Redacteur Maaike
Maaike Kooijman
17 juli 2025, 15:56

Met 'recyclewinkels' maakt startup Droppie van afval haar businesscase

In steeds meer Nederlandse gemeenten mag je het plastic gewoon bij het restafval gooien. Het scheiden? Dat doet de afvalverwerker later wel. Maar dat bemoeilijkt hoogwaardige recycling, volgens de ondernemers achter Droppie. ‘Recyclewinkels’ zijn een alternatief.

Droppie heeft inmiddels tien recyclewinkels in Nederland Droppie heeft inmiddels tien recyclewinkels in Nederland. | Credits: Droppie

Om zijn middel zijn een stofzuiger en een leeg melkpak gebonden, aan zijn arm bungelen statiegeldblikjes. In totaal heeft het levende afvalstandbeeld 7,5 kilo afval op zijn lichaam: evenveel als de gemiddelde Hagenees in een week produceert.

De levende standbeelden staan er om afval ‘letterlijk op een voetstuk te zetten’. Dat is het uitgangspunt van Droppie, dat vandaag vier nieuwe recyclewinkels opent in Den Haag.

In de winkel is afval letterlijk geld waard: de consument krijgt betaald voor alle ingeleverde elektronica, textiel, plastic verpakkingen, drankkartons en frituurvet en kookolie. Kinderen grissen enthousiast producten van het lichaam van de man en rennen naar binnen om die in te leveren.

De levende standbeelden voor het nieuwe filiaal van Droppie

De levende standbeelden voor het nieuwe filiaal van Droppie. | Credits: Floor Besuijen

Twintig recyclewinkels van Droppie

Een jaar geleden opende Droppie haar eerste winkel in Amsterdam, met de vier Haagse vestigingen erbij zijn het er inmiddels tien. Daarmee zit het bedrijf in elk van de vier grote steden van Nederland. Aan het einde van het jaar moet het aantal winkels zelfs nog zijn verdubbeld. Opvallend, vooral omdat de trend in steden juist lijkt te zijn om de consument zo min mogelijk zelf te laten recyclen.

Maar het idee dat gemeenten het dan zelf wel doen, blijkt niet helemaal te kloppen. Zo recyclet de gemeente Amsterdam, die in 2021 stopte met het apart inzamelen van plastic, slechts 25 procent van de totale hoeveelheid afval.

Niet elke gemeente maakt die cijfers openbaar, al zegt de Haagse wethouder Arjen Kapteijns tijdens de opening van de Droppie-winkels wel dat ‘Den Haag nog ver is van waar het moet zijn’.

De recycling die wel plaatsvindt na uitsortering, is bovendien meestal laagwaardig, aldus Stef Traa, co-founder van Droppie. ‘Omdat het al vervuild is, kan een voedselverpakking nooit meer een nieuwe voedselverpakking worden. Dat heeft te maken met strenge eisen. Daarmee halen gemeenten de recycledoelen niet.’

Door afval te scheiden bij de bron wil Droppie wel hoogwaardige recycling mogelijk maken. Slechts 3 procent van het door de startup ingezamelde afval zit in een afvalstroom waar het eigenlijk niet thuishoort. Traa: ‘Dat komt vooral door ons directe contact met mensen. In de winkels en in onze app kunnen we hen vertellen wat er bijvoorbeeld wel en niet bij het plastic hoort. Voor de gemeente is dat onmogelijk.’

De gemeente Amsterdam koos er enkele jaren geleden juist voor om inwoners plastic niet meer zelf te laten scheiden, omdat Amsterdammers niet efficiënt genoeg waren.

Partners betalen voor ingezameld afval

Droppie heeft een business gemaakt van datgene waar de gemeente afhaakte: mensen aanmoedigen om zelf afval te scheiden. De gemeente is overigens wel een belangrijke partner, maar financiert niet mee. In plaats daarvan probeert het bedrijf zelfstandig een rendabel verdienmodel te bouwen. Traa: ‘Dat 85 procent van ons materiaal hoogwaardig gerecycled kan worden, maakt het heel interessant voor producenten die meer recycled materiaal willen of moeten gebruiken.’

