Tien partijen hebben hun verkiezingsprogramma door het Centraal Planbureau (CPB) laten doorrekenen: GroenLinks-PvdA, VVD, NSC, D66, BBB, CDA, SGP, CU, Volt en JA21. Het CPB vergelijkt de situatie waarin al hun plannen worden doorgevoerd met een zogenoemd basispad, ofwel de uitkomst bij ongewijzigd beleid.
Voor de doorrekening van klimaatplannen werkte het CPB samen met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Dit is wat je daarover moet weten.
1. Wat betekenen de partijplannen voor het klimaat?
Als de plannen in de partijprogramma’s van GroenLinks-PvdA, D66, de ChristenUnie en Volt worden ingevoerd, realiseert Nederland een ‘veel grotere’ reductie van broeikasgasemissies dan bij ongewijzigd beleid. Ook het CDA realiseert – ondanks afschaffing van de nationale CO2-heffing – emissiereductie, zij het in mindere mate.
De emissiereductie bij deze partijen wordt in grote mate bepaald door maatregelen in de sector industrie. Dat levert een belangrijke kanttekening op. Hoge heffingen en strikte normeringen in de industrie kunnen bedrijven zomaar eens het land uitjagen. De reductie van landelijke emissies wordt dan deels teniet gedaan door extra CO2-uitstoot in het buitenland. De plannen van GroenLinks-PvdA, D66 en Volt kunnen zo’n effect hebben. Voor de ChristenUnie is de toename van emissies buiten Nederland relatief beperkt, berekende het CPB.
Bij NSC, de BBB en JA21 neemt de broeikasgasuitstoot juist toe. Al die partijen willen onder meer de CO2-heffing industrie en de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++)-subsidies afschaffen.
De VVD en SGP houden vast aan het basispad, ondanks mooie woorden van de reformatorische partij over het beschermen van de Schepping. De SGP wil weliswaar enkele klimaat- en milieuheffingen invoeren, bijvoorbeeld op polymeren en luchtverontreinigende emissies, maar de CO2-reductie die dat oplevert valt weg door het afschaffen van de CO2-heffing industrie.
2. Waar halen ze dat geld vandaan?
Om tot CO2-reductie te komen kiezen partijen voor verschillende maatregelen, met verschillende lasten tot gevolg. Zo kiest Volt vooral voor heffingen, zoals op broeikasgassen in de landbouw. GroenLinks-PvdA, D66 en de ChristenUnie gaan juist voor een combinatie van subsidies, heffingen en normeringen om klimaatdoelen te halen.
Met name GroenLinks-PvdA, maar ook D66 en de ChristenUnie verhogen de generieke lasten voor bedrijven om investeringen te kunnen doen. GroenLinks-PvdA wil bijvoorbeeld verhoging van de winstbelasting en invoering van een brede vermogensbelasting. Ook D66, de ChristenUnie en Volt willen een verhoging van de lasten op vermogen.

Berekening van de lasten voor bedrijven. Het basispad is de verwachte ontwikkeling bij ongewijzigd beleid. | Credits: Centraal Planbureau, Keuzes in Kaart 2027-2030
D66 dekt een groot deel van de investeringen in klimaat- en milieumaatregelen uit overheidspotjes. De partij verhoogt de overheidsuitgaven met 19 miljard euro in 2030, waarvan 5,2 miljard euro voor klimaat en milieu. Dat gaat onder meer naar een transitiefonds voor de landbouw.
In de rest van de plannen zijn de extra overheidsuitgaven voor klimaat en milieu een stuk lager. De VVD wil tot 2030 1,1 miljard extra uitgeven; het CDA 0,9 miljard; de SGP 0,8 miljard; GroenLinks-PvdA 0,7 miljard; en ChristenUnie 0,1 miljard. Volt, JA21, de BBB en NSC willen juist minder overheidsgeld aan klimaat en milieu besteden. Op de lange termijn vallen ook de extra overheidsuitgaven van D66 overigens mee.
