Wilke Wittebrood
10 juli 2025, 14:00

NRG2fly pioniert met laadnetwerk voor de luchtvaart: 'We gaan belachelijk veel vliegen, maar wel elektrisch'

Elektrisch vliegen verre toekomstmuziek? Over vijf jaar kan dat al binnen een groot deel van Europa, stelt luchtvaartondernemer Merlijn van Vliet. Zijn startup NRG2fly bouwt aan een landelijk laadnetwerk. ‘Het is eenvoudiger om een lader op een vliegveld neer te zetten, dan een vliegveld te bouwen bij een lader.’

NRG2fly Merlijn van Vliet Naast luchtvaartondernemer is Merlijn van Vliet ook piloot. Zoon Fedde vliegt regelmatig mee voor een (elektrisch) ritje. | Credits: NRG2fly

Tot een paar jaar geleden was Merlijn van Vliet, partner bij NRG2fly, een marketingman. Hij had een reclamebureau, dat hij in 2018 verkocht. Achteraf maar goed ook, vertelt hij lachend. Zijn jongste zoon vindt zijn vorige werk namelijk ‘hartstikke stom’. ‘Die zegt: wat deed je eigenlijk met dat reclamebureau? Niemand vindt reclames leuk. Iedereen wil ze skippen.’

Inmiddels doet Van Vliet iets totaal anders. Eerst werd hij piloot, eigenlijk vooral uit liefhebberij, en al vliegend werd hij zo door de luchtvaart gegrepen, dat hij nu meebouwt aan oplossingen om de industrie schoner en stiller te maken. En stom of niet, Van Vliet weet dankzij zijn marketingachtergrond wel perfect hoe je dat verhaal goed overbrengt. Zo bleek toen hij vorige week de Transition Award van Change Inc. kreeg uitgereikt, in de categorie mobiliteit. Eén zin uit zijn pitch bleef in het bijzonder hangen. ‘Elektrisch vliegen begint op de grond.’

Want elektrische vliegtuigen kunnen natuurlijk pas vliegen als ze zijn opgeladen. En daar hoopt Van Vliet met NRG2fly een cruciale rol in te gaan spelen. Samen met brancheorganisatie Electric Flying Connection bouwt de startup aan een landelijk dekkend laadnetwerk voor elektrische vliegtuigen. Als dat lukt, is het wereldwijd straks de eerste in zijn soort.

Europa streeft naar een klimaatneutrale luchtvaart in 2050. Elektrisch vliegen kan een belangrijk deel van de oplossing vormen, stelt de ondernemer. En volgens hem zijn we al veel verder dan de meeste mensen weten. Er komen grote elektrische vliegtuigen aan, waarmee je afstanden tot 500 kilometer kunt afleggen. ‘Dat is over een kleine vijf jaar al mogelijk.’

Elektrisch vliegen klinkt als verre toekomstmuziek, maar is dus eigenlijk heel dichtbij?

‘Er zijn zelfs al elektrische vliegtuigen in de lucht. Op dit moment is er een gecertificeerd elektrisch toestel, de Velis Electro van Pipistrel. Daarvan vliegen er zeven in Nederland, die samen goed zijn voor 50 procent van alle elektrische vliegbewegingen wereldwijd. Ons land is momenteel dus de absolute koploper op dit gebied.

De Velis Electro is een tweezitter die een uur kan vliegen, ofwel zo’n honderd kilometer. Maar ondertussen werken allerlei bouwers aan de ontwikkeling van grotere modellen die langere afstanden kunnen afleggen. Vaeridion is zo’n bedrijf, een Duitse startup met Nederlandse roots. Ook met een Nederlander aan het roer, Ivor van Dartel.

Vaeridion ontwikkelt bijvoorbeeld vliegtuigen die negen mensen kunnen vervoeren en ongeveer 500 kilometer kunnen afleggen. Daarmee kun je 30 procent van alle korte afstandsvluchten binnen Europa ondervangen.’

Wat is de rol van NRG2fly in dat plaatje?

‘Voor elektrisch vliegen is een nieuw soort infrastructuur nodig. De basis ligt er al, in de vorm van 4.200 luchthavens, verspreid over heel Europa. Die worden nu gebruikt voor de traditionele vorm van vliegen. Stel dat we daar laders neer kunnen zetten. Dan kunnen we al die punten met elkaar verbinden. Ik zeg altijd dat het eenvoudiger is om een lader op een vliegveld neer te zetten, dan een vliegveld te bouwen bij een lader.

