De uitstoot van bepaalde stoffen veroorzaakt schade aan mens, natuur en de gebouwde omgeving. Mensen verliezen gezonde levensjaren, gebouwen worden sneller vuil en de biodiversiteit neemt af. Acht van de 189 stoffen die het PBL onderzocht zijn de grootste boosdoeners (zie afbeelding).
De sectoren die via de uitstoot van schadelijke stoffen voor de grootste financiële kostenposten zorgen zijn mobiliteit (13,7 miljard), landbouw (12,7 miljard) en industrie (9,6 miljard). Waar de totale schade van mobiliteit van 2018 tot en met 2022 daalde, steeg die van landbouw en industrie.
Het Planbureau ziet 46 miljard euro als ondergrens voor de werkelijke monetaire milieuschade. Over sommige stoffen, waaronder PFAS en ultrafijnstof, is nog te weinig bekend om zinvolle berekeningen te kunnen maken. Er is daarnaast puur gekeken naar verontreiniging van het milieu, niet naar bijvoorbeeld aantasting van landschap of bodemaantasting en schadelijke afvalresiduen.

Emissie-uitstoot van milieuverontreinigende stoffen.
Financiële waardering van milieuschade
Het PBL hanteert de schade van emissies uit het Handboek Milieuprijzen van CE Delft. Dat legt een relatie tussen emissies, de fysieke effecten op zogenoemde endpoints en de subjectieve waardering van de verandering van die effecten. Endpoints zijn de uiteindelijke effecten voor mens en natuur die worden veroorzaakt door emissies. Het schadebedrag gaat dus niet zozeer om die werkelijke schade, maar om de subjectieve financiële waardering van de schade – ofwel het verlies aan welvaart dat Nederlanders ervaren door milieuvervuiling.
Opvallend is dat de schade relatief mee is gestegen met het inkomen. In de zeven jaar sinds de vorige berekening zijn de emissies door klimaat- en milieubeleid juist gedaald, blijkt uit de meest recente cijfers. De daling van de emissies weegt alleen niet op tegen de stijgende prijs ervan.
Dat de schade hoger uitvalt komt onder meer door nieuwe wetenschappelijke inzichten. Zo heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2021 luchtkwaliteitsrichtlijnen aanzienlijk aangescherpt. Die ontwikkelingen zijn op zichzelf niet negatief.
Ook toegenomen zorgen over milieu en klimaat spelen een rol. Daardoor waarderen mensen de schade als ernstiger. ‘Sinds de coronapandemie gaan mensen vaker de natuur in’, noemt milieueconoom en PBL-onderzoeker Sander de Bruyn als voorbeeld. ‘De vraag naar een schoon milieu stijgt dus. Maar de hoeveelheid natuur neemt niet toe. Dan krijg je relatieve schaarste. Daardoor lopen de kosten op.’

Emissie-uitstoot per sector.
Quick wins in mobiliteit en landbouw
Om schade te beperken is het logisch om als eerste naar de vervuilendste sectoren te kijken, vindt De Bruyn. ‘Vooral de veeteelt stoot veel vervuilende stoffen uit, met name methaan en ammoniak. Methaan is een sterk broeikasgas. En emissies van ammoniak veroorzaken schade aan de natuur en zorgen voor secundaire aerosolen, die tot gezondheidsschade kunnen leiden. Met name minder koeien houden maakt daardoor een groot verschil.’ Elektrificatie van auto’s heeft daarnaast een dubbel effect: dat scheelt CO2 en NOx.
De milieueconoom vindt het daarnaast belangrijk dat vervuilers deze kosten op zich nemen. ‘In feite is de monetaire milieuschade een onbetaalde rekening. Nu betaalt de consument die. Dat is niet eerlijk. Vervuilers moeten verantwoordelijkheid nemen voor de maatschappelijke kosten van hun daden.’
De totale schade is 4,6 procent van het nationaal inkomen van Nederland. Een aanzienlijke hoeveelheid, vindt De Bruyn. ‘Het debat over defensie gaat over een kleiner deel. Dat wordt al gezien als een lastig bedrag om op te hoesten.’