Droppie heeft partners gevonden die betalen voor het ingezamelde afval. Deels vanuit eigen duurzaamheids- dan wel imagodoelstellingen, deels omdat ze onder de Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR) wettelijk verantwoordelijk zijn of worden voor de inzameling en verwerking van wat ze produceren. Verpact, dat verpakkingen inzamelt en recyclet namens producenten, is bijvoorbeeld zowel medefinancier als afnemer van Droppie.

Een kleinere inkomensstroom voor Droppie is de retail: in enkele winkels verkoopt de startup ook duurzame producten. Daarnaast werkt het bedrijf aan een datapropositie door al het ingeleverde materiaal te digitaliseren.

De 'dropbot' neemt het afval in en weegt het af

De ‘dropbot’ neemt het afval in en weegt het af. | Credits: Droppie

15 cent voor een kilo plastic

Droppie-klanten krijgen op hun beurt betaald voor wat ze inleveren: 20 cent voor een smartphone of laptop, 10 tot 15 cent voor een kilo textiel, plastic verpakkingen en drankkartons of frituurvet. Dat is niet per se de waarde van een product, maar vooral een beloning voor het inleveren, vertelt een medewerker. In de rij voor de ‘dropbot’ die het afval inneemt staat een man met een doorzichtige zak vol plastic afval. ‘Dat is bijna een kilo’, wijst Traa.

De vraag rijst of consumenten voor die paar cent hun afval komen inleveren. ‘Nee’, weet ook Traa. ‘Maar het gaat de meesten niet om het geld. Natuurlijk zijn er mensen die op zoek gaan naar blikjes en die hier komen inleveren, maar het gros van de mensen komt hier gewoon omdat ze het prettig vinden om hun steentje bij te dragen.’

Zelf woont Traa in Amsterdam. ‘Toen ik geen plastic meer kon scheiden, vond ik dat heel vervelend’, herinnert hij zich. In Den Haag is de hoop gevestigd op mensen met dezelfde overtuiging. ‘De gemeente is pas twee jaar geleden gestopt met het apart inzamelen van afval. Je ziet dat mensen het nog steeds gewend zijn om hun afval te scheiden. Die behoefte vullen wij in.’

Inclusief statiegeld tellen de filialen samen ruim zestigduizend ‘drops’. De app, die je nodig hebt als je iets wilt inleveren, heeft ruim 21.000 gebruikers.

Om de drempel te verlagen zoekt Droppie, in tegenstelling tot bijvoorbeeld milieustraten, locaties op centrale plekken waar mensen toch al komen. Hier in Den Haag bijvoorbeeld naast de Hoogvliet. Ook zitten er in elke winkel pakketkluizen van bijvoorbeeld PostNL, DHL en VintedGo.

‘Afhankelijk van je koopgedrag ben je daar al snel één, twee keer per week. Dan kun je net zo goed even je afval hier droppen’, vindt Traa. Bijkomend voordeel is dat het ook zwerfafval tegengaat. Droppie neemt bijvoorbeeld ook platte blikjes in.

Afval als businesscase

De eerste locatie van Droppie draait inmiddels break-even. Ook voor nieuwe locaties is het doel om binnen een jaar op dat punt te komen. Over winstgevendheid heeft Traa het nog niet. ‘Dat is nog niet realistisch in deze fase’, vindt hij. ‘We zijn amper een jaar oud. Voor winst heb je volume nodig, en dus gedragsverandering. Dat kost tijd. We willen nu vooral laten zien dat afval een goede businesscase kan zijn.’

Dat dat het is, weet hij vrijwel zeker. ‘Mensen weten ons steeds beter te vinden, ook in de winkels die pas net open zijn. We hebben hier in zes weken al een derde van de jaaropbrengst in Amsterdam aan plastic ingezameld. Den Haag is klaar voor Droppie.’

