Romy de Weert 02 oktober 2021, 15:27

Producenten verantwoordelijk voor afgedankte kleding: gaat deze maatregel de kledingsector dan eindelijk verduurzamen?

Slechts 1 procent van alle kledingstukken worden gerecycled tot nieuwe kleding, de rest wordt verbrand of gedumpt in armere landen. Daar moet iets aan gebeuren, ziet de sector zelf ook. Eind mei kondigde staatssecretaris Stientje van Veldhoven aan een Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV) in te voeren voor de kleding- en textielsector. Het doel: meer hergebruik, minder verspilling en minder vervuiling. Adviesbureau Rebel schreef samen met TAUW een voorstel voor de UPV in opdracht van het ministerie. “De doelstellingen moeten prikkelen en ambitieus zijn, en met de tijd strenger worden, want de kledingsector móét veranderen.”

Pexels ksenia chernaya 3965557 Minder dan 1 procent van al het textiel wordt gerecycled voor het maken van nieuwe kleding.

De textielsector is een van de meest vervuilendste sectoren. Ieder jaar worden honderd miljard nieuwe kledingstukken gemaakt en meer dan de helft daarvan wordt binnen een jaar na productie al weggegooid. Mede door dit soort fast fashion is de kledingindustrie na de olie-industrie de meest vervuilende sector. De productie van kleding en schoenen zorgen samen voor zo’n 8 procent van de uitstoot van wereldwijde broeikasgassen.

Wat is een Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid?

Om dit te veranderen wil de Nederlandse overheid in 2023 een Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV) invoeren voor fabrikanten. Daarmee worden kledingbedrijven verantwoordelijk voor wat er na het gebruik met hun eigen producten gebeurt. En dat is hard nodig, ziet Michiel Kort, projectleider van het onderzoek bij Rebel, die een voorstel schreef voor een UPV. “Met een UPV ben je als producent ook verantwoordelijk voor wat er met een product gebeurt, nadat je het op de markt hebt gebracht”, legt Kort uit. Op dit moment zijn gemeenten nog verantwoordelijk voor de inzameling en kosten van het afgedankte textiel van hun inwoners, maar de maatregel moet de branche een financiële prikkel geven om kleding te produceren van hoge kwaliteit die zich goed leent voor recycling.

Inzameling en recycling voor andere sectoren

Zo’n UPV is niet nieuw: voor onder meer plastic verpakkingen en elektronica geldt ook al een verplichting voor inzameling en recycling. Daarbij kunnen bedrijven zelf invullen hoe ze die inzamelingen willen regelen. “Een goed voorbeeld is het Afvalfonds verpakkingen. Alle producenten die plastic verpakkingen verkopen hebben zich verbonden via het fonds. Producenten betalen een bepaald bedrag en het afvalfonds zorgt voor de inzameling en recycling”, zegt Kort.

In de kleding- en textielbranche zou zo’n UPV ook goed kunnen werken. “De textielketen kun je opsplitsen in twee delen: een voorkant en een achterkant. De voorkant van de keten gaat over de productie, de milieu-impact, de hoeveelheid kleding die wordt gemaakt en de discussie rondom fast-fashion. De achterkant gaat over de afdanking, inzameling, sortering en recycling en daar richt het instrument UPV zich op”, legt Kort uit. En als je doelen wil opstellen voor de achterkant van de keten, kun je volgens Kort het beste kijken naar de recycling van textiel. “Er wordt schrikbarend weinig kleding gerecycled tot nieuwe kleding.”

De Correspondent schreef eerder dat minder dan 1 procent van al het materiaal dat wereldwijd voor de productie van kleding en textiel wordt gebruikt, ook gerecycled wordt tot nieuwe kleding. De rest eindigt deels als poetslap, isolatiemateriaal, matrasvulling of een andere laagwaardige toepassing. “Het recyclen van textiel tot nieuw textiel is iets dat nog niet vaak genoeg gebeurt, omdat de kosten hoog zijn en de beschikbare technieken beperkt”, licht Kort toe. Downcyclen gebeurt wel – dan wordt kleding gebruikt in bijvoorbeeld autobekleding, waardoor de waarde van de grondstof zakt.

