Redactie Change Inc. 01 februari 2023, 14:30

Podcast: Van groene groei en ontgroei naar postgroei

Een alternatief voor groene groei of een krimpende economie. Dat is wat econoom en schrijver Paul Schenderling voorstelt in zijn boek ‘Er is leven na de groei’. Inmiddels is de vierde druk verschenen. Vanwege dit succes is de econoom te gast in de veertiende podcastaflevering van ESG (Even Samen Gevat). Hoe brengt hij ‘postgroei’ in de praktijk?

Paul schenderling ESG podcast Marloes Bergevoet en Aldert Veldhuisen presenteren de podcast ESG (Even Samen Gevat) van BNP Paribas. | Credits: Serianne van Marum

Postgroei is het centrale onderwerp van het in oktober 2022 verschenen boek Er is leven na de groei. Paul Schenderling is de auteur, maar de inhoud, zo benadrukt hij, is het resultaat van anderhalf jaar intensief overleg en discussie in een initiatiefgroep van vijftien mensen van elf politieke partijen.

Zij vonden dat er een tegenhanger moest komen van groene groei en een nuancering van ‘ontgroei’ (de-growth), het onderwerp dat zo veel aandacht kreeg door het populaire boek Less is more van Jason Hickel. Waar het bij groene groei nog steeds over groei gaat, gaat het bij ontgroei over krimp en Schenderling “wil nog wel eens zien, in harde berekeningen, dat het mogelijk is om de economie te laten krimpen in combinatie met gezonde overheidsfinanciën, een stabiele werkgelegenheid, betaalbare zorg enzovoorts.” Bij postgroei gaat het over het voorkomen van zo veel mogelijk verspilling in de productieketens door de belasting te verschuiven van arbeid naar consumptie, met behoud van de welvaart van mensen en meer levensgeluk.

Hoe het allemaal begon

Het zaadje voor postgroei werd geplant in Schenderling’s eigen gezin. Zo’n zeven jaar geleden begonnen zijn vrouw en hij met “postgroei in de praktijk”. Door kritisch te kijken of ze alle spullen die ze kochten ook echt nodig hadden, bespaarden ze – zo bleek na vijf jaar – 20 procent aan uitgaven. De conclusie: “Minder milieu-impact betekent helemaal niet minder nut, want eigenlijk gebruiken we nog steeds alle spullen die we vroeger hadden, alleen zijn we geswitcht naar spullen met een veel langere levensduur. De dingen die we echt niet nodig hebben, kopen we niet meer.” Doordat ze minder uitgaven hadden, maar toch hun levensstandaard en welvaart behielden, kon Schenderling ook minder gaan werken: ook 20 procent. “Je hebt meer vrije tijd, waardoor je meer sociale contacten hebt, bijvoorbeeld met je buren omdat je dingen aan het delen bent.”

Nulgroei

Het doel van postgroei is nulgroei. Elke groei betekent namelijk meer energie- en materialenverbruik en juist dat moet een halt worden toegeroepen. “Door de consumptiegroei te beperken, kun je veel effectiever en veel sneller vergroenen. We jagen nu het pad na waarin we de CO2-uitstoot verminderen in ruil voor veel meer materiaalgebruik en dat is op termijn onhoudbaar.”

Het doel moet dus zijn om de consumptiegroei te stoppen om zo een rem te zetten op de productie van spullen. Alleen zo kan het materiaal- en waterverbruik en het gebruik van toxische stoffen worden teruggedrongen. Is dat dan niet op te lossen met technologie? Nee, dus. Dat is volgens Schenderling de ‘Jevons-paradox’: “Alle milieuwinst die we boeken met technologische vooruitgang aan de productiekant van de economie wordt grotendeels ongedaan gemaakt door consumptiegroei. De brandstofmotor is de afgelopen zeventig jaar twee keer zo efficiënt geworden, maar de milieuwinst daarvan is volledig ongedaan gemaakt doordat we meer ‘kilo’s auto’ zijn gaan consumeren. En dat heeft de milieuwinst voor 100 procent ongedaan gemaakt.” Daarom werkt groene groei niet. Daar komt nog bij dat veel van de productie voor groene groei – en de schade die daarmee aan het milieu wordt aangebracht – in het buitenland en dus buiten ons gezichtsveld plaatsvindt. Ontgroei dan? Moeten we streven naar krimp? Schenderling: “Ontgroei suggereert dat alles minder wordt, zonder uit te leggen dat heel veel dingen meer worden. Postgroei is neutraler: ‘na de groei’.”

