Eigenlijk was econoom Paul Schenderling absoluut niet van plan om weer een boek te schrijven. Het is nog niet zo lang geleden dat zijn vorige uitkwam: Er is leven na de groei, een pleidooi voor economische stabilisatie. Met zijn denktank is hij volop bezig dat gedachtegoed te laten landen. Plus, hij is druk met zijn jonge gezin, zijn kinderen van twee en zes.
Maar toen kwam de Italiaanse oud-premier en voormalig ECB-president Mario Draghi op 9 september 2024 met een lijst van niet minder dan 383 aanbevelingen om de tanende Europese concurrentiekracht aan te pakken. In het jaar dat volgde, kwam de Europese Commissie met een hele rits maatregelen, met het Draghi-rapport als leidraad.
Schenderling zat het van een afstand te bekijken en zich ongelooflijk te ergeren.
‘Kort samengevat stelt Draghi grootschalige industriepolitiek voor, de industrie deels laten draaien op staatssteun, wat schreeuwend duur is voor de belastingbetaler’, zegt hij. ‘Ter aanvulling zwakt de commissie onze milieu- en sociale normen af. Terwijl er nog een derde optie is, waarbij we zowel onze industrie als onze hoge ESG-standaarden kunnen behouden – mits we een andere handelspolitiek gaan voeren. We moeten af van het systeem van hyperglobalisering waarin Europa vastzit. Maar die optie kwam niet eens op táfel.’
Dus heeft hij die strategie zelf uitgewerkt in Continent van de kwaliteit (ondertitel: Hoe Europa een eigen economische koers kan varen), dat deze maand verschenen is. Uit frustratie – tussen het idee en het boek dat voor ons op tafel ligt, zit slechts een jaar. Daarin schetst de econoom hoe Europa ten onder gaat aan de ‘doorgeslagen’ liberalisering van de wereldhandel.
‘Het is heel makkelijk om goederen, diensten en kapitaal over landsgrenzen te verplaatsen, maar bijna onmogelijk om daar normen aan te stellen’, zegt Schenderling. ‘En zonder normen belanden we in een soort Wilde Westen. Daar zijn we eigenlijk al.’
Maximale druk uitoefenen
De Chinese shoppingapp Temu staat volgens Schenderling voor veel, zo niet alles, wat er mis is met ons handelssysteem. Dat begint volgens hem met de manier waarop de online marktplaats met zijn verkopers omgaat. Temu heeft geen eigen voorraad, fabrikanten verkopen hun producten via het platform rechtstreeks aan de consument. Maar denk niet dat verkopers ook maar iets te zeggen hebben over de voorwaarden waarop dat gebeurt, vertelt Schenderling.
‘Temu werkt met een omgekeerd veilingsysteem: het bedrijf ‘veilt’ een opdracht en toeleveranciers mogen daarop bieden. Bij een normale veiling wordt de productprijs opgedreven, hier gaat het er juist om de prijs zo ver mogelijk naar beneden te krijgen. Waardoor die leveranciers bijna gedwongen worden om zich onder de kostprijs in te schrijven en vervolgens, als ze de order krijgen, die kunstmatig lage prijzen waar moeten zien te maken.’
Ze moeten wel. Schenderling: ‘Temu is enorm machtig en in de positie om producenten tegen elkaar uit te spelen. Er wordt maximale druk uitgeoefend om tot het laagste punt te komen. Dat punt hebben we nog niet eens bereikt. China wordt alweer te duur, dus zijn grote Chinese partijen bezig om kledingfabrieken in Ethiopië te bouwen.’ De rekening komt bij de fabrieksmedewerkers te liggen. Schenderling: ‘In het kielzog van het reverse auction-systeem is een circus ontstaan van zwaar onderbetaalde dagloners, die van de ene naar de andere fabriek worden gedreven, afhankelijk van welke partij de order krijgt.’
De andere verliezer is de aarde zelf, die gebukt gaat onder de onafgebroken stroom goedkope spullen en spulletjes die via platforms als Temu, Shein en AliExpress de wereld over worden gestuurd. Een groot deel van de handstofzuigers, telefoonhoesjes en jurken die je voor een paar euro op deze platforms kunt bestellen, wordt vanuit de fabrieken rechtstreeks naar Europa gestuurd.