We zijn met vrijwel alle Nederlandse luchthavens in gesprek, en inmiddels ook met de eerste partijen in Duitsland. Met drie vliegvelden zijn we al concreet aan de slag. Op de luchthavens van Teuge en Lelystad staan al laders, in Den Helder komen die eraan.’

Hoe elektrificeer je een vliegveld?

‘Het verschilt per locatie. Bij luchthaven Teuge, waar ook onze E-Flight Academy gevestigd is, hebben we de hele locatie verduurzaamd. Daar staan vijf Pipistrel-toestellen. Die vliegen op zonne-energie, die wordt opgewekt door 504 panelen op het dak van de hangar. Die panelen zijn aangesloten op een accu van 500 kilowattuur, vier vliegtuigladers van 44 kilowatt en tien autoladers van 11 kilowatt.

Stroom die we zelf niet verbruiken, wordt teruggeleverd aan het net. Daarmee fungeert de luchthaven ook als energiehub. Deze oplossing zou je idealiter overal willen. Vrijwel alle bedrijven hebben last van netcongestie, luchthavens zijn daarin geen uitzondering. Wij zijn op zoek gegaan naar een stand-alone oplossing, een compleet onafhankelijk systeem. Dat kan alleen niet overal, in Lelystad was wel een netaansluiting nodig. Daar wordt gevlogen op groen opgewekte stroom uit de omgeving.’

De jury van de Transition Awards zegt over NRG2fly dat het bedrijf de ‘broodnodige infrastructurele oplossingen biedt voor een technologie die nog niet in de markt is’. Hoe overtuig je luchthavens van een oplossing die in principe alleen nog op papier bestaat?

‘Niet. We gaan niemand overtuigen, daar ben ik al een tijdje mee gestopt. We doen dit met een coalition of the willing, mensen die voor zich zien dat het anders kan. Volgens de transitiewetenschap heb je voor een verschuiving naar een nieuwe norm slechts 25 procent van de groep nodig. Wat betreft elektrisch vliegen, durf ik wel te stellen dat we in Nederland richting zo’n kantelpunt gaan. Ons land telt vijf grote en elf luchthavens, en daarvan zijn er al drie aan boord. Dat is al bijna 20 procent.’

Merlijn van Vliet (midden) tijdens de uitreiking van de Transition Awards: ‘We doen dit met een coalition of the willing, mensen die voor zich zien dat het anders kan.’ Foto: Jaap Beyleveld

Dat gaat om kleinere regionale vliegvelden. Hoe zit het met de grote jongens: Schiphol, en de luchthavens van Eindhoven en Rotterdam?

‘Nou, ik wil niet zeggen dat zij niet bij de coalition of the willing horen. Maar deze partijen zijn groter, de belangen ook, en dat maakt het complexer. Waarmee ik niet wil zeggen dat ze er niet mee bezig zijn. Dat zijn ze allemaal. Maar zonder specifieke namen te noemen – voor veel luchthavens is de onzekerheid rondom elektrisch vliegen momenteel nog te groot.

Wanneer de eerste elektrische passagiersvliegtuigen exact op de markt komen, hoe ze er precies uit zullen zien en wat het businessmodel gaat worden, dat is op dit moment nog niet compleet duidelijk. En voor een idee dat nog niet helemaal af is, krijgen de verantwoordelijken de handen in hun organisatie helaas nog niet op elkaar.’

Loop je als pionier ook tegen andere uitdagingen aan?

‘Bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat pleit ik al jaren voor gratis landingsgelden voor elektrische vliegtuigen. Voor de luchthaven van Teuge, waar drie op de tien vluchtbewegingen elektrisch is, is dat een van de grootste kostenposten. Als je dat gratis maakt, stimuleer je andere luchthavens ook om elektrisch vliegen meer te gaan omarmen.

Inmiddels weet ik dat je dan in een kip-ei-discussie verzandt. Beleidsmakers willen eerst bewijs dat zo’n maatregel werkt. Het enige wat ik ze kan vertellen, is dat je in Amsterdam een tijdje voorrang op een parkeerplaats kreeg als je een elektrische auto aanschafte. Voor ‘gewone’ auto’s was er een jarenlange wachtlijst. In mijn straat verschenen toen ineens heel veel EV’s.’

Nog even terug naar de 9-zitters van Vaeridion. Dat staat toch niet in de verhouding tot de honderd passagiers die in een KLM Cityhopper kunnen?

