, zegt hij. ‘Dit verbod creëert verwarring, belemmert duurzame keuzes en ondermijnt de positie van Europa als koploper in voedselinnovatie.’

Vlees is ‘eetbare delen van dieren’

Woensdag stemde het Europese Parlement in met het voorstel van de Europese Commissie om ‘vleesgerelateerde termen enkel voor de eetbare delen van dieren’ te gebruiken. 355 Europarlementariërs stemden vóór, 247 stemden tegen. Het gaat om termen als burger, worst en steak.

Het is niet voor het eerst dat de discussie over de namen van vleesvervangers oplaait. In 2020 wees het Europees Parlement een vergelijkbaar voorstel af. Plantaardige zuivel ontsprong de dans destijds niet: dat mag al jaren niet meer verkocht worden onder namen als ‘melk’, ‘kaas’ of ‘yoghurt’. Vandaar de ‘plantaardige plakken’ en ‘haverdrink’ in de supermarkt.

Vleesvervangers minder aantrekkelijker voor flexitariërs

Volgens The Vegetarian Butcher Collective is de wetswijziging niet alleen onnodig, maar ook schadelijk voor producenten. Klopt dat? ‘Ja’, zegt Rob Revet, merkstrateeg bij Mark Stronger. ‘Mensen denken het liefst zo min mogelijk na over keuzes, zeker de keuzes die ze dagelijks moeten maken. Met de verandering van productnamen verbreek je hun kooproutine.’

Vegetariërs zullen niet zo snel verder lopen naar het vleesschap. Maar in het vegaschap wordt de concurrentie wel groter, denkt Revet. ‘Consumenten zijn gewend bepaalde producten te kopen. Herkennen ze die niet meer, dan moeten ze ineens gaan nadenken en een nieuwe keuze maken. Dan kan het zomaar zijn dat ze niet met een vegaschnitzel van merk A, maar merk B naar buiten lopen.’

Het schrappen van vleesnamen maakt vegetarische producten bovendien minder aantrekkelijker voor flexitariërs. Revet: ‘Wat zal het worden? Een sojaschijf? Een sojarondo? Dat klinkt toch veel minder lekker dan een sojaburger. En als je niet per se vega wilt kopen, heb je misschien helemaal geen zin om langer na te denken over je keuze. Dan wordt het overzichtelijkere vleesschap relatief verleidelijker.’ Uiteindelijk wennen consumenten er wel aan, zegt hij, al kan dat een tijd duren.

Revet vindt de keuze ‘jammer’. ‘Alle onderzoeken wijzen erop dat we minder vlees moeten eten. De politiek werkt dat hiermee in feite tegen. Daarmee bewijst ze de maatschappij geen dienst.’

Gezamenlijk namen verzinnen

Het besluit van het Europese Parlement betekent niet dat de gewijzigde wet direct in werking treedt. Daarover wordt de komende tijd nog onderhandeld door de Commissie, het Parlement en de landbouwministers van lidstaten. Daarna moet de richtlijn nog in landelijke wetgeving worden omgezet. Dat kan zo nog één, twee jaar duren.

Revet adviseert producenten dan ook zeker niet op de zaken vooruit te lopen. Maar er moeten natuurlijk wel scenario’s worden ontwikkeld, zegt hij. ‘Hoe gaan ze hierop inspelen als het verbod inderdaad wordt ingevoerd? Producenten kunnen het beste sectorbreed nieuwe productnamen verzinnen. Iets herkenbaars, zodat de kooproutine weer terug kan komen. En uiteindelijk is het toch niet de productnaam waarmee merken zich onderscheiden, maar hun merk zelf.’

Niet onduidelijk voor consumenten

Het officiële argument voor het wetsvoorstel is een ‘risico op verwarring’ bij de consument. Die zou voor vlees naar de supermarkt kunnen gaan en weleens pardoes kunnen thuiskomen met een veggieburger.

De Europese consumentenorganisatie concludeerde eerder echter dat het gros van de consumenten termen als ‘burger’, ‘worstjes’ of ‘nuggets’ niet misleidend vindt als er duidelijk op staat dat het om een vega(n) variant gaat. Die termen maken het zelfs makkelijker voor consumenten om te begrijpen hoe ze zulke producten in een maaltijd moeten verwerken, vindt de organisatie. Slechts één op de vijf Europese consumenten heeft problemen met zulke aanduidingen. Uit panelonderzoek van Radar bleek bovendien dat 96 procent van de Nederlanders prima begrijpt wat een vegetarische worst is.

De angst op omzetverlies van de vleesindustrie, vertegenwoordigd in een stevige lobby in Brussel, lijkt dan ook de échte reden. De Europese Commissie schrijft dat boeren het moeilijk hebben wegens inflatie, hoge energie-prijzen en ‘de globalisering van de voedselketen, met oneerlijke concurrentie als gevolg’.