3. Wat betekent dat voor het bedrijfsleven?
Het CPB noemt hogere lasten voor bedrijven ‘ongunstig voor het investeringsklimaat’. De kans is dan ook groot dat het bedrijfsleven geen fan is van de plannen van GroenLinks-PvdA, D66 en de ChristenUnie.
Daar staan echter ook enkele andere plannen tegenover. Zo verruimen GroenLinks-PvdA, VVD, D66, CDA en Volt de financieringsmogelijkheden voor bedrijven, wat het investeringsklimaat ten goede komt. Dat willen de partijen doen middels een kapitaalinjectie in een investeringsinstelling. Diezelfde partijen verhogen bovendien de investeringen in infrastructuur. Volt wil de werkgeverspremies helemaal afschaffen, GroenLinks-PvdA en de ChristenUnie willen die verlagen.
Daarbij kun je je afvragen hoe erg het is als vervuilende bedrijven naar het buitenland verdwijnen. Er komt dan bijvoorbeeld meer ruimte voor duurzamere productie in Nederland. Die transitie kost weliswaar geld, maar levert ook nieuwe banen én innovatie op.
4. Wat willen de partijen met stikstof?
Waar enkele partijen de inspanningen op klimaatgebied willen verlagen, is dat op stikstofgebied bij geen enkele partij het geval. NSC, de BBB, de SGP en JA21 houden vast aan het basispad, de andere partijen zorgen voor extra reductie van de stikstofuitstoot. Daarmee willen ze belemmeringen in de vergunningverlening voor bijvoorbeeld bouwprojecten wegnemen.
De meeste partijen willen hervormingen in de landbouw doorvoeren, vooral door boeren eigen emissienormen te geven. GroenLinks-PvdA, de VVD, NSC, D66, het CDA en de ChristenUnie willen zogenoemde overgangszones rondom stikstofgevoelige natuurgebieden instellen. In die gebieden moeten boeren hun uitstoot verder reduceren of verplaatsen.
Net als bij klimaat kiest Volt vooral voor heffingen, bijvoorbeeld op kunstmest en broeikasgassen in de landbouw, terwijl GroenLinks-PvdA, D66 en de ChristenUnie liever voor normeringen gaan. Zij willen bijvoorbeeld een strikte maximale veebezetting per hectare voor alle dieren, wat de veestapel moet doen krimpen. De VVD en het CDA zetten in op vrijwillige stoppersregelingen.
5. Hoe uitvoerbaar is dat allemaal?
Het CPB houdt in zijn berekeningen geen rekening met uitvoeringsproblematiek, maar stelt wel dat de uitvoering van veel beleidskeuzes in de praktijk ‘weerbarstig’ blijkt, zeker in één kabinetsperiode. Zo wil de Christenunie een grote herziening van het belasting- en toeslagenstelsel, die zowel aan de uitgaven- als lastenkant tot ‘omvangrijke mutaties’ leidt. Volt wil eveneens ingrijpende hervormingen in het belastingstelsel. Ook de hervorming van bedrijven met een grote klimaat- of milieu-impact kost veel tijd.
Naast problemen met de uitvoering kennen sommige plannen ook juridische risico’s. Zo willen Volt en GroenLinks-PvdA beide verschillende normen en heffingen voor de landbouw om de stikstofuitstoot te verlagen. Volgens het CPB is er een risico dat de rechter zo’n stapeling van maatregelen ‘als disproportioneel beoordeelt, omdat de partij geen compensatie beschikbaar stelt’.
Afgezien daarvan kan lastenverhoging altijd op weerstand rekenen. Zowel gezinnen als bedrijven zijn er niet blij mee om meer te moeten betalen. Ook de overheidsschuld kent grenzen. Maar gezien Nederland niet op koers ligt voor het behalen van ons klimaatdoel voor 2030, zijn extra maatregelen wel degelijk nodig. Het goede nieuws is dat die op lange termijn zullen lonen, zowel ecologisch als financieel. De gevolgen van klimaatverandering kosten immers nog veel meer geld.