‘Er zijn grotere toestellen in de maak. De Zweedse luchtvaartfabrikant Heart Aerospace en het Nederlandse Maeve werken aan modellen met respectievelijk 30 en 80 zitplaatsen. Die zijn hybride en hebben dus ook een groter bereik; Heart Aerospace kan tot 800 kilometer vliegen, Maeve tot 2100 kilometer. Het eveneens Nederlandse Elysian ontwikkelt een 90-zitter die minstens 800 kilometer kan vliegen op batterijen en in 2033 operationeel moet zijn.

Dan wordt het interessant voor commerciële partijen, want op die manier hoeven ze hun businessmodel niet aan te passen. Ze kunnen gewoon hun vloot vervangen. Dat is de makkelijkste manier om te veranderen, al denk ik niet dat dat de weg is. Het hele businessmodel zal op de schop moeten. We moeten op een andere manier gaan vliegen.’

Hoe zie je dat concreet voor je?

‘Ik pak de kaart met lijnverbindingen van KLM uit 1933 er vaak als voorbeeld bij. Als je in die tijd ergens heen vloog, van Amsterdam naar Zürich bijvoorbeeld, moest dat altijd met een paar tussenstops. Ik voorzie dat lange afstandsvluchten in de toekomst veel duurder gaan worden en point-to-point vliegen – kortere afstanden, met minder passagiers – goedkoper.

Elektrisch vliegen gaat veel goedkoper worden, dat zien we nu ook al gebeuren met elektrische auto’s. En daarmee gaat die optie voor reizigers ook populairder worden, ook als dat betekent dat ze een aantal tussenstops maken om op hun bestemming te komen. Consumenten laten zich uiteindelijk altijd leiden door hun portemonnee.

Ik heb veel respect voor de activisten van Extinction Rebellion en mensen die zich hard maken voor minder vliegreclames. Die hebben we nodig om de problemen in de luchtvaart aan te stippen, maar ik denk dat er geen enkel toekomstscenario is waarin we minder gaan vliegen. Sterker nog, ik denk dat we belachelijk veel gaan vliegen.’

Lees ook:

Mark Harbers (Techniek Nederland): ‘We komen technici tekort voor verduurzaming’