Lees ook:

Zigzagbeleid met wind op zee: wat een nieuw kabinet beter kan doen

Demissionair klimaatminister Sophie Hermans (VVD) wil de ambities voor de uitbreiding van windparken op zee voor de periode tot 2040 flink terugschroeven. De ideeën van een minister in een kabinet dat binnenkort verdwijnt, zijn op zich weinig relevant. Maar het zwalkende beleid rond de uitbouw van windenergie is wel tekenend voor een breder probleem. Het kabinet-Schoof mist duidelijk een integrale kijk op de duurzame transitie, waarin de overheid haar regierol serieus neemt. Dat is voor veel maatschappelijke partijen frustrerend, omdat de energietransitie voortdurend tegen marktfalen aanloopt. CO2-beprijzing: meest effectieve instrument Het meest doeltreffende instrument om de transitie richting duurzame energie te versnellen is zwaarder inzetten op CO2-beprijzing. Idealiter worden de opruimkosten van CO2-uitstoot simpelweg onderdeel van de prijzen van fossiele energie. Hiermee pak je het probleem van de zogenoemde 'externaliteit' aan: het feit dat de maatschappelijke kosten van CO2-uitstoot onvoldoende zijn verwerkt in individuele productprijzen.De huidige Europese CO2-prijzen van zo'n 70 euro per ton zijn te laag om bijvoorbeeld projecten voor opvang en opslag van CO2 rendabel te maken. Daarvoor heb je veelal prijzen van rond de 150 euro tot 200 euro per ton CO2 nodig, blijkt uit een recent rapport van adviesbureau Deloitte.Een fors hogere CO2-prijs kan veel uitmaken. Er is immers een dubbel voordeel: je stimuleert technologie om uitgestoten CO2 op te ruimen en maakt tegelijkertijd CO2-intensieve energie (kolen, olie, gas) relatief duurder vergeleken met duurzame energie.Energie uit wind en zon wordt daarmee relatief een stuk goedkoper. Zo versnellen ook de verdere elektrificatie van het totale energieverbruik en de verduurzaming van de industrie. Een dergelijke fiscale maatregel kan het speelveld dus drastisch veranderen. Hogere CO2-prijs politiek lastig haalbaar De politieke realiteit is dat ambitieuze beprijzing van CO2 alleen op Europees niveau kan werken. Dat bleek onlangs weer uit het besluit van het kabinet-Schoof om onder druk van de zware industrie een specifieke Nederlandse CO2-belasting te schrappen. Dat gebeurde net op het moment dat de Nederlandse CO2-belasting substantieel hoger dreigde te worden dan de Europese CO2-prijs.Een belangrijke opgave voor een volgend kabinet wordt daarom om binnen de nationale kaders een integraal beleid op te zetten dat rekening houdt met zowel de aanbod- als de vraagkant van de energietransitie. Als je dat toepast op windenergie zou het fijn zijn als er wat systematischer wordt gekeken naar een tweesporenbeleid voor enerzijds makkelijke oplossingen voor de korte termijn en anderzijds moeilijke problemen voor de langere termijn. Versnellen windenergie op korte termijn Demissionair minister Hermans heeft voorgesteld om te mikken op minimaal 30 gigawatt aan windcapaciteit op zee in 2040, in plaats van de 50 gigawatt die eerder de ambitie was. Het achterliggende rapport, getiteld Windenergie Infrastructuurplan Noordzee, schetst een aantal scenario's voor de ontwikkeling van vraag en aanbod van windenergie op de langere termijn. Dat geeft een aardig beeld van hoe je moeilijke en minder lastige problemen uit elkaar kunt trekken.In vrijwel alle scenario's is het uitgangspunt dat de ontwikkeling van het elektriciteitsgebruik van de gebouwde omgeving, binnenlandse mobiliteit, landbouw en de minder energie-intensieve industrie zorgt voor voldoende vraag om te mikken op 30 