Jeroen de Boer
14 augustus 2025, 12:00

Nederlandse woningmarkt kan duurzame doelen in 2030 halen, ondanks tegenwerking van kabinet-Schoof

Het kabinet-Schoof heeft veel gunstige overheidsmaatregelen voor de energietransitie op de woningmarkt beperkt of afgeschaft. Toch is er een goede kans dat Nederland de doelstellingen voor de verduurzaming van de huizenmarkt in 2030 haalt, blijkt uit een nieuw rapport.

nieuwbouw energielabel Nieuwbouwhuizen zijn vaak standaard energiezuiniger door de hoge isolatiewaarde, zonnepanelen en warmtepompen. | Credits: Getty Images

De Nederlandse woningmarkt moet op basis van Europese afspraken in 2050 CO2-neutraal zijn. Dat betekent dat de energievoorziening van woningen tegen die tijd geheel uit koolsfofarme of hernieuwbare bronnen moet bestaan. Een enorme opgave, vooral omdat oudere woningen nog sterk afhankelijk zijn van verwarming met gas. Toch lijkt het te gaan lukken om de door de EU voorgeschreven tussendoelen voor 2030 te gaan halen.

Dat is best opmerkelijk, blijkt uit een donderdag verschenen analyse van ABN AMRO over de energietransitie op de woningmarkt. Het energiebeleid voor de woningmarkt van het kabinet-Schoof heeft de afgelopen jaar juist tégen versnelde verduurzaming van woningen gewerkt.

Zo heeft het kabinet een eerder voorgestelde maatregel om bij de aanschaf van een nieuwe cv-ketel de installatie van een hybride warmtepomp verplicht te stellen, geschrapt. Hybride warmtepompen zijn vooral geschikt voor oudere woningen, waar volledig van het gas af gaan vaak lastig is, mede vanwege beperkte isolatiemogelijkheden. 

Een overheidsmaatregel die veel heeft geholpen bij de elektrificatie van woningen met duurzame energie is de salderingsregeling voor zonnepanelen. Het kabinet-Schoof heeft echter besloten de salderingsregeling vanaf 2027 volledig af te schaffen. Dat kan het behalen van de EU-doelen in gevaar brengen, omdat het meer onzekerheid geeft over de financiële planning van huishoudens, schrijven de analisten van ABN AMRO.

Doelen voor verduurzaming woningmarkt in 2030

Nederland is gebonden aan de Europese richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen (EPBD) en het kabinet-Rutte IV heeft op basis daarvan in 2022 een aantal tussendoelen gesteld:

  • Alle nieuwe woningen moeten vanaf 2030 voldoen aan de hoogste energie-efficiëntienormen en in principe emissievrij worden gebouwd;
  • Bestaande gebouwen met de laagste energielabels moeten worden gerenoveerd. In 2030 zou dat voor 2,5 miljoen woningen klaar moeten zijn, ofwel 40 procent van de woningvoorraad. Het gaat dan om 1 miljoen huurwoningen en 1,5 miljoen koopwoningen;
  • Vanaf 2027 moeten woningen met een energielabel G of slechter worden gerenoveerd tot minimaal label C;
  • Vanaf 2030 moeten alle woningen met een energielabel F of slechter worden gerenoveerd tot minimaal label C.

Een aanvullend doel was de installatie van ten minste 1 miljoen hybride warmtepompen in 2030, maar dat is niet bindend vastgelegd.

Hoewel het beleid van het kabinet-Schoof niet gunstig is geweest voor de versnelde verduurzaming van oudere woningen, verwachten de analisten van ABN AMRO dat Nederland in 2030 toch op koers kan liggen om de woningvoorraad energiezuiniger en duurzamer te maken. Dat heeft met vier dingen te maken.

#1 Sloop oude woningen en groei nieuwbouw

Omdat nieuwbouwwoningen per definitie aan hogere eisen voor de energiezuinigheid en duurzaamheid moeten voldoen, zorgt vernieuwing van de woningvoorraad voor een verbetering van de gemiddelde energie-efficiëntie. In onderstaande tabel is te zien dat nieuwere woningen steeds minder afhankelijk zijn van gasverbruik en zuiniger zijn qua elektriciteit.