Toch zijn er ook positieve geluiden: Alle landen in de Europese Unie zijn vanaf 2025 verplicht om textiel in te zamelen. Daardoor komt er in één keer veel meer aanbod. Anderzijds kan het leiden tot een enorme prijsdruk op minder goed ingezameld textiel dat niemand wil hebben voor verdere verwerking – als de capaciteit niet wordt opgeschaald. “En als we straks meer recyclaat hebben, moeten producenten het ook wel willen gebruiken. Anders werkt het systeem alsnog niet.”

Virgin materialen zijn té goedkoop

“De prijs van virgin – nieuw geproduceerd – materiaal is zo ontzettend laag en de schaal waarop het gemaakt wordt zó veel groter dan gerecycled materiaal”, licht Kort toe. “Soms kun je niet eens aan gerecycled materiaal komen, omdat het te schaars is.” Toch heeft Kort goede hoop. “Er gaat ook steeds meer veranderen omdat er meer inzamelings- en verwerkingscapaciteit bij komt.” En er wordt gesproken over een verplichting van gerecycled materiaal in producten, maar dat is volgens Kort niet via een nationale UPV te regelen. “Je creëert een ongelijk speelveld als je dit alleen in Nederland zou verplichten. Je wil dat eigenlijk op Europees niveau regelen.”

Een andere uitdaging zit in het percentage textiel dat in het restafval belandt. In Nederland wordt slechts 45 procent van het afgedankte textiel gescheiden ingezameld via kledingbakken of kringloopwinkels. Zo’n 55 procent komt in het restafval terecht en wordt verbrand. “Daar valt echt nog heel veel te winnen”, zegt Kort. In veel andere landen is het inzamelingspercentage veel lager, maar Kort verwacht dat de Europese verplichting dat wel gaat veranderen.

Samenwerking is essentieel voor succes

Voordat de UPV wordt ingevoerd moet er nog heel wat gebeuren. Er zijn een heleboel betrokken ketenpartijen, zoals inzamelaars, sorteerders, recyclers, overheden, handhavers, vergunningverleners, groothandelaren en tussenhandelaren. En dan zijn er nog de producenten zélf. Samenwerking is volgens Kort essentieel. “Al die partijen moeten de samenwerking opzoeken. En als er eenmaal doelen zijn gesteld, moet je inzicht hebben in wat er gebeurt. Producenten kunnen dat niet alleen. Alle partijen zijn nodig om de doelstellingen te behalen.”

Kledingproducent Zeeman ziet veel potentie in de UPV. “Het zal de sector stimuleren om stappen te maken naar circulariteit. Grondstoffen zijn schaars en worden duurder. Daarom is het noodzakelijk om circulariteit aan te moedigen en een nieuwe impuls te geven”, zegt Arnoud van Vliet, duurzaamheidsmanager bij Zeeman. Waar volgens hem de grootste uitdaging ligt? “Bij voorlichting en recycling. Het is een soort gedragsverandering. Mensen hebben geleerd om batterijen in te leveren en glas naar de glasbak te brengen. Dat moet ook met kleding gebeuren.” In zo’n 50 Zeeman filialen kan al gebruikte kleding ingezameld worden en tegen het einde van het jaar zal dit in alle filialen mogelijk zijn.

Voor Zeeman is duurzaamheid een belangrijk thema. Zo zijn ze aangesloten bij het Bangladesh-akkoord en de Fair Wear Foundation, dat toeziet op veilige arbeidsomstandigheden voor arbeiders. Ze werken ook met gerecycled materiaal, maar alleen wanneer het product het toelaat. “Gerecycled materiaal is niet geschikt voor ieder product. Een gerecyclede katoenen vezel is een stuk grover dan een virgin vezel. Dan zijn grove vezels veel geschikter voor bijvoorbeeld sokken.”

Intrinsieke verandering

Of de UPV een wondermiddel is om de achterkant van de textielketen te verduurzamen, betwijfelt Van Vliet. “Maar het kan wel helpen om sneller stappen te zetten. Ik vind het mooi als bedrijven vanuit intrinsieke motivatie hun grondstoffengebruik minderen en dat daar niet eens een UPV voor nodig is.”

Een hoopvolle gedachte, maar Kort vindt dat UPV nodig is om de boel in beweging te zetten. Partijen die zelf al iets willen, kunnen deze beweging versnellen. Daarnaast verwacht hij dat er naast de UPV ook andere beleidsinstrumenten nodig zijn. “Met een UPV kun je slechts één deel van de keten verbeteren: de inzameling en recycling van afgedankt textiel. Er zijn nog veel meer verbeterpunten in de gehele textielketen.”

