Deze zomer bezocht ik Suriname. Eén en al groen: 93 procent van het landoppervlak is natuur. De jungle klinkt als een oneindig doorgaand koor, vol krekels, vogels en apen. Inheemse dorpen liggen verscholen tussen muren van groen, kinderen spelen aan rivieroevers. En in het natuurreservaat Galabi, dat ik ook bezocht, vind je ‘s werelds grootste kraamkamer van zeeschildpadden. Op veel plekken lijkt de tijd stil te staan.
Maar toch… overal waar je kijkt, zie je plastic. Coca-Cola-flessen poseren tussen de lianen alsof ze ook op vakantie zijn. Fanta-flesdoppen glanzen als tropische bloemen. Zelfs in de traditionele marrondorpen zie je veel afval. En bij de zeeschildpadden op het strand.
Pijnlijk om te zien. Zo was er bijvoorbeeld een schildpad die zich de hele tijd bezeerde aan scherp plastic bij het toedekken van haar eieren. Een dilemma voor de lokale ranger: ingrijpen met het risico de schildpad weg te jagen, of het broedproces niet verstoren met een beschadigde poot als gevolg?
We stikken in wegwerpverpakkingen
De grote vraag is natuurlijk: wie is er verantwoordelijk voor al dat rondslingerende plastic en wie ruimt het op? Suriname zelf is CO2-negatief, maar wordt ondermijnd door wegwerptroep uit wereldwijde productieketens.
De cijfers zijn schrikbarend. Werd er in 1950 nog twee miljoen ton plastic geproduceerd, in 2020 consumeerde de wereld liefst 547 miljoen ton plastic. Naar verwachting zal de jaarlijkse plasticproductie tot 2040 nog met 70 procent groeien. Bijna de helft van het plastic dat we nu gebruiken bestaat uit verpakkingen. We creëren een wereld die langzaam stikt in haar eigen wegwerpverpakkingen.
De oude industrie won
De plastictop in Genève had uitkomst kunnen bieden. Daar moest het gebeuren: een mondiale rem op de productie, een verbod op giftige chemicaliën en een volledige levenscyclusaanpak. Meer dan honderd landen stonden klaar om een akkoord te tekenen. Maar algauw ging het mis.
De Verenigde Staten schaarden zich openlijk aan de kant van Saoedi-Arabië en Koeweit. Samen blokkeerden ze harde afspraken en dwongen de onderhandelingen de afgrond in. Twee voorstellen kwamen op tafel, beide kapotgelobbyd en weggestemd.
Logisch dus dat de onderhandelaars woedend de gesprekken verlieten. Kleine eilandstaten spraken van een ‘abject failure‘. Waar de wereld een andere afslag had kunnen nemen, zagen we een capitulatie aan de oude industrie. De olie- en plasticlobby won, ten koste van de planeet en ons allemaal.
De jungle betaalt
Het is onverteerbaar dat het de productie van het plastic dat elke dag weer in Suriname aanspoelt, en op zo veel andere plekken in de wereld, ongehinderd door gaat. Wat kunnen we doen?
Terwijl de grote oliemaatschappijen al dat plastic in de wereld blijkbaar prima vinden, is er iets waar zij wél gevoelig voor zijn: het koopgedrag van consumenten. Voorlopig lijkt daar dus de enige haalbare oplossing te liggen. Wij, die anders kopen. Want elke fles plastic die we niet kopen, komt niet in het milieu terecht. En elke keer dat we voor herbruikbaar materiaal kiezen helpt ook.
Natuurlijk, dat voelt uiterst klein, maar elk stuk rondslingerend stuk plastic is er één te veel. Dus neem die eigen waterfles mee en laat de verpakkingen meewegen in je koopbeslissing. Ruim het zwerfvuil op dat je buiten tegenkomt. Maak er een gewoonte van. Volg de tips van het Wereld Natuur Fonds om je eigen plasticgebruik te verminderen. Anders wordt plastic de enige ‘soort’ die overleeft.
De natuur kan zich verdedigen tegen stormen en droogte, kan herstellen van branden en boskap. Maar tegen plastic heeft het geen verweer. En daar betalen we allemaal een prijs voor.
Nancy Kabalt heeft ruim twintig jaar ervaring in de energiesector en was onder andere algemeen directeur van netbeheerder Stedin. Inmiddels is ze als toezichthouder betrokken bij diverse energiebedrijven, zoals FastNed en Sympower. Ze is ook oprichter van consultancy- en interimbedrijf Windkracht5.



