Jeroen de Boer
16 juli 2025, 14:00

Sjoerd van Krimpen (Steel CleanUp): 'We willen afval van staal volledig verwerken'

De productie van staal zorgt voor grote afvalstromen. Startup Steel CleanUp heeft een technologie ontwikkeld om daar nuttige grondstoffen uit te winnen. ‘We mikken op volledige circulariteit.’

staalfabriek Bij de productie van staal blijft ongeveer een derde van de massa over als afval. | Credits: Getty Images

Staal is onmisbaar voor elke moderne economie, maar het traditionele productieproces zorgt voor een hoge CO2-uitstoot. Bovendien gaat het maken van staal gepaard met flink wat afval. Het goede nieuws is dat de afvalstroom van staal omgezet kan worden in waardevolle grondstoffen. ‘Wij willen dat proces volledig circulair maken’, aldus directeur Sjoerd van Krimpen van Steel CleanUp.

Het dochterbedrijf van scaleup SCW Systems werd op 1 juli uitgeroepen tot winnaar van de Transition Award 2025 van Change Inc. in de categorie circulair, dankzij een baanbrekende technologie om staalproducten volledig afvalvrij te maken (zie kader).

Directeur Sjoerd van Krimpen van Steel CleanUp. Foto: Jaap Beyleveld.

‘We willen dit model zonder subsidie uitrollen. Om te beginnen bij een producent in Zweden, maar voor de toekomst is een bedrijf als Tata Steel ook een logische samenwerkingspartner’, geeft Van Krimpen aan in een gesprek met Change Inc.

Steel CleanUp gebruikt twee eigen technologieën, Eén daarvan is gericht op het efficiënt verwijderen van onzuiverheden uit en het reduceren van metalen met behulp van waterstof, waarna gezuiverde metalen opnieuw in smeltovens kunnen worden ingezet. De andere technologie is een elektrochemisch proces waarmee uit afvalstromen van staal (zoals staalslakken) grondstoffen zoals calcium, magnesium en silica worden gewonnen.

Steel CleanUp: staalafval omzetten in nuttige grondstoffen

Tijdens de verschillende fasen van het productieproces van staal blijft er restmateriaal over. De grootste afvalstroom staat bekend als staalslakken. Startup Steel CleanUp heeft een nieuwe technologie ontwikkeld voor het verwerken van staalslakken in een pilot- en demofabriek in Alkmaar. Via een elektrochemisch proces worden uit de staalslakken waardevolle grondstoffen gehaald, waarbij de benodigde chemicaliën worden hergebruikt. Het hele proces wordt hierdoor circulair en CO2-neutraal.

‘Ongeveer een derde van de massa van staalproductie bestaat uit afval: dat willen we volledig circulair maken’, legt directeur Sjoerd van Krimpen van Steel CleanUp uit. De startup werkt samen met de Zweedse staalproducent Alleima. Doel is om staalslakken en ander afval van deze producent volledig te benutten voor nieuwe grondstoffen door een groot project in Zweden te ontwikkelen.

Foto: still Steel CleanUP

Uit de staalslakken kunnen hoogwaardige grondstoffen worden gehaald zoals calcium, dat gebruikt kan worden bij de zuivering van afvalwater; een tweede grondstof is magnesium, dat onder meer wordt gebruikt als vlamvertrager bij kabelisolatie. Verder kan uit staalslakken silica worden gehaald dat inzetbaar is in de rubberindustrie. Staalslakken bevatten ook metaalresten van bijvoorbeeld ijzer, nikkel en chroom. Door de techniek van Steel CleanUp is het mogelijk om metalen te isoleren en te zuiveren, zodat de metalen weer gebruikt kunnen worden in smeltovens.

Steel CleanUp gebruikt een techniek op basis van reductie met waterstof, waarbij zuurstof wordt verwijderd uit het metaal. Via binding met waterstof houd je water als restproduct over. Deze technologie kan ook worden ingezet voor andere reststromen van metalen.

In Nederland heeft Tata Steel ambitieuze plannen om groen staal te maken door met waterstof ijzererts te ontdoen van zuurstof. Hoe verhoudt zich dat tot de techniek die Steel CleanUp gebruikt?

‘Om te beginnen richten we ons primair op afvalstromen van de staalproductie, maar wat betreft de inzet van waterstof om ijzer zuurstofvrij te maken zijn er wel overeenkomsten. Een belangrijk verschil is dat Tata in het primaire productieproces alleen met ijzererts werkt, dat makkelijker te reduceren is met waterstof. De staalslakken die wij bewerken, kunnen ook nikkel of chroom bevatten. Dat is technisch uitdagender en daar is ook een deel van onze research en development op gericht.’