Lees ook:

'De eerste helft van de energietransitie is het makkelijkste deel, daarna wordt de uitdaging een stuk groter'

Het versnellen van de energietransitie heeft meer urgentie dan ooit, ook al lijkt dit nu niet het thema dat politiek gezien de hoogste prioriteit heeft. Veel elementen om te versnellen zijn al aanwezig, maar het is lastig om tot de beste mix van maatregelen te komen, bleek woensdag bij de presentatie van de Energy Transition Outlook 2025 van ingenieursbureau DNV in Amsterdam.Uit de prognose van DNV blijkt dat de groei van elektriciteit uit zon en wind hard gaat, maar ook dat de uitstoot van CO2 door het gebruik van fossiele energie relatief hoog blijft. Naar verwachting ligt die uitstoot in 2050 nog altijd op een niveau van iets meer dan 20 miljard ton CO2 per jaar. Dat betekent dat de wereld niet op koers ligt om de opwarming van de aarde onder de 2 graden Celsius te houden.Tijdens een paneldiscussie naar aanleiding van het rapport lieten onder meer president-directeur Frans Everts van Shell Nederland, ceo Manon van Beek van netbeheerder TenneT en Karin van Selm, regiodirecteur Europa, Azië en Afrika van Rabobank, hun licht schijnen op de knelpunten in de energietransitie en wat er moet gebeuren om die te verhelpen. Lastige fase van energietransitie komt eraan Everts signaleert dat de spectaculaire groei van zonne-energie en de sterke daling van de kosten van zonnepanelen geen blauwdruk vormen voor de verduurzaming in andere sectoren. 'Niet alle kostencurves gaan op die manier omlaag.' Het opvoeren van het aandeel van hernieuwbare energie in de stroomopwekking is relatief makkelijk, vergeleken met bijvoorbeeld het koolstofvrij maken van onder meer de productie van staal, cement en plastics. ‘Het behalen van de eerste 50 procent van de emissiedoelen is relatief eenvoudig. Daarna wordt de uitdaging een stuk groter’, aldus de topman van Shell Nederland.Volgens Everts is er momenteel niet zozeer sprake van vergroening van de Europese industrie, maar eerder van de-industrialisatie. Als we willen dat zware industrie duurzamer wordt en niet simpelweg verdwijnt, dan moet er onder meer gewerkt worden aan het creëren van afzetmarkten voor duurzame varianten van producten zoals staal en cement. ‘De overheid kan daarbij helpen met normerend beleid', stelt Everts. Dan kan het bijvoorbeeld gaan om een verplicht aandeel duurzamer staal of beton bij de inkoop. Geen zigzagbeleid meer Het helpt ook als overheden ‘koers houden’ bij eerder uitgezette doelen voor energietransitie, vult ceo Van Beek van TenneT aan. Ze verwijst naar de toegenomen onzekerheid over de bouw van windparken op zee van Nederland.  ‘Je kunt wel een beetje bijsturen, maar het moet geen zigzagbeleid worden als je van de Noordzee de groene energiecentrale van Europa wilt maken’, stelt Van Beek.Dat is onder meer van belang vanwege de tijdshorizon die speelt bij investeringen in energie-infrastructuur op zee, maar ook bij het hoogspanningsnet op land. Van Beek geeft aan dat grotere projecten doorgaans een doorlooptijd hebben van tien tot twaalf jaar, waarbij daadwerkelijke bouw vaak slechts twee jaar in beslag neemt. Trajecten voor vergunningsaanvragen en goedkeuringsprocedures slokken het gros van de tijd op. ‘Het zou fijn zijn als daar meer vaart in komt’, aldus Van Beek. Onzekerheid verhoogt kosten investeringen Vanuit de financieringskant ziet Van Selm van Rabobank dat de kosten van de energietransitie worden beïnvloed door toenemende risico’s op een aantal gebieden. Door geopolitieke onzekerheden spelen veiligheid en energiezekerheid een grotere rol in de energietransitie, wat ertoe kan leiden dat investeringskeuzes mede worden bepaald door andere dan puur economische overwegingen, met een kostenverhogend effect.Daarnaast maakt de opmars van het meer variabele aanbod van hernieuwbare energie de beschikbaarheid van extra buffercapaciteit belangrijker, om schommelingen in vraag en aanbod op te vangen. De vraag is volgens Van Selm wie dergelijke investeringen gaat betalen.En dan is er nog de toegenomen onzekerheid rondom overheidsbeleid op het gebied van duurzame energie, zoals in de VS te zien is met de ommezwaai van president Trump.‘Als je over de hele waardeketen kijkt, zie je een hogere mate van onzekerheid en dat betekent dat financiering van de energietransitie duurder wordt’, zegt Van Selm. In de Europese context is het volgens de regiodirecteur van Rabobank daarom belangrijk dan bedrijven samen naar oplossingen zoeken en dat overheden een consistent beleid voeren. Lees ook:Opmars van hernieuwbare energie in de wereld is onstuitbaar, wat Trump ook doet De energietransitie kan de wereld radicaal gelijker maken – maar het roer moet nu om De polder moet redden wat Den Haag laat liggen en zo de energietransitie vlottrekken