Hannah van der Korput
09 januari 2025, 14:30

Straks heeft elke stad zijn eigen, lokale broodje

Het broodje Utrecht was er al, nu heeft Nijmegen zijn eigen ‘Broodje Nimma’. Ze zijn belegd met ingrediënten uit de regio. “Het is een hapklare oplossing voor lokaal en natuurlijk eten.”

Broodje Nimma Met MVO Nederland mobiliseert Gerard Teuling verschillende grote inkopers zoals ziekenhuizen, onderwijsinstellingen en bedrijfskantines. | Credits: MVO Nederland

De broodjes zijn een initiatief van MVO Nederland. De nieuwste variant uit Nijmegen is net gelanceerd en tot stand gekomen met de hulp van Radboud Universiteit en Radboudumc. “Vanuit die organisaties zijn een paar koks betrokken. Later is ook de souschef van sterrenrestaurant De Nieuwe Winkel aangehaakt”, zegt Gerard Teuling. Hij is sectormanager agrifood bij MVO Nederland. “Zij zijn bij elkaar gaan zitten met de vraag: wat kunnen we maken? Daarvoor zijn ze in de historie van de stad gedoken. In Nijmegen werden vroeger veel soorten kool gegeten. Het broodje dat er nu ligt, is onder andere belegd met gefermenteerde kolen.”

Natuurlijk boeren

Een ander ingrediënt zijn waterkersen afkomstig van kwekerij Klispoel. De broodjes zelf worden gemaakt door een natuurinclusieve graanboer, Graangeluk. Alle ingrediënten zijn afkomstig van regionale boeren die werken met oog voor natuur en milieu. “We merken dat inkopers op zoek zijn naar telers die een stapje extra zetten. Mensen die actief bezig zijn met het herstel van de bodem en de biodiversiteit. Met dit broodje geven we hen een podium. We brengen telers en inkopers met elkaar in contact en pakken een verbindende rol.”

Met MVO Nederland mobiliseert Teuling verschillende grote inkopers zoals ziekenhuizen, onderwijsinstellingen en bedrijfskantines. Dat is nodig, zegt hij. “In de praktijk komen vraag en aanbod lastig bij elkaar. Onze toegevoegde waarde is dat we een soort ecosysteem bouwen. We laten boeren zien dat ze er niet alleen voor staan en dat er genoeg marktpartijen zijn die ook meewerken aan de transitie.”

Vraagstuk

Als het over de landbouwtransitie gaat, wordt er volgens hem nog te vaak alleen naar de boer gekeken. “Stikstof is daar een voorbeeld van. Boeren moeten het probleem maar oplossen, anders kan er niet worden gebouwd. Dat is scheef. We hebben met elkaar een efficiënt en intensief landbouwsysteem opgezet. Dat heeft gevolgen, onder andere voor de biodiversiteit, de bodem- en waterkwaliteit. Het vraagstuk is groot en breed. Dat is niet alleen aan de boer om op te lossen. Willen we tot een houdbaar voedselsysteem komen, moeten we het samen doen. Zo’n lokaal broodje is superlekker en tegelijkertijd een manier om dit verhaal aan te kaarten.”

Utrecht

Dat blijkt in Utrecht, waar het broodje goed wordt ontvangen. Inmiddels is er een achttal recepten ontwikkeld. Het aanbod is naast diverse broodjes uitgebreid met yoghurt en granola. Op de bestelpagina broodjeutrecht.nl staan alle recepten. “Je kiest een maaltijd, bestelt het aantal, rekent af en het is geregeld. Dat bestelgemak is erg belangrijk. In Nijmegen werken we ook samen met zo’n partner, Oregional. Zo is het broodje gemakkelijk te bestellen.”

De broodjes worden gemaakt door een natuurinclusieve graanboer, Graangeluk. | Credit: MVO Nederland

Elke stad een broodje

Als het aan Teuling ligt, zijn Utrecht en Nijmegen nog maar het begin. “We willen nog veel meer inkopers en lokale boeren betrekken bij dit plan. Hoe fantastisch zou het zijn als iedere stad straks zijn eigen broodje heeft? We verwachten dat broodje Amsterdam en broodje Rotterdam in de eerste helft van dit jaar het licht gaan zien. En het concept kan worden uitgebreid, zoals nu in Utrecht gebeurt. Wat voor een broodje kan, kan natuurlijk ook voor soep, salades en zuivel. Het is een hapklare oplossing voor lokaal en eerlijk eten. Mensen begrijpen het.”