Om dit soort technologie op te schalen heb je veel groene waterstof nodig. Hoe gaat Steel CleanUp daarmee om?

‘Om groene waterstof te maken heb je elektriciteit uit CO2-arme energiebronnen nodig. Bovendien moet die stroom ook betaalbaar zijn. In Nederland is dat een behoorlijke uitdaging door de heersende netcongestie en omdat de gebouwde omgeving en het transport moeten verduurzamen. Verder is er veel groene stroom nodig om waterstof te produceren voor de industrie.

In Zweden is er ruime beschikbaarheid van stroom uit waterkracht, aangevuld met een beetje kernenergie. Daar komt de komende jaren vooral elektriciteit van windmolens op land bij. In Nederland moet de groei van groene stroom op termijn uit windparken op zee komen, maar dat vergt nog flinke uitbreiding naast de benodigde investeringen in het elektriciteitsnet.’

Waarom is het voor Alleima aantrekkelijk om de technologie van Steel CleanUp in te zetten?

‘Dat heeft mede te maken met het soort staalslak. In Nederland worden staalslakken bijvoorbeeld deels gebruikt als cementvervanger, maar dat kan alleen als er geen chroomresten in zitten. Bij Alleima is dat wel het geval vanwege het type staal dat wordt gemaakt. De staalslakken eindigen daardoor op een afvalberg.

Ons eerste doel is om te zorgen dat die berg niet meer groeit door de jaarlijkse stroom van nieuwe staalslakken weg te werken. Vervolgens willen we de afvalberg zelf helemaal gaan upcyclen. Het voordeel van onze technologie is onder meer dat we chroom kunnen separeren, zodat je er weer effectief gebruik van kunt maken bij de productie van staal.’

Hoe werken jullie toe naar een houdbaar verdienmodel?

‘Afhankelijk van het type afval kan er een vergoeding zijn voor het feit dat we het afval verwerken. Daarnaast winnen we grondstoffen zoals calcium, magnesium en silica terug. Daarvoor zijn er voldoende applicaties binnen en buiten de staalindustrie, bijvoorbeeld bij de behandeling van afvalwater of in de kabel- en rubberindustrie. Dat maakt het mogelijk om naar een positieve businesscase te komen, zonder dat we exploitatiesubsidies nodig hebben.’

Het opzetten van een productiefaciliteit in Zweden vraagt waarschijnlijk forse investeringen.

‘Zeker, daarom zijn we nu bezig met de financiering. Bij de bouw van een verwerkingsfabriek voor onder andere staalslakken gaat het om tientallen miljoenen euro’s. We onderzoeken op dit moment naar de mogelijkheden vanuit bestaande investeerders en nieuwe investeerders.’

Wat zijn de grootste uitdagingen die je tot nog toe bent tegengekomen bij het opschalen?

‘Als je een nieuw businessmodel optuigt, moet je de hele commerciële keten overzien. Je moet de staalindustrie snappen, want je neemt afvalproducten af en levert ook producten aan die sector. Tegelijk zijn we ook actief in andere markten, bijvoorbeeld met magnesium dat wordt gebruikt als vlamvertrager voor kunststoffen.

Daarnaast zijn er de technologische uitdagingen: voor het elektrochemische proces hebben we een membraantechnologie ontwikkeld. Dan moet je zorgen voor voldoende capaciteit, zodra je gaat opschalen. Op de derde plaats is er de financiering, waarbij een nieuwe fabriek behoorlijk kapitaalintensief is. Dat moet allemaal bij elkaar komen.

Specifiek voor Nederland speelt overigens netcongestie ook een rol. Voor onze operaties is er stroom nodig. De beschikbaarheid van elektriciteit mag geen belemmering zijn, als je moet laten zien dat je op grotere schaal kunt draaien en omzet kunt genereren. Dat is ook een van de redenen dat we aan een project in Zweden werken.’

Zijn er lessen die je aan andere ondernemers kunt meegeven die duurzame projecten groot willen maken?

‘Je moet het aandurven om de lat hoog te leggen. In ons geval wil je eigenlijk alle afvalstromen van staal kunnen verwerken. Als je dat perspectief kunt neerleggen, creëer je echt iets waardevols voor partners. Zo denken we in Zweden al snel richting volledige circulariteit te kunnen gaan en dat zorgt voor enthousiasme.