Bron: ABN AMRO

Als nieuwbouw gesloopte oude woningen vervangt, heeft dat een sterk effect op het energieprofiel van de woningvoorraad. In 2020 was ongeveer 57 procent van alle Nederlandse woningen gebouwd voor 1980 en dus mogelijk niet energiezuinig. Inmiddels is dat gedaald tot 54,4 procent.

‘Als we deze trend van veranderingen extrapoleren, zal het aandeel woningen die voor 1980 zijn gebouwd in 2030 nog steeds meer dan 50 procent bedragen. Tegelijkertijd zal het aandeel nieuwe, emissievrije woningen ongeveer 5,5 procent bedragen’, schrijven de analisten van ABN AMRO. De komende jaren zal dus veel afhangen van de mate waarin Nederland erin slaagt om voldoende nieuwe woningen bij te bouwen.

#2 ISDE-subsidies voor warmtepompen en zonneboilers 

Een belangrijke subsidie voor de isolatie van woningen en de inzet van warmtepompen en zonneboilers is de ISDE-regeling. Daar is de afgelopen jaren veel gebruik van gemaakt, vooral voor het plaatsen van dubbelglas, vloerisolatie en de aanschaf van warmtepompen.

De analisten van ABN AMRO merken wel op dat er in de eerste maanden van 2025 sprake is van krimp van verduurzamingsuitgaven op basis van de ISDE-regeling. Dit jaar is deze regeling op bepaalde punten versoberd vergeleken met 2024. De vraag is dus wat een nieuw kabinet na de verkiezingen van 29 oktober voor beleid gaat voeren met de ISDE-regeling.

Bron: ABN AMRO

#3 Huishoudens doen zelf veel aan verduurzaming

Een onderliggende reden voor het lichte optimisme over de verduurzaming van de woningmarkt, is dat de analisten verwachten dat de verbetering van energielabels trendmatig blijft stijgen. Dat is te zien in onderstaande tabel, waarbij de groene vlakken de geschatte opmars van de hoge energielabels A, B en C weergeven in de periode tot 2030.

Bron: ABN AMRO

Al werkte het overheidsbeleid van het kabinet-Schoof niet mee, toch komen er de komende jaren steeds meer warmtepompen en zonnepanelen bij, is de verwachting. Het aanbod van warmtepompen en zonnepanelen blijft relatief hoog, wat kan zorgen voor lagere prijzen. De analisten van ABN AMRO denken dat dit meer prijsbewuste eigenaren zal aansporen om te verduurzamen.

#4 Energielabel huizen loopt achter op feitelijke duurzaamheid

De verbetering van energielabels kan bovendien een autonome groei laten zien,  doordat veel huiseigenaren hun label niet bijwerken nadat ze hun woning duurzamer hebben gemaakt. Flink wat woningen krijgen daardoor automatisch een hoger energielabel op het moment dat ze opnieuw worden gekeurd als een woning op de markt komt voor verkoop.

De grote uitdaging ligt volgens de analisten van ABN AMRO bij woningen met de lage energielabels F en G. Die moeten de komende jaren minimaal een label C krijgen. Dat zal niet vanzelf gaan, ook omdat het veelal huizen betreft waarin huishoudens met lagere inkomens wonen. Als de overheid die huishoudens niet helpt, worden sommige EPBD-doelen niet gehaald.

Lees ook:

Fast fashion lijkt niet te stoppen, maar er is hoop voor duurzame mode: 'Speelveld moet kantelen'