Het doel is uiteindelijk niet om zo veel mogelijk gerechten te verkopen, benadrukt hij. “Ons doel is om de markt voor natuurinclusieve landbouw te ondersteunen en te vergroten. Boeren die al zo ver zijn, helpen we aan afnemers voor hun producten. Gangbare boeren die nog niet op dat punt zijn, willen we meenemen in dit verhaal. We laten zien hoe collega’s natuurlijk boeren en dat er wel degelijk vraag is naar dit soort landbouwproducten.”

Foodservice

De uitdaging zit hem niet zozeer in het aanbod, maar in de vraag. “De beweging van regeneratieve boeren is niet zo gek groot. Dat is niet omdat boeren niet willen. Ik heb diverse gesprekken gehad met boerencoöperaties die zeggen: als we die afzetzekerheid hebben, krijgen we die maatregelen voor de natuur wel geregeld. Veel boeren willen best duurzamer werken, maar dan moet de markt er wel om vragen. En de prijs moet ernaar zijn.”

Wat dat betreft zijn foodservicepartijen geschikte afnemers. “Zij werken met langetermijncontracten. Partijen zoals Radboudumc hebben contracten die vier, zes en acht jaar lopen. Dan kan je echt een stuk afzetzekerheid bieden aan boeren. Bovendien werkt foodservice vaak met verschillende partijen. Er is dus best wat vrijheid om met nieuwe leveranciers en nieuwe producten aan de slag te gaan. Neem lupine of boekweit. Die gewassen zijn goed voor de biodiversiteit, maar worden in professionele keukens nog niet massaal gebruikt. Als bedrijfsrestaurants het introduceren in het menu, vindt het zijn weg naar de markt. Dat zet wat in gang.”

Lees ook:

Zo wordt de dijk tussen Moerdijk en Drimmelen sterk en toekomstbestendig

Dijken moeten vanuit de Waterwet elke 12 jaar getoetst worden op hun veiligheid. Klimaatverandering, bodemdaling en veranderingen in de fysieke omgeving maken deze toets extra relevant. Van Moerdijk tot Drimmelen ligt een primaire kering, die ons beschermt tegen hoogwater vanuit het Hollands Diep en de Amer. Maar inmiddels voldoet deze dijk niet meer aan de wettelijke veiligheidseisen. De dijk heeft te maken met diverse uitdagingen. Zo voldoet op twee strekkingen van in totaal 6,85 kilometer de grasmat van het buitentalud niet meer. Door wind, golven en droogte is de grasmat en daardoor ook de dijk verzwakt. Hierdoor kan erosie van de dijk optreden. Hetzelfde geldt voor de steenbekleding van ruim vier kilometer. Met het oog op hogere rivierwaterstanden door klimaatverandering voldoet de harde bekleding niet. Instabiliteit Op een totale lengte van 2,2 kilometer is er sprake van een risico op macro-instabiliteit. De binnenkant van een dijk verliest dan zijn stevigheid doordat de dijk van binnen erg nat wordt en verzadigd raakt. Zand- en kleideeltjes drukken dan niet meer goed op elkaar, waardoor de dijk als het ware vloeibaar wordt en dus instabiel. De dijk kan dan door z’n eigen gewicht naar beneden zakken. Ook op een ander deel van de dijk is er risico op micro-instabiliteit. Kwelwater, water dat door peilverschil tussen het water aan binnen- en buitenzijde van de dijk door de dijk heen stroomt, neemt zandkorreltjes mee uit de dijk, waardoor het zijn stevigheid verliest. Piping Tot slot is er ook risico op piping. Het grondwater neemt zandkorreltjes mee van de dijk waardoor er een gang ontstaat, ook wel een pipe genoemd. Piping verzwakt de dijk en kan er uiteindelijk door bezwijken. Beste opties In deze verkenningsfase onderzoekt het waterschap Brabantse Delta samen met WSP de precieze scope. Allereerst onderzoeken we of we de toetsoordelen nog verder kunnen aanscherpen. Dat doen we met aanvullend onderzoek om een nog beter beeld te krijgen van de ondergrond en de sterkte van de dijk. Een dijk versterken is kostbaar en heeft flinke impact op de omgeving, zegt ontwerpleider Wilbert van den Bos. “We zijn continu op zoek naar het optimaliseren van de berekeningsmethodes en het toepassen van de nieuwste meetmethodes en onderzoeksresultaten. Zo krijgen wij samen met specialistische kennis van partners zoals Fugro, steeds beter inzicht in de stevigheid van een dijk. Dat maakt het makkelijker om realistischer te kijken naar de strenge wettelijke waterveiligheidseisen, terwijl dat voorheen niet mogelijk was. Hierdoor voorkomen we onnodige versterkingen.”Daarnaast wordt er onderzocht wat de beste opties zijn voor het versterken van de dijk. Een dijk kan aan de landzijde of aan de waterzijde worden versterkt met bijvoorbeeld grond. Een andere optie is het toepassen van een constructieve versterking zoals een damwand. Ook wordt er gekeken naar meekoppelkansen in de omgeving. Innovatieve oplossingen We onderzoeken ook duurzame innovatieve oplossingen, vertelt Van den Bos. “Bijvoorbeeld het inmengen van kalk in klei. In Nederland zijn hiermee een aantal testen uitgevoerd. Deze volgen we op de voet. We zijn nu in gesprek met De Innovatieversneller (DIV) van het Hoogwaterbeschermingsprogramma om te kijken hoe we als project kunnen bijdrage aan de doorontwikkeling van deze innovatie. Als deze ontwikkeling slaagt, zou dat zorgen voor minder kosten, transport, minder gebruik van primaire materialen wat de oplossing heel duurzaam maakt.” “Boven op de stenen buitenkant onderzoeken we of een ecotoplaag aangebracht kan worden”, zegt projectmanager Ron Nouws. “Die laag bevordert de biodiversiteit en herstelt de natuurlijke habitat, één van de doelen van het waterschap. Dit kan onder andere worden bereikt door het gebruik van inheemse grassen en kruiden die de bodemstructuur verbeteren en biodiversiteit verhogen. Bovendien helpt de ecotoplaag bij het vasthouden van water, wat essentieel is voor de groei van planten en het behoud van het ecosysteem.” Win-win-win Voor de zomer is de eerste informatiebijeenkomst geweest voor de omgeving en heeft iedereen zijn wensen kunnen indienen. Op dit moment onderzoeken we welke projecten we kunnen koppelen, legt Nouws uit. “Staatsbosbeheer (SBB) en Rijkswaterstaat (RWS) willen graag buitendijks natuur ontwikkelen. RWS denkt aan het herstel van de getijennatuur in het Haringvliet en SBB aan het ontwikkelen van bossen.” Mogelijk kunnen de opgaven van de verschillende organisaties elkaar versterken, zegt Van den Bos. “Dan heb je echt win-win-win. Dijkversterking combineren met natuurontwikkeling zou een hele mooie uitkomst zijn van de verkenningsfase. Als ontwerpleider probeer ik deze werelden aan elkaar te knopen en dat maakt mijn werk zo interessant. Zulke projecten gelijk meenemen, scheelt in kosten, hinder voor de omgeving én in uitstoot.” Samenwerking De gebruikelijke rolverdeling hebben we in deze samenwerking losgelaten, licht Van den Bos toe. “Het integraal Projectmanagement (IPM)-team van specialisten van het waterschap en engineers van WSP bestaat uit tien mensen. De traditionele rollen van opdrachtgever en opdrachtnemer vervagen hierbij. We werken echt samen aan producten en vullen elkaar op expertise aan. Dat verhoogt de productiviteit enorm.” “En samen bespreken we hoe we met de uitdagingen en risico’s omgaan,’ vult Nouws aan. “Gezamenlijk streven we ernaar om mee koppelkansen te verzilveren, zodat we de dijk niet alleen voor de komende vijftig jaar versterkt hebben, maar ook mooier achterlaten dan dat die was. Om die samenwerking een goede start te geven, namen we deel aan een clinic rolstoelbasketbal, vervolgt hij “In de clinic was onder andere aandacht voor wie welke rol pakt, zowel op de baan als op de werkvloer. Daarnaast was het natuurlijk ook gewoon erg leuk. We zijn voor de zomervakantie met het project gestart. Inmiddels weten we elkaar goed te vinden en werken we elke dinsdag samen op kantoor.” Lees ook:Hoe onze dijken steeds duurzamer wordenEuropa installeerde in 2024 weer record aan zonnepanelen, maar de groei is eruit Minder voedsel verspillen? Het Nederlandse Merqato doet het met data en AIZo kan e-waste meer goud en minder CO2 opleveren