U bent net begonnen als voorzitter van Techniek Nederland. Wat zijn uw eerste indrukken?‘Het is een dynamische branche die zich razendsnel ontwikkelt, met creatieve en inspirerende ondernemers. Er is veel innovatie. De techniekbranche speelt een belangrijke rol in tal van transities. We hebben te maken met grote en kleine problemen, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, stikstof en netcongestie. Genoeg belangrijk werk te doen dus.’Netcongestie is een steeds groter probleem. Wat kan de technieksector doen?‘Netcongestie staat de verduurzaming van Nederland in de weg. Maar er zijn oplossingen mogelijk, ook als je geen nieuwe of grotere aansluiting op het net kunt krijgen. Bedrijven kunnen bijvoorbeeld verduurzamen door efficiënter te werken, door minder energie te verbruiken dus. Dat creëert ruimte voor andere activiteiten of bedrijven. Ondernemingen kunnen samenwerken in energiehubs en schaarse netcapaciteit delen. In al die gevallen heb je inzicht in het energieverbruik voor nodig, en dus veel data. Bij die analyses en de invoering van energiemanagementsystemen kunnen techniekbedrijven helpen.’Gebeurt dat in de praktijk ook?‘Onvoldoende. Want netbeheerders zijn vaak huiverig om gedetailleerde data te delen. Ze zijn bang dat ze privacywetgeving overtreden. Het is aan de overheid om daar duidelijke richtlijnen voor te geven. Bedrijven hebben data nodig over patronen van energieverbruik, dat is niet privacygevoelig. Dat is nu niet helder genoeg. We laten kansen liggen.’Hoeveel impact zou het hebben als we die kansen verzilveren?‘Als we bestaande technieken op grote schaal inzetten, dan kunnen we 25 procent van de netcongestie oplossen. Natuurlijk moet het netwerk ook verzwaard worden, maar we weten dat dat vele jaren gaat duren. In de tussentijd kunnen we met andere oplossingen die moeilijke jaren zo goed mogelijk proberen door te komen. We kunnen energiehubs inrichten, energiemanagementsystemen gebruiken, bedrijven kunnen hun elektriciteitsvraag verschuiven en/of hun piekbelasting afvlakken. De techniek is er gewoon. Er komt een nieuwe manier van werken, van flexibel energieverbruik op basis van data-analyse. Dat wordt door de omstandigheden afgedwongen, omdat het de enige manier is om zonder zwaardere netaansluiting te ondernemen.’Wat is er nodig om die 25 procent te realiseren?‘Een helder verdienmodel. Er zijn meer financiële prikkels nodig om flexibel energieverbruik te stimuleren. Er zijn belemmeringen, zoals complexe regelgeving, waar we vanaf moeten. Dat is nodig om de mogelijkheden die er zijn flink op te schalen. Ik zeg tegen de overheid: ga daarover met ons in gesprek. Wij hebben de kennis over het energiesysteem, van de apparatuur en de systemen en we zijn de enige sector die daadwerkelijk bij bedrijven en huishoudens over de vloer komen. Wij weten wat er speelt.’Interviewserie Horizon - Hoe versnellen we de duurzame transitie en welke barrières staan in de weg? In de interviewserie Horizon spreekt Change Inc. met ceo’s die aan de frontlinie staan van verandering. Over de dilemma’s die ze tegenkomen, de afwegingen die ze maken en de kansen die ze zien om hun sector én bedrijf duurzamer te maken.In deze serie verscheen eerder:Michael Jongeneel (bestuursvoorzitter FMO): 'Als je klimaatrisico’s gaat ontkennen, schiet je jezelf financieel in de voet' Dyonne Rietveld (Uniper Benelux): ‘Je ziet nu langzaam de acceptatie indalen dat we de klimaatdoelen niet gaan halen’ Marije Hulshof (CEO Royal HaskoningDHV): ‘We willen en kunnen meer doen, dus waarom niet?’ ACM-topman Martijn Snoep: 'We staan echt niet met een knuppel te wachten tot iemand de klimaatregels overtreedt' Manon van Beek (TenneT): 'De Noordzee kan de nieuwe energiecentrale van Europa worden'Grote en kleine problemen zegt u. Wat zijn kleine problemen?“Groot of klein, dat zijn relatieve begrippen. Een probleem kan voor de samenleving klein zijn, maar voor een ondernemer groot. De techniekbranche heeft te maken met uitdagingen die niet iedere dag de krant halen, maar die ondernemers wel hard kunnen raken. Zoals de CO-certificering. Bedrijven die een gasverbrandingsinstallatie willen kunnen onderhouden, hebben een CO-certificering nodig. Dat is nodig om koolmonoxidevergiftiging tegen te gaan. Hartstikke goed natuurlijk, maar het probleem is dat de handhaving onvoldoende is. Ondernemers die geïnvesteerd hebben in een certificaat ontdekken dat er bedrijven zijn die dat niet hebben gedaan en toch opdrachten binnenhalen. Dan ontstaat er oneerlijke concurrentie, en bovendien het risico op koolmonoxide-incidenten. Waar heb je dan beleid voor? Als de overheid met regels komt, moet ze ook zorgen voor goede handhaving.’U komt uit de Haagse beleidswereld. Hoe verschilt die wereld van de praktijk van de branchevereniging?