Balanceer-act

Schenderling noemt postgroei een “balanceer-act tussen gelijkblijvende welvaart en het afbouwen van de milieu-impact en verkorting van de werktijd.” Belangrijk is dat mensen met de laagste inkomens worden beschermd. “Door het huidige Europese beleid worden de prijzen opgedreven en dat is degressief. Dat betekent heel simpel gezegd dat mensen met de laagste inkomens de meeste last hebben van het milieubeleid. Als ik er dan ook nog bij vertel dat de meeste milieusubsidies naar mensen met de hoogste inkomens gaan, dan voeren wij op dit moment beleid dat vet degressief is.”

Levensgeluk

Schenderling maakt in Er is leven na de groei onderscheid tussen twee bronnen van levensgeluk: sociale relaties en betekenis. Met postgroei krijg je meer tijd voor betere sociale relaties, doordat je meer deelt en repareert en doordat je arbeid en vakmanschap meer waardeert. Tegelijkertijd lever je een bijdrage aan een betere wereld: “Je ervaart meer betekenis uit wat je doet, omdat je veel effectiever bezig bent. Dat heb ik zelf ook ervaren. Meer vrije tijd betekent ook dat je meer tijd hebt voor betekenisvolle projecten, zoals vrijwilligerswerk.”

Toekomstvisie

Schenderling pleit voor een andere kijk op aandeelhouderskapitalisme en zou graag zien dat er meer wordt ingezet op dividend op lange termijn dan op “hijgerige” koerswinst op korte termijn en verwijst naar een studie van het IMF, waaruit blijkt dat “als we nu niet wat rendement inleveren voor het klimaat dan zijn we op langere termijn veel duurder uit met een heel erg negatief rendement.” Hij verwacht ook een verschuiving van omzetmaximalisatie naar technische optimalisatie: “Hoe kun je met zo min mogelijk energie en materialen zo veel mogelijk kwaliteit van leven en toegevoegde waarde bieden en klanten binden?” Hij vermoedt dat “bedrijven in de toekomst een veel nauwere relatie met klanten zullen hebben, omdat je wil dat die klant bij je terugkomt voor allerlei services, zoals onderdelen vervangen, reparaties doen, onderhoud en beheer. Misschien zo nu en dan een update. Dan wil je dat je een heel goed product biedt, waar je heel lang mee kunt doen en waarbij je weinig energie en materiaal gebruikt en waarmee je de relatie met de klant centraal stelt, en niet de omzetmaximalisatie op korte termijn.”