Heel belangrijk is ook dat je transparant durft te zijn. Als je tegen problemen aanloopt, moet je eerlijk durven zijn tegenover partners. Dan kun je samen kijken naar manieren om zaken te versnellen met oplossingen die voor beide partijen goed werken.’

Lees ook:

Changemaker Stephanie de Heer (WBCSD): 'Je bereikt alleen systeemverandering als je iedereen aan tafel hebt'

Je bent chief member & marketing officer. Wat houdt die rol precies in?‘In eerste instantie lijkt mijn rol op die van een klassieke cmo. Maar bij ons draait het veel meer om onze leden. Mijn verantwoordelijkheid is om hun impact en leiderschap zichtbaar te maken. Naar buiten toe, zodat we kunnen laten zien hoe bedrijven samen het verschil maken. En naar binnen toe, door te zorgen dat wat we doen – aan programma’s, content en samenwerking – waarde oplevert voor onze leden.’In hoeverre merk je dat bedrijven worstelen met hun duurzaamheidsverhaal?‘Ze worstelen vooral met hóe ze het naar buiten moeten brengen. Dat geldt ook voor hoe het verhaal intern wordt verteld. Duurzaamheid moet niet alleen overtuigend zijn voor de sustainability officer, maar ook voor de cfo en de marketingdirecteur. Je verhaal moet dus niet alleen moreel kloppen, maar ook materieel. Wat levert het op? Wat betekent het voor je businesscase? Die shift – van moreel naar materieel verankerd – is cruciaal.’ Wat is de World Business Council for Sustainable Development? De World Business Council for Sustainable Development (WBCSD) is een wereldwijd netwerk van 250 multinationals, waaronder Amazon, BMW, Ikea, Microsoft, dat zich inzet voor versnelde verduurzaming van de economie. De organisatie biedt strategische begeleiding, ontwikkelt programma’s rond onder meer decarbonisatie, circulaire economie en verantwoorde bedrijfsvoering en stimuleert samenwerking tussen bedrijven, overheden en kennisinstellingen. Je was laatst in Singapore voor een groot WBCSD-event. Wanneer zijn zulke reizen voor jou geslaagd?‘Ik reis alleen als het toegevoegde waarde heeft – voor onze leden, voor het netwerk. Singapore was zo’n voorbeeld. Daar kwamen veel leden samen. En interessant is dat de overheid daar actief samenwerkt met het bedrijfsleven. Bovendien zijn de klimaatuitdagingen in Azië anders dan bijvoorbeeld in Amerika. Dan kun je echt het regionale perspectief ophalen: wat speelt daar, wat zijn de uitdagingen, hoe kunnen wij vanuit een mondiale ambitie helpen? Dat maakt zo’n bezoek waardevol.’Wat valt je op aan de manier waarop bedrijven in Azië omgaan met de transitie, in tegenstelling tot westerse landen?‘Je ziet dat bedrijven daar directer de gevolgen van klimaatverandering ervaren, van gemeenschappen die geraakt worden tot productielocaties die moeilijk verzekerbaar zijn. De transitie is dan ook veel meer gericht op praktische en pragmatische actie, direct geworteld in de businesscase. In Europa voeren we nog vaak het gesprek over of en hoe. In Azië zegt men sneller: "We weten wat er moet gebeuren. Laten we het doen." Het momentum is er.’De WBCSD heeft 250 leden, waaronder bedrijven als Chevron, Bayer en Dow. Niet bepaald duurzame koplopers. Waarom zijn zij toch welkom in jullie netwerk?‘Omdat je alleen systeemverandering bereikt als je iedereen aan tafel hebt. Natuurlijk stellen we voorwaarden: leden moeten serieus werk maken van hun duurzaamheidsambities. Daarvoor hebben we criteria opgesteld waarop we kunnen meten. We gaan alleen een samenwerking aan als de ambitie echt is en niet alleen voor de bühne.Maar als je dit soort bedrijven buiten de discussie houdt, verandert het systeem niet. Juist in gesprek blijven – en waar nodig aansturen zodat de ambities hoog blijven – zorgt voor vooruitgang.  Ik sta liever ín het gebouw, met hen in gesprek, dan erbuiten met stenen te gooien.’Hoe voorkom je dat bij jullie aangesloten bedrijven het netwerk als greenwashing gebruiken?