Loop.a.Life. Hemper. Ziel NL. The Next Closet. En nu ook: New Optimist. De lijst met failliete duurzame modemerken groeit gestaag. Soms komt er een doorstart, bijvoorbeeld in het geval van jeansmerk Kings of Indigo en recent textielrecycler i-did. Vaak ook niet. Textielbedrijf Byborre bestaat nog wel, maar focust zich met name op interieur en architectuur; kleding was veel moeilijker op te schalen.Ondertussen blijft fast fashion dominant. Volgens de European Environment Agency groeit de wereldwijde textielproductie de komende jaren van 109 miljoen ton in 2023 naar 145 miljoen ton in 2030. Dat kost veel land en water en zorgt voor enorme hoeveelheden broeikasgasemissies en watervervuiling. Geschat wordt dat textiel goed is voor 6 tot 8 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. En van de afgedankte kleding wordt slechts 1 procent gerecycled.Het moet anders. Maar hoe dan? Duurzame modemerken: groei kost tijd Sectorbankier retail Dirk Mulder van ING waarschuwt van tevoren: hij gaat geen rooskleurig beeld van duurzame mode schetsen. Ja, hij is zich terdege bewust van de vele mooie initiatieven om de industrie te hervormen. 'Maar het probleem is dat die erg kleinschalig zijn. Daardoor blijft duurzame kleding van kleine merken erg duur. De consument betaalt niet voor duurzaamheid alleen. Wil je de markt veroveren, dan heb je schaalgrootte nodig.'Die schaalgrootte is voor beginnende merken moeilijk te bereiken. Maar niet onmogelijk, weet hoogleraar Kim Poldner. Poldner houdt zich al twintig jaar bezig met duurzame mode, als onderzoeker én ondernemer. In die twintig jaar heeft ze duurzame merken zien komen en gaan.De meest succesvolle bedrijven zijn de bedrijven met de langste adem, valt haar op. 'Neem Veja, het eerste eco sneakermerk ter wereld. Toen zij twintig jaar geleden begonnen had niemand van biologisch katoen gehoord. Nu zijn ze een succesvol, populair bedrijf dat de sector echt beïnvloedt.'In Nederland is er bijvoorbeeld Joline Jolink, een ontwerper die duurzame mode maakt en sinds kort zelf hernieuwbare grondstoffen ontwikkelt op haar 'fashion farm' in Welsum. En i-did, dat oplossingen zoekt voor restpartijen textiel van grote bedrijven. Het maakte onder meer vilten Eftelingvlaggetjes en KLM-blauwe tassen, beide uit oude bedrijfskleding. I-did werd in juli failliet verklaard, maar maakte in dezelfde maand een doorstart bekend.Wat al die bedrijven gemeen hebben is dat ze veerkrachtig zijn, analyseert Poldner. Joline Jolink is ruim achttien jaar geleden met haar bedrijf begonnen, i-did twintig. 'Ze zijn langzaam, organisch gegroeid, met vaste partners en veelal eigen middelen. Als de sales even tegenzitten, kunnen de bedrijven daartegen.New Optimist volgde juist een ander groeimodel. Hoge ambities, snelle opschaling, afhankelijk van investeerders. Ze hebben meteen ingezet op schaal. Wellicht heeft dat ermee te maken dat de oprichter uit de mainstream fashionwereld kwam en niet anders kende. Maar als je het echt anders wilt doen, moet je ook andere keuzes maken dan gebruikelijk is.' Een mooi merk verkoopt makkelijker dan een duurzaam merk Die andere keuzes hebben onder meer betrekking op het businessmodel. Succesvolle duurzame bedrijven richten zich volgens Poldner niet alleen op organische groei, maar ook op bijvoorbeeld een lage overhead. En ze zoeken naar alternatieve businessmodellen. 'Vinted laat perfect zien dat je geld kunt verdienen aan tweedehands kleding. En i-did, oorspronkelijk een kledingmerk, richt zich nu juist op het reduceren van het textielafval van andere bedrijven.'Ook de aantrekkingskracht van een merk bepaalt de overlevingskansen. Poldner: 'Kijk je naar Joline Jolink, dan zie je heel duidelijk haar waarden terug in haar communicatie. Ze heeft een persoonlijke relatie opgebouwd met een vaste klantenbasis.'Hoge prijzen hoeven ook volgens Mulder geen probleem te zijn, als het merk maar sterk genoeg is. 