Vorig jaar kwamen er op die manier 4,6 miljard pakketjes van onder de 150 euro de EU binnen, de drempel om iets in te voeren zonder invoerrechten te betalen.
Dumping op Europese markt
Dat is de tweede reden dat Schenderling een hekel aan Temu heeft. Die eindeloze stroom pakketten zet het verdienmodel van Europese bedrijven onder druk, in het bijzonder dat van het midden- en kleinbedrijf. ‘Europese multinationals – Amerikaanse trouwens ook – hebben hun productie al lang en breed naar het mondiale zuiden verplaatst’, zegt hij. ‘Maar het mkb produceert veelal binnen Europese grenzen en heeft zich dus aan Europese regels te houden.’

Hyperglobalisering was voor Europa de laatste strohalm om extra economische groei te creëren, stelt Paul Schenderling. ‘Die beslissing komt nu als een boemerang terug.’ Foto: Wouter Keuris
Terwijl uit steekproeven van toezichthouders blijkt dat 85 tot 95 procent van de miljarden producten in die Chinese pakketjes niet aan die regels voldoen – omdat ze dat ook niet hóéven.
Voor de Europese industrie is dezelfde vergelijking te maken. Bijvoorbeeld voor onze staalsector, die nauwelijks kan concurreren met de enorme hoeveelheden goedkoop Chinees staal die hier worden afgezet. Dumping, zegt Schenderling. ‘Grootschalige import onder de kostprijs, mogelijk gemaakt door staatssteun, kunstmatig lage lonen en het niet meenemen van de milieukosten.’
Het is hyperglobalisering in optima forma – en Europa heeft het zichzelf aangedaan. ‘Na de Tweede Wereldoorlog werden we wakker met een enorm trauma én een gigantische industriële overcapaciteit. De oorlogseconomie was niet meer nodig, maar de industrie die we daarvoor hadden opgetuigd, moest wel blijven draaien. We hadden er toen voor kunnen kiezen om die industrie stapsgewijs af te bouwen. In plaats daarvan lieten we de fabrieken die materialen voor bommen en granaten leverden, voortaan kunstmest maken en gingen vliegtuigbouwers weer auto’s maken. Die spullen hadden allemaal een bestemming nodig.’
De eerste dertig jaar loste Europa dat binnen eigen grenzen op, stelt hij, door van haar burgers consumenten te maken. Consumenten die met gerichte marketingacties werden geprikkeld om steeds nieuwe spullen te kopen, producten die bovendien werden ontworpen om steeds minder lang mee te gaan. ‘Toen dat niet meer afdoende bleek, was hyperglobalisering de laatste strohalm om extra economische groei te creëren.’
Handelsbeleid hervormen
Die beslissing komt als een boemerang terug nu China precies hetzelfde met Europa doet. We staan erbij en kijken ernaar, zegt Schenderling. ‘De kaalslag is al veertig jaar bezig. De elektronicasector is al grotendeels weg, staal en chemie staan onder druk, de productie van zonnepanelen, windmolens en batterijen is vrijwel volledig naar China verplaatst. Als het speelveld eerlijk zou zijn, zou ik daar niet zoveel problemen mee hebben. Maar dat is het niet.’
Het is goed dat Europa dat nu ook beseft en actie onderneemt. Maar pak de bron van het probleem dan aan, betoogt de econoom, en hervorm het handelsbeleid. Te beginnen met een heffing waarmee de prijzen van producten die binnen en buiten de EU zijn geproduceerd, worden gelijkgetrokken bij de grens.
Dat is geen nieuw idee: zo’n heffing is er al in de vorm van het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM), feitelijk een CO2-correctie aan de grens. ‘Maar die geldt voor zes producten’, zegt Schenderling. ‘We moeten veel verder gaan.’

De econoom pleit voor een heffing die het ‘exacte equivalent’ is van de kosten die bedrijven die spullen importeren niet hoeven te maken, en Europese bedrijven wel. ‘Laat bedrijven maar aantonen dat ze aan onze regels voldoen met de juiste certificaten. En doen ze dat niet, dan moeten ze bij de grens afrekenen.’