Wil je meer lezen over de ontwikkelingen van duurzame kleding? Je leest het in dit dossier.

"Pensioenfondsen, verzekeraars en banken halen de klimaatdoelen van Parijs niet"

Het grootste deel van de Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en banken is nog niet Paris-proof, concludeert de Eerlijke Geldwijzer. Het samenwerkingsverband, waar onder andere Milieudefensie en OXFAM Novib aan deelnemen, trekt deze conclusie naar aanleiding van een onderzoek dat de organisatie liet uitvoeren door Profundo en 30 september werd gepubliceerd. Uit het onderzoek blijkt dat grote pensioenfondsen zoals ABP en PFZW, maar ook verzekeraars zoals Aegon, Allianz en Nationale Nederlanden geen specifieke doelen hebben gesteld om al hun beleggingen in fossiele brandstoffen af te bouwen. En bij grote banken zoals Rabobank en ABN Amro ontbreekt beleid om al hun leningen en beleggingen in lijn te brengen met het doel om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graad. Woordvoerder Jelle Wijkstra van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) laat weten dat banken het gevoel van urgentie om klimaatverandering tegen te gaan ook voelen. En wijst schriftelijk op de zaken die banken al wel doen. Zo willen ze uiterlijk in 2022 actieplannen klaar hebben die bijdragen aan de vermindering van CO2-uitstoot. “Daarnaast helpen banken hun klanten in de verduurzamingsopgave. In sommige gevallen kiezen zij ook voor het reduceren van sectoren met hoge emissies. Hier rapporteren de banken al over in hun individuele rapportages. Eind oktober zal KPMG berichten over de voortgang van alle betrokken partijen in een overkoepelende sector rapportage." Verassende resultaten? Hester Holtland, Senior Project Manager Responsible Investment bij VBDO is niet verrast door de uitkomsten van het onderzoek van de Eerlijke Geldwijzer. VBDO voert jaarlijks een duurzaamheidsbenchmark uit voor pensioenfondsen en om het jaar voor verzekeraars. “Ik heb net de benchmark voor verzekeraars afgerond en daaruit blijkt bijvoorbeeld dat 43 procent van alle verzekeraars geen beleid heeft op klimaat.” Tegelijkertijd benadrukt Holtland dat het merendeel wél beleid heeft en dat er bedrijven zijn die het goede voorbeeld geven. Zoals verzekeraar Athora. Ook de Eerlijke Geldwijzer noemt een aantal koplopers. Zo bewijzen De Volksbank (score 9), Triodos (score 8), bunq (score 8) en verzekeraar Athora (score 8) volgens hen dat goed klimaatbeleid door financiële instellingen prima mogelijk is. De rol van de financiële sector Holtland stelt dat de financiële sector een belangrijke rol kan spelen bij de verduurzaming van Nederland. Volgens haar ligt de kracht van verzekeraars en pensioenfondsen erin dat zij invloed kunnen uitoefenen op bedrijven. Daarom roept VBDO deze financiële instellingen op om in gesprek te gaan met bedrijven over duurzaamheid en hun stemrecht als aandeelhouders te gebruiken. “En natuurlijk uiteindelijk bedrijven of sectoren uitsluiten als zij niet de juiste stappen nemen, want dat kun je als stok achter de deur gebruiken.” De financiële instellingen die meer willen doen aan duurzaamheid roept zij op om te beginnen met beleid. Dat is het allerbelangrijkste. “En dat ze daarover publiceren zodat het voor de buitenwereld duidelijk is wat ze willen gaan doen.” Nederlandse financiële sector nog steeds koploper? Eerder noemde Gerard van Olphen, bestuursvoorzitter bij APG Groep en voorzitter van de taakgroep Financiën die betrokken was bij de invulling van het Klimaatakkoord, de Nederlandse sector wereldwijd toonaangevend op het gebied van duurzaamheid. Volgens Holtland is dat ondanks de resultaten uit het onderzoek van de Eerlijke Geldwijzer en de benchmark van VBDO nog steeds zo. “Maar dat betekent dus dat vooroplopen nu echt niet meer genoeg is.”