gigawatt aan vermogen voor wind op zee in 2040. In dit verband zou het logisch zijn om op de korte termijn oplossingen te implementeren die ervoor zorgen dat zowel de aanbod- als de vraagkant voldoende worden gestimuleerd.Aan de aanbodzijde zijn hiervoor diverse opties, waaronder zogenoemde contracts-for-difference. Daarbij compenseert de overheid private exploitanten van windparken als stroomprijzen onder een vooraf bepaald minimumniveau zakken. Aan de andere kant mag de overheid overwinsten afromen als de prijzen boven een bepaald maximum stijgen. Onder meer het Verenigd Koninkrijk maakt gebruik van deze vorm.Aan de vraagzijde kan gedacht worden aan corporate power purchase agreements om meer zekerheid te bieden in de vraag naar windenergie vanuit bedrijven. Het gaat dan om langetermijncontracten tussen ontwikkelaars van windparken en in dit geval bedrijven die stroom afnemen, waarbij meerjarige afspraken gemaakt worden over vaste prijzen en af te nemen volumes van windenergie.Het ligt eveneens voor de hand om in elk geval tijdelijk een verdere stimulans te bieden voor elektrificatie. Dat kan bijvoorbeeld met subsidies voor warmtepompen en elektrische auto's, aangevuld met steun voor thuisbatterijen om bijvoorbeeld stroom van zonnepanelen efficiënter te benutten. Afhankelijk van de kostprijsontwikkeling kan worden gekeken hoelang subsidies noodzakelijk zijn. Gedurfde keuzes voor moeilijke problemenUit het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee blijkt dat de onzekerheid over de uitbreiding van wind op zee met name voortkomt uit twee dingen: de elektriciteitsvraag van de energie-intensieve industrie en de haalbaarheid van de grootschalige productie van groene waterstof met windenergie. Dat roept de vraag op hoe je industrieën meekrijgt die voor hun productieprocessen zwaar afhankelijk zijn van fossiele energie. Dat lukt alleen als de overheid de regie pakt bij systeemverandering.Een interessante aanzet hiervoor kwam afgelopen juni van het Sustainable Industrie Lab (SIL), een denktank die zich richt op een duurzame transformatie van de industrie. Zo kun je aan de aanbodzijde denken aan een openbaar nutsbedrijf voor groene elektriciteit en groene waterstof voor de fase waarin marktpartijen nog te veel risico's zien. 'De kapitaallasten zijn laag en centrale planning geeft de beste garantie op voortgang', aldus de analyse van SIL voor de basisindustrie in de periode tussen 2025 en 2040.Andere gedurfde ideeën van de denktank omvatten een voorstel om grote Nederlandse olieraffinaderijen samen te brengen in een consortium dat gezamenlijk werkt aan koolstofconversie (het benutten van CO2 om nieuwe producten te maken), een publieke entiteit die als inkoopplatform voor waterstof kan dienen en een landelijke coördinator die zich richt op groene stroom, groene waterstof en infrastructuur. Dit alles schreeuwt om overheidsbeleid dat consistentie biedt voor de lange termijn, terwijl politieke partijen sterk de neiging hebben om niet veel verder te kijken dan tot de volgende verkiezingen. We moeten hopen dat er na de Kamerverkiezingen van 29 oktober politici zijn die uitstijgen boven de waan van de dag en daadwerkelijk aan de slag gaan met de grote uitdagingen waar Nederland voor staat.Lees ook:Deze slimme financiële constructie kan voor een win-win zorgen voor windparken op zee én de Nederlandse industrie Opmerkelijk: 5 grafieken die laten zien hoe China iedereen voorbij snelt met zonne- en windenergie Windenergie laten groeien: hoe Frans Timmermans wil bereiken, wat het kabinet-Schoof naliet