'Voor een merk met een hoge aantrekkingskracht zijn mensen bereid meer te betalen. Het is niet voor niets dat je meer geld neerlegt voor een Hugo Boss-broek dan voor een exemplaar van H&M. Je hebt een goede uitstraling, een hoge prijs/kwaliteit en een fijne pasvorm nodig. Duurzaamheid in de markt zetten is moeilijk, een mooi merk in de markt zetten is beter te doen. Vanuit die positie kun je grotere merken inspireren.' Duurzame mode afhankelijk van grote bedrijven Duurzame bedrijven zijn doorgaans innovatiever dan gevestigde merken, en zijn dan ook nodig om het goede voorbeeld te geven. Maar de vraag blijft of hun impact groot genoeg is om de hele industrie te veranderen. Voor een echte verandering zijn we afhankelijk van grote bedrijven die grote stappen durven te zetten, denkt Mulder. Het probleem: de mode-industrie zit gevangen in een niet duurzame productieketen. 'Als ik eerlijk ben, is de sector best wel verrot.'Dat heeft te maken met de gewoonten waarin grote merken vastgeroest zitten, legt Mulder uit. 'Kleding ontwerpen gebeurt met name in Europa en de Verenigde Staten. Omdat de productie zo goedkoop mogelijk moet zijn, besteden we dat uit naar landen in het verre oosten. Door die letterlijke en figuurlijke afstand zit er veel tijd tussen het ontwerp en de productie. Vaak moet de nieuwe collectie minstens een halfjaar van tevoren besteld worden. Dan zijn de hoeveelheden moeilijk in te schatten.'Het gevolg: er wordt standaard te veel kleding geproduceerd. En die wordt een volgend seizoen niet meer gebruikt, omdat dan de nieuwe collectie er alweer is. Tel daarbij op dat we steeds nieuwe setjes willen kunnen laten zien op sociale media, en je eindigt met een kledingoverschot in de keten én bij de consument.Kunnen grote merken uit dat verrotte systeem breken? Mulder: 'Tja. We zullen wel moeten. Op deze manier is het systeem niet houdbaar.' Maar de manier waarop vindt hij lastig, geeft hij toe. 'Op de korte termijn is een nieuw businessmodel voor grote modemerken vaak niet rendabel. Bovendien kost het hen veel geld om processen en kostenstructuren aan te passen. Een rigoureuze omslag is niet realistisch. We zullen steeds kleine stapjes moeten zetten richting een duurzamer systeem, waarin we kleding produceren die langere tijd gedragen kan worden en ook goed te recyclen is.' Strengere Europese wetgeving nodig Vanuit grote kledingbedrijven zelf gaat het initiatief waarschijnlijk niet komen. Mulder, die regelmatig duurzaamheidsrapporten van grote modemerken analyseert, ziet in de sector met name initiatieven voor transparantie en betere arbeidsmarktomstandigheden. Op klimaatimpact, onder andere door het verbeteren van de kwaliteit van kleding, wordt minder gefocust, laat staan op het verminderen van de kledingconsumptie.Merken die wel duurzame services als tweedehands kleding of een reparatieservice aanbieden, doen dat voornamelijk als marketingtool in plaats van serieus te onderzoeken hoe ze er daadwerkelijk geld mee kunnen verdienen, ziet de econoom. Poldner weet ook hoe dat komt: 'Zolang leiders er niet écht in geloven, komt er geen daadwerkelijke verandering.'Zowel Mulder als Poldner benadrukt daarom de belangrijke rol van strengere wetgeving. Overheden kunnen zowel het speelveld voor innovatieve bedrijven verbeteren als eisen stellen aan grote vervuilende bedrijven. 'De overheid is de spelverdeler', stelt Poldner. 'Die kan, bijvoorbeeld met wetgeving en subsidies, het speelveld kantelen. Zodat duurzaam de norm wordt in plaats van de uitzondering. Nu vallen duurzame bedrijven om omdat het systeem niet op hen is ingericht. We hebben een overheid nodig die minder poldert, maar met de vuist op tafel slaat.'Regels en wetgeving In Nederland zijn weinig concrete eisen voor het productieproces van textiel van kracht. Deelname aan het Textielverbond verplicht producenten bijvoorbeeld wel om te rapporteren over hun voortgang, maar stelt geen eisen aan de productie zelf. En in het Beleidsprogramma circulair textiel 2025–2030, eind vorig jaar gepubliceerd, wordt met name gesproken over nog lopende onderzoeken naar effectieve eisen.Vorig jaar is in Europa wel de nieuwe Ecodesign for Sustainable Products Regulation (ESPR) van kracht geworden. Die wordt naar verwachting dit of volgend