Zo ziet de Nederlandse industrie er in 2050 uit

Dit is een gastbijdrage van Rob Kreiter, directeur TKI Energie & Industrie. Kunnen we de toekomst van de industrie tot in detail voorschrijven? Dat zou nog eens gemakkelijk zijn. Helaas hebben we simpelweg niet alle ingrediënten om dit te doen. Wat we wel weten is dat doorbouwen op de systemen van nu, ons niet bij het einddoel brengt. We weten ook dat de route naar die nieuwe industrie zal gaan in schokken, zoals we zeker het afgelopen jaar hebben ondervonden. Er is geen geleidelijk pad naar een nieuw energie- en grondstoffensysteem. We moeten afbreken en weer opbouwen, en soms veel geld investeren zonder dat het op korte termijn rendeert. Dat zorgt voor spanning: welke partij durft als eerste, wie volgt en wie neemt afscheid?Van een geleidelijke industrietransitie, naar een systeemverandering die in schokken verloopt: hoe doe je dat? Door af te stappen van incrementele vooruitgang en in te zetten op radicale veranderingen. Door innovaties te richten op de contouren van het systeem van de toekomst, ook als dit nu nog niet betaalbaar is. Een voorbeeld: de overheid zet nu vooral in op kosteneffectiviteit van CO2-emissiereductie. Het resultaat is dat de industrie voor de goedkoopste oplossing van dit moment kiest, zoals CCS. Dat is geredeneerd vanuit de werkelijkheid van nu. Terwijl we weten dat we voor de echt grote stappen iets totaal anders nodig hebben over 30 jaar. De bouwblokken van de toekomst Sturen op radicale verandering betekent dat we investeren en beslissingen maken op basis van de grote contouren van het systeem van de toekomst. We laten ons daarbij niet beperken door de huidige (on)mogelijkheden. En we accepteren dat we nog geen idee hebben over hoe deze toekomst er in detail uit zal zien. Het is de innovatieve uitdaging aan ons allemaal om de bouwblokken van de toekomst op een rijtje te zetten en daar een begaanbaar pad bij te maken. Dat is de start van het verhaal ‘Nederlandse industrie 2050’. En wie is de schrijver? Heeft de overheid voldoende kennis om dat te doen? Of zit die bij de bedrijven? En welke bedrijven dan? Pioniers zijn essentieel Het gaat niet om een totaalontwerp van de toekomst, maar wel om het bepalen van de basisingrediënten: waar moet een industrie aan voldoen om te bestaan in 2050? Pioniers zijn essentieel, bedrijven die alvast in het diepe springen. Die zelf de regie nemen op de toekomst. Als Topsector Energie kunnen we dit soort pioniers helpen. Een mooi voorbeeld is de papierindustrie: kun je papier maken zonder water te hoeven verdampen? Technisch is dat heel lastig, maar wel dé interessante uitdaging. Want alleen het bestaande proces efficiënter maken is een platgetreden pad. Er zijn ook pijnlijke keuzes te maken: wat produceren we straks nog wel in Nederland en wat niet meer? Van welke industrie gaan we afscheid nemen? En is dat per se erg? Laten we niet investeren in het vergroenen van processen die niet passen in onze industrie van de toekomst. Een nieuw energiesysteem vraagt om risico’s Het nieuwe energiesysteem dat we aan het bouwen zijn kan niet stapje voor stapje. Zo’n nieuw systeem vraagt om risico’s nemen, radicaler (om)denken, moed en lef. Ook van de overheid. Als Topsector Energie zetten wij vol in op dit pad. We hebben beperkt zicht op wat de energietransitie in totaal kost en onderweg gaan we er alles doen wat nodig is. En het kan! Wind op zee kon nooit uit. Technisch te moeilijk, te duur. Maar zie daar: binnen een decennium hebben we hogere, grotere en meer turbines met een mega-opbrengst voor een prijs die niemand ooit mogelijk had gedacht. Hetzelfde geldt voor het cv-ketelbesluit. Daar heeft de overheid de sprong gewaagd om het vangnet voor warmtepompen te verstevigen, zodat de markt nu durft te springen in schaalvergrotingen die hun weerga niet kennen.Zonder crisis geen verhaal Achter de schermen zijn enorme veranderingen in voorbereiding. Het lijkt alsof er misschien weinig geïnnoveerd is in de industrie de afgelopen tien jaar, maar veel innovaties staan op het punt om uitgerold te worden. De hoge gasprijzen versnellen dit proces met een jaar of tien. Zo zegt TataSteel dat ze al in 2028 hun eerste hoogoven vervangen door een DRI-installatie (direct gereduceerd ijzer) die op waterstof draait. Dow en Shell liggen op koers om in 2025 en 2027 de eerste elektrische kraakfornuizen te demonstreren. Dat zijn enorme stappen. Bij andere industriesectoren is flexibiliteit (af- en opschalen van de productie) nu ineens voor veel bedrijven realiteit, waar dat vorig jaar alleen nog maar plannen op papier waren. De huidige energiecrisis is in die zin een brandoefening voor 2050. En: zonder crisis geen verhaal. Laten we met elkaar een open dialoog voeren over de toekomst van Nederland en de rol die onze industrie hierin heeft. Het doel is geen gedetailleerde handleiding, maar een levend verhaal dat we samen schrijven, met perspectief en impact.