‘Aan de hand van onze criteria kunnen we bepalen in hoeverre je gecommitteerd bent en of je ambitie op het juiste niveau zit. Dat is een continu gesprek. Juist omdat ons netwerk zo divers is ontstaat er een omgeving waarin bedrijven van elkaar leren. “Hoe doe jij dat?” is een vraag die vaak wordt gesteld. Dat levert waardevolle inzichten op. Bovendien helpen we bedrijven bepalen waarop ze moeten versnellen, of waar interventies nodig zijn.’Je zit al jaren in het veld van duurzaamheid. Wat valt jou op als je terugkijkt op de duurzame transitie in de afgelopen tien jaar?‘Ik ben altijd hoopvol gebleven. Maar we gaan nog niet snel genoeg. De urgentie is wél gegroeid – klimaatverandering is geen ver-van-ons-bed-show meer. Overstromingen, droogte, bosbranden: iedereen voelt het nu. Ik hoef inmiddels niet meer uit te leggen wat de gevolgen van klimaatverandering zijn. Ook bij bedrijven niet.Bedrijven weten inmiddels dat niks doen riskanter is dan wél actie ondernemen. De shift zit nu in de uitvoering. Hoe gaan we die transitie financieren en implementeren? Want er zijn flinke investeringen nodig.’Wat zijn in jouw ogen op dit moment de grootste obstakels?‘De markten zijn nog niet goed ingericht. Duurzaamheid wordt onvoldoende beloond, of zelfs afgestraft. Investeerders kijken te veel naar de korte termijn. Als we willen dat duurzaamheid mainstream wordt, moeten kapitaalmarkten beter worden afgestemd op de langetermijnimpact. Daar zit nu de grootste bottleneck.’Hoe houd je dan toch focus bij bedrijven, ondanks alle geopolitieke en economische onzekerheden?‘Door het telkens terug te brengen naar de businesscase. Laat zien wat duurzaamheid oplevert in termen van risico, winstgevendheid, concurrentiepositie. We focussen op waar de meeste impact te maken is: decarbonisatie, corporate performance, accountability, en educatie. Samen zijn onze leden verantwoordelijk voor een substantieel deel van de wereldwijde uitstoot. Dus als wij hen helpen, kunnen we echt verschil maken.’Vind je het ergens niet tragisch dat het dan toch weer een gesprek over geld wordt?‘Ik denk dat geld simpelweg onderdeel is van het systeem waarin wij leven. Dus ja: als je verandering wilt, moet je dáár beginnen. Maar duurzaamheid is ook een mindset. De jongere generatie begrijpt dat steeds beter.Als je echt iets wilt veranderen, moet je binnen het systeem opereren, maar met een ander perspectief. Performance, risico’s, rendement: die kunnen allemaal hand in hand gaan met duurzaamheid. En bedrijven zijn essentieel in die opschaling.’Wat zou er volgens jou moeten veranderen in bestuurskamers?‘De kwaliteit van de beslisinformatie. Niet zozeer de mensen zelf zijn het probleem – de intentie is er echt – maar ze missen vaak de juiste data om goede beslissingen te nemen. Daar valt nog veel te winnen. En daarom is consistente, relevante rapportage zo belangrijk.Wat dat betreft is het jammer dat de CSRD en CSDDD worden uitgekleed. We hebben die standaarden nodig. Aan de andere kant moeten we ook niet verzanden in compliance. Er zijn nu zo veel frameworks – CSRD, SBTi, GRI – dat bedrijven soms door de bomen het bos niet meer zien. Er moet meer consistentie komen. Level playing fields zijn cruciaal. Maar we moeten vooral richting performance-gedreven duurzaamheid, waarin bedrijven beloond worden voor échte vooruitgang.’Jullie hebben al heel veel bedrijven in jullie netwerk. Maar met wie zou je nog meer willen samenwerken?‘Met innovators. Met tech- en AI-partijen die met slimme oplossingen komen voor de knelpunten waar grote bedrijven nu mee worstelen. Er is al zo veel beschikbaar, maar we brengen de werelden nog te weinig bij elkaar. Als we technologie koppelen aan de slagkracht van onze leden kunnen we die transitie versnellen.’ Lees ook:Changemaker Jessica den Outer (Rechten van de Natuur): ‘Een 200 jaar oude boom heeft net zoveel bestaansrecht als wij' Changemaker Guido Mensink (Gedachtegoed): ‘Met duurzaam vastgoed voel je grote verantwoordelijkheid om een plek beter achter te laten’ Changemaker Rosalinde Klein Woolthuis (Damen Shipyards): ‘In de scheepvaart bestaat niet één oplossing