‘Dat is natuurlijk wel een verschil, hoewel ik pretendeer dat ik als minister in Den Haag niet in een ivoren toren zat. Ik zie het als de taak van een branchevereniging als Techniek Nederland om beleidsmakers scherp te houden. Het gaat erom duidelijk te maken waar bedrijven in de praktijk mee te maken hebben. Beleidsregels worden meestal met de beste bedoelingen opgesteld, maar in de uitvoering kan er van alles misgaan. Dat moet de politiek dan vanuit de branche terughoren, zodat ze kunnen bijsturen.Wat ik als minister wel wist, maar wat ik nu in de praktijk aan den lijve ondervind, is hoe belangrijk consistent beleid is. Dat heeft deze branche ondervonden toen met één pennenstreek de verplichting voor hybride warmtepompen werd geschrapt. Of kijk naar de salderingsregeling. Geef ondernemers nou de tijd om aangekondigd beleid goed uit te voeren in plaats van prematuur aan het stuur te draaien. Ik heb met ondernemers gesproken die fors geïnvesteerd hebben in de voorbereiding op de verplichte warmtepomp. Als je tien mensen hebt aangenomen om warmtepompen te gaan installeren, kom je bedrogen uit als beleid ineens weer op de schop gaat. Die ondernemer heeft de helft van die mensen weer moeten laten gaan. Dat zijn ingrijpende gebeurtenissen waar politiek Den Haag soms te lichtvaardig mee omgaat.’Mensen laten gaan is ingrijpend, en dat terwijl uw branche al jarenlang een schreeuwend tekort heeft aan arbeidskrachten?‘Het personeelstekort is inderdaad bij heel veel bedrijven nijpend. Als bedrijven te weinig mensen hebben, kunnen ze minder werk uitvoeren dan waar vraag naar is. Er zijn dus klanten die projecten niet uitgevoerd krijgen. Het probleem is dat we in Nederland jarenlang te weinig mensen hebben opgeleid. We hebben te weinig geïnvesteerd in onderwijs. We hebben vakmanschap te weinig gewaardeerd. Het imago van de branche is gelukkig verbeterd. Inmiddels komt 70 procent van de nieuwe medewerkers via zij-instroom. We staan klaar met om- en bijscholing. En we zetten in op modern werkgeverschap, want als het om arbeidsvoorwaarden gaat, is niet alleen het salaris belangrijk. Het gaat erom mensen te boeien, te binden en te begeleiden. Want de afgelopen periode is er veel geïnvesteerd in nieuwe instroom, maar als de achterdeur open staat, gaan er ook weer veel mensen weg.Maar zelfs als we er 100 procent in slagen om meer mensen te werven, dan nog hebben we te weinig capaciteit om alle verduurzamingsambities in Nederland waar te maken. Techniek speelt een sleutelrol in tal van transities. Om dat allemaal voor elkaar te krijgen moeten we daarom óók inzetten op een forse verhoging van de arbeidsproductiviteit. Kunstmatige intelligentie - AI - kan ons helpen. Robotisering en industriële productie van apparaten en onderdelen kunnen een rol spelen. Data en analyse zijn belangrijk, want je kunt aan efficiency winnen door precies op het juiste moment onderhoud te plegen, in plaats van te vroeg of te laat. Over al die nieuwe toepassingen en mogelijkheden die de productiviteit vergroten, wordt nu volop gesproken in de verschillende vakgroepen die we hebben.Het karakter van het werk gaat veranderen. Je was installateur, je wordt energieregisseur. Daar moet ook in het onderwijs meer aandacht voor komen. Als de IT-component groter wordt, dan wordt het techniekvak ook aantrekkelijker voor scholieren en studenten.’Het werk voor mensen is aan het veranderen, hoe werkt dat door in de sector als geheel?‘Die regiefunctie zie je ook op sectorniveau ontstaan. Voorheen was de technieksector volgend op de bouwsector. Er werden kantoren, bedrijfshallen of woningen gebouwd, en dan kwamen wij er achteraan om kabels te trekken en stopcontacten te plaatsen. Nu zijn we veel meer een strategische partner aan het worden. Bouwbedrijven hebben door dat het zinvol is om ons in een vroeg stadium te betrekken bij projecten. Want alles wat er aan techniek in een gebouw zit, is bepalend voor het comfort dat de gebruikers er ondervinden. Bovendien blijven wij vanwege het onderhoud gedurende de hele levensduur betrokken bij gebouwen. Als je dan vanaf het ontwerp betrokken bent, kun je best practices delen en werken aan nieuwe standaarden.Bij de ontwikkeling van energiehubs is dat ook zichtbaar. Het begint met het opdoen van praktijkervaring en vervolgens het opstellen van standaarden. Dan is het zaak om met financiers en beleidsmakers tot eenduidige regels te komen. Samen met opdrachtgevers proberen we te zorgen voor heldere specificaties en transparante aanbestedingen. Uniforme technische en juridische kaders klinken misschien saai, maar zijn onmisbaar om energiehubs grootschaliger en sneller toe te passen.’Met welke dilemma’s krijgt u in deze sector te maken?