jaar in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Daarbij horen ook een percentage verplicht recyclaat en eisen voor microplastics.Nederland heeft daarnaast concrete maatregelen getroffen als het gaat om de afvalverwerking van afgedankt textiel. Sinds juli 2023 geldt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) textiel, die producenten financieel verantwoordelijk maakt voor de afvalfase van hun producten. Producenten kunnen ook zich aansluiten bij een producentenorganisatie (PRO) die hier verantwoordelijkheid voor neemt. Voor textiel zijn er daarvan drie in Nederland.De Europese Unie werkt ook aan een textielstrategie die een UPV verplicht voor alle lidstaten. Nu hebben alleen Frankrijk en Nederland zo'n wet. Volgens Poldner is een EU-brede UPV echter pas in 2030 realistisch.Wetgeving kan bijvoorbeeld bestaan uit het verbieden van gratis retourzendingen, waardoor mensen minder kopen, en uit strengere kwaliteitseisen voor de geïmporteerde kleding uit China die de markt overspoelt. Als die ook worden gehandhaafd, wordt de concurrentie eerlijker. Hoewel we China ook niet helemaal de schuld kunnen geven, vindt Mulder: 'In feite hebben we Shein en Temu zelf gecreëerd. Eerst lieten we onze kleding in China maken, maar toen het elders nóg goedkoper werd, hebben we onze productie naar landen als Bangladesh en Pakistan verplaatst. China zat toen met een enorm capaciteitsoverschot.'Beide experts denken dat faciliterende wetgeving het beste werkt op Europees niveau. Poldner: 'We hebben in Nederland alleen al drie verschillende producentenorganisaties. Echt een doolhof. Stel je voor dat een bedrijf als H&M daarmee te maken heeft – en dan in elk ander Europees land weer met andere organisaties. Dat is niet te doen. Het moet uniformer.' Nieuwe technologie voor recyclen Naast wetgeving gaat ook technologische ontwikkeling volgens Dirk Mulder een rol spelen in het verduurzamen van de industrie. Nu wordt afgedankte kleding – als die niet wordt verbrand – vaak laagwaardig gerecycled. Er wordt dan geen nieuwe kleding van gemaakt, maar bijvoorbeeld isolatiemateriaal of deurmatten. Geavanceerdere technologie kan helpen om textieloverschotten goed te verzamelen, te sorteren en er weer nieuwe, goede vezels van te maken. Die kunnen dan gebruikt worden in nieuwe kleding.In Amsterdam staat sinds dit voorjaar een fabriek die zulke hoogwaardige recycling mogelijk maakt. In de fabriek van Brightfiber Textiles worden truien, broeken en t-shirts uit elkaar getrokken tot kwalitatieve vezels die verwerkt kunnen worden tot garen en stof. Naast de vervezelmachine staan er nog twee machines in de 'recyclestraat': een opschoner die ritsen, labels en knopen verwijdert, en een fijnsorteerder die de kleding volledig automatisch sorteert op materiaal en kleuren. Samen kunnen de machines zo’n 2,5 miljoen kilo textiel per jaar verwerken. Circulaire mode-industrie in 2050 Ondanks de vele initiatieven noemt Mulder een volledig circulaire mode-industrie in 2050 een 'utopie'. 'Daarvoor zit de industrie te erg gevangen.' Hij ziet beweging, maar wel langzaam. Zijn hoop is gevestigd op politieke actie en technologische ontwikkeling.Poldner is daarentegen voorzichtig positief. Ondanks de regelmatige teleurstellingen put ze hoop uit bedrijven, groot en klein, waar leiders zitten 'die het echt begrijpen en echt doen'. 'Ik heb de afgelopen twintig jaar zo veel moed en positieve ontwikkelingen gezien. En in de samenwerking met kledingfabrieken in bijvoorbeeld Bangladesh merk ik ook bij hen veel bereidheid en enthousiasme om anders te produceren. Ik geloof echt dat een circulaire mode-industrie haalbaar is. Maar het zal van iedereen veel vergen. Van de overheid, van producenten, en van ons als consumenten. We moeten ook het leiderschap in onszelf aanspreken.' Lees ook:Zijn Shein en Temu nog te stoppen? ‘Europa is veel te lief geweest, of eigenlijk te traag’ Deze start-up doet wat tot nu toe niet kon: kleding van katoen en polyester uit elkaar halen en recyclen Dankzij Thomas Plantenga is Vinted nu 5 miljard waard: ‘Hij kijkt heel ver vooruit’