Hij rekent het voor met een trui van een niet nader te noemen Spaans modeconcern, die in Azië is gemaakt en in de winkel 30 euro kost. ‘Daar zit voor 2 euro aan loonkosten in. Volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens mag een werkweek maximaal 48 uur duren en heeft iedere werknemer recht op een leefbaar loon, een salaris waarmee in de basisbehoeften kan worden voorzien.’
Reken maar dat de mensen die de trui hebben gemaakt, meer uren werken en minder verdienen, vervolgt hij. ‘Volgens deze vereisten zouden de loonkosten ongeveer 3 euro hoger moeten zijn, een prijsstijging van 10 procent. Als we daarnaast minimale eisen zouden hanteren voor de levensduur van de trui of het materiaalgebruik, bijvoorbeeld in de vorm van een heffing op polyester, komt daar nog eens 10 tot 20 procent bij.’
Gevolg is wel dat Europeanen 10 euro meer moeten betalen voor die trui. Terwijl we – Schenderling schrijft het zelf – hier ‘verslaafd zijn geraakt’ aan goedkope spullen. ‘Maar we zijn niet alleen consument’, zegt hij. ‘We zijn ook werkgever van al die miljoenen mensen in het mondiale zuiden. We zijn voorouders van de generaties na ons, die ook op deze aarde willen leven. En we zijn burgers, die nu toestaan dat onze democratie wordt ondermijnd door oneerlijke concurrentie van buitenaf – wat de bedrijven hier er weer toe aanzet om onze resterende democratische regels kapot te lobbyen.’
Concurreren op klimaat
Hoe mooi dat appèl ook klinkt: wie gaat dat de koopverslaafde Europeanen vertellen, op een manier die beklijft? Van de politiek hoef je zo’n boodschap niet te verwachten, weet Schenderling. ‘De politiek volgt het maatschappelijke middenveld. Daar moet de verandering vandaan komen: van een brede coalitie waarin alle belangen zijn vertegenwoordigd.’
Daarvoor is het volgens de econoom vooral belangrijk dat de industrie en het mkb ervan doordrongen raken dat de Europese ESG-regels geen last zijn, maar juist voor ze kunnen werken.
‘De normen versoepelen levert op korte termijn misschien een voordeel op’, zegt hij. ‘Maar in de toekomst moet Europa toch echt zijn geld gaan verdienen met een klimaatneutrale en circulaire economie. Door daar nu al strenge normen voor te stellen, creëert de EU een concurrentievoordeel voor de eigen bedrijven. Europa móét gaan concurreren op het klimaat en de cirulaire economie. Als we dat nalaten, gaat China er met de buit vandoor. De regering van Xi Jinping weet ook dat onze hulpbronnen eindig zijn en sorteert daar nu al op voor.’
Quota als bewezen innovatiemotor
Zijn oplossing: quota. Dat hebben we al in de vorm van het ETS-systeem, dat werkt met een maximumhoeveelheid emissierechten en een afbouwpad voor de CO2-uitstoot. Ook het gebruik van grondstoffen, water en land en de uitstoot van toxische stoffen als chemicaliën en plastics moeten op die manier aan banden worden gelegd, vindt Schenderling. ‘Daardoor is er voor al die circulaire bedrijven die nu worstelen ineens een businesscase.’
Het is bewezen effectief, vervolgt hij. Kijk maar naar het Montreal-protocol. Dat verdrag stamt nog uit de tijd dat het ‘gat in de ozonlaag’ de grootste vijand van de mens was en werd gesloten om ozonafbrekende CFK-gassen uit te faseren.
‘Een huzarenstukje, want die CFK’s – koelelementen – zaten zo ongeveer in elke koelkast’, vertelt Schenderling. ‘Dankzij dat quotum kwam in het bedrijfsleven een enorme creatieve kracht vrij en lukte het om CFK-vrije koelkasten te ontwikkelen, iets wat niemand eerder voor mogelijk had gehouden. Wij hadden nog een oudje thuis, ik heb ‘m net vervangen. Ik kan je vertellen: deze is veel beter, energiezuiniger en ook nog mooier.’
Dit artikel verscheen oorspronkelijk op MT/Sprout.