“Er zijn legio dilemma’s. Bij de toepassing van nieuwe technologie is bijvoorbeeld telkens de vraag: hoeveel menskracht, tijd en geld maak je ervoor vrij terwijl je te weinig mensen hebt? Gedurende de transitie wil je mensen opleiden om warmtepompen te installeren, maar er zullen zeker tot 2050 nog cv-ketels op aardgas zijn. Hoe zorgen we dat we tegen die tijd nog steeds technici hebben die verstand hebben van techniek die weliswaar uitgefaseerd wordt, maar die wel nog veilig moet opereren? Wij hebben hiervoor ook bij de MBO Raad aandacht gevraagd: hoe werven we enerzijds mensen voor de nieuwe beroepen van de toekomst, zonder uit het oog te verliezen dat de transitie een proces van de lange adem is en bestaande competenties nog lang nodig zijn.’Klimaatverandering rukt op. De druk om de transitie te versnellen neemt toe. Hoe zorgt ook uw sector voor draagvlak voor de transitie in de samenleving?‘De energietransitie is niet alleen een technische overgang, maar ook een sociale transitie. Dat moeten we altijd voor ogen houden als het om draagvlak gaat. Wat is de financiële impact van maatregelen voor bedrijven en huishoudens? Je krijgt mensen mee als je je communicatie op orde hebt en duidelijk maakt wat de voordelen zijn. En die voordelen zijn er. De energietransitie maakt ons als land minder afhankelijk van buitenlandse regimes. Elektrificatie maakt het leven vaak comfortabeler. De voordelen zijn ook financieel van aard. Zo blijkt uit een rapport van het Centraal Plan Bureau dat 90 procent van de huishoudens met een warmtepomp er financieel op vooruit gaat. Bovendien wordt de energierekening voorspelbaarder. En ja, daar moet af en toe de straat voor open. Dat moeten we er als samenleving voor over hebben. Dat moeten we helder uitleggen zonder eromheen te draaien.’Er komen weer verkiezingen aan. Waar zou een nieuw kabinet op moeten inzetten?‘Duidelijkheid en stabiliteit. Ik zou graag zien dat een nieuwe coalitie zich niet alleen bezighoudt met de vraag wat er allemaal moet veranderen, maar zich vooral bezighoudt met de uitvoering van alles dat al is afgesproken. Ga daar niet aan morrelen. Er zijn altijd betere ideeën mogelijk, maar als je iedere dag een beter idee hebt, komt er van uitvoering niets terecht, en sta je aan het eind van de rit met lege handen. Soms is het betere de vijand van het goede.’Bedrijven willen enerzijds stabiliteit, maar anderzijds ook nieuw beleid. Ministeries klagen weleens dat dat niet consistent is.‘Stabiliteit betekent niet dat je niets kunt veranderen. Op nieuwe ontwikkelingen moet je reageren. De situatie voor wind op zee is nu bijvoorbeeld wezenlijk anders dan drie jaar geleden. Doordat alles duurder is geworden, is het gerechtvaardigd nu opnieuw subsidies te overwegen. Net zoals het verslechterende vestigingsklimaat, dat is een ontwikkeling die om aandacht vraagt. De energiekosten zijn in Nederland erg hoog. Daar heeft ook onze branche last van, want door een slecht vestigingsklimaat dreigen investeringen op te drogen. Het stikstofdossier vraagt ook eindelijk om een oplossing. Er is een lijstje met grote vraagstukken die om nieuw beleid vragen. Dat is iets anders dan de verplichting voor de warmtepomp afschaffen om budgettaire redenen.’Als u vooruit kijkt naar 2030, welke zaken wilt u dan gerealiseerd hebben?‘Dan wil ik met Techniek Nederland hebben bijgedragen aan de oplossing van netcongestie. Hopelijk hebben we de instroom van nieuwe medewerkers minstens op het huidige peil weten te houden, maar door aantrekkelijker onderwijs hoop ik een plusje te kunnen bereiken. We gaan ook proberen de instroom beter vast te houden, want in de huidige concurrerende arbeidsmarkt is de uitstroom te groot. Tot slot hoop ik dat we een goed evenwicht tussen urgentie en uitvoering kunnen vinden. De energietransitie moet snel, maar niet iedereen kan op dezelfde dag een warmtepomp krijgen. We zitten in een transitie, dat betekent ook dat we de tijd moeten nemen om te veranderen. Om de uitvoering behapbaar te houden, is een samenspel nodig met overheden, netbeheerders, bouwbedrijven en de industrie. Daarbij zijn de technieksector en Techniek Nederland onmisbaar.' Lees ook:Shampoo, verf en plastics maken zonder aardolie? Deze ondernemers zien kans voor groene methanol uit afval Fairphone wil nieuwe markt aanboren met rebranding: ‘Alleen duurzaamheid is geen reden om een telefoon te kopen’ Hoe Bever en Hotel Jakarta miljoenen inlegzolen en slippers van kurk eindeloos laten recyclen