De omwenteling van het wereldwijde energiesysteem die nodig is om de opwarming van de aarde af te remmen, kent geen precedent in de geschiedenis. Denken dat het makkelijk is om volledig over te stappen op CO2-arme energiebronnen met een verwijzing naar vermeende historische ‘energietransities’ is dan ook gevaarlijk, stelt de Franse economisch historicus Jean-Baptiste Fressoz: ‘Het geeft een vertekend beeld van de ongekende uitdaging waar we voor staan.’
In zijn boek Sans Transition: une nouvelle histoire de l’énergie, in het Engels vertaald als More and More and More, keert Fressoz zich tegen het idee dat er de afgelopen driehonderd jaar sprake is geweest transities waarbij hout als energiebron plaatsmaakte voor kolen, en kolen voor olie en gas. Met als implicatie dat we zonder al te veel moeite een overstap kunnen maken naar hernieuwbare energiebronnen.
Door de voortdurende stijging van de energievraag en het gebruik van grondstoffen is juist geen sprake geweest van energietransities, maar van een stapeling, waarbij nieuwe energiebronnen bovenop oude zijn gekomen.
Fressoz benadrukt dat er naast concurrentie tussen energiebronnen veelal ook sprake is van symbiose, ofwel wederzijdse afhankelijkheid. Neem een windmolen die hernieuwbare energie produceert: die bestaat uit een constructie van beton en staal, waarvan de productie zwaar leunt op het gebruik van kolen. Dus zonder het verbranden van kolen geen nieuwe windmolens. Hetzelfde geldt in nog veel sterkere mate voor elektrische auto’s die staal en andere CO2-intensieve materialen bevatten.

Eonomisch historicus Jean-Baptiste Fressoz. Credits: Huesca, CC BY-SA 4.0 via Wikimedia Commons
Change Inc. sprak met Fressoz, die op 30 september in Amsterdam is voor een debat, over zijn pleidooi voor een realistische kijk op het functioneren van het mondiale energiesysteem.
Sans Transition bevat een citaat uit een klimaatconferentie in 1979. Toen werd gesteld dat de gevolgen van klimaatverandering tegen het midden van de 21e eeuw significant konden worden, maar dat er genoeg tijd zou zijn voor een heroriëntatie van de wereldeconomie en het energiesysteem. Vandaag de dag zijn er significante gevolgen van klimaatverandering, terwijl de wereld absoluut gezien meer fossiele brandstoffen verbruikt dan ooit. Wat zegt dat over de waarde van prognoses over energie en klimaat?
‘Wat me vooral opviel bij dit citaat was het fundamenteel verkeerde begrip van de dynamiek van het energiesysteem, van technologie en de consumptie van grondstoffen. Het idee dat je in een paar decennia alles compleet kunt veranderen.
Ik moet er wel bij zeggen dat er aan het eind van de jaren zeventig juist ook een besef ontstond van de onvermijdelijkheid van klimaatverandering. Veel experts kregen door dat we de opwarming van de aarde kunnen vertragen, maar dat dit een gigantische uitdaging zou worden. Begin jaren tachtig heeft de Amerikaanse Environmental Protection Agency dat heel duidelijk geformuleerd in een rapport. Het is best wel schokkend als je dat terugleest.
De tragiek is dat toen het besef doorbrak hoe serieus klimaatverandering zou worden, er ook een alternatieve visie opkwam, gebaseerd op het idee dat het energiesysteem heel flexibel was en dat je dingen met innovatie vrij makkelijk kon ombuigen. Aanvankelijk was dat een marginaal gebeuren, maar het is een zeer ongelukkig toeval geweest dat die misleidende en aantoonbaar onjuiste opvatting de overhand kreeg.’
Meer hernieuwbare energie én meer olie, kolen en gas
Als je kijkt naar de ontwikkeling van de zogenoemde primaire energieconsumptie in de wereld in de afgelopen 25 jaar, is duidelijk te zien dat vrijwel alle energiebronnen zijn gegroeid. De onderstaande grafiek laat zien dat de mens in 2024 zo’n 175.000 terawattuur aan primaire energie verbruikte, ofwel 65.000 terawattuur méér dan in het jaar 2000. Die groei is opgevangen door een combinatie van CO2-arme energiebronnen (groene blokken) én fossiele energie (grijze blokken).
Een kanttekening die je kunt maken, is dat primaire energie geen rekening houdt met verliezen in de vorm van warmte bij de omzetting van de ene energievorm naar de andere. Als je de nadruk legt op ‘nuttig gebruik’ van energie, dan is het bijvoorbeeld efficiënter om stroom van wind en zon te converteren in bewegingsenergie voor een elektrische auto, vergeleken met een verbrandingsmotor die benzine omzet in bewegingsenergie, maar daarbij ook flink wat ‘nutteloze’ warmte produceert. In beginsel kun je daarom bij voortschrijdende elektrificatie van het energiesysteem op een efficiëntere manier omgaan met primaire energie. In de bovenstaande grafiek is een gedeeltelijke correctie aangebracht voor energie-efficiëntie, maar dit geeft nog geen heel precies beeld van nuttig gebruik van energie.
Waarom blijkt het keer op keer extreem lastig om twee belangrijke oorzaken van klimaatverandering – de groei van de wereldwijde grondstofconsumptie en het verbruik van fossiele brandstoffen – aan te pakken?
‘Dat is een grote vraag, maar het heeft kort gezegd te maken met basale factoren: consumptiegroei, groei van de wereldbevolking en economische groei van niet-westerse landen na 1980, waarbij je er niet omheen kunt dat het armere deel van de wereld toen al simpelweg veel groter was dan het rijke deel.
Het heeft geen zin om daar moraliserend over te doen. Als je in 1979 de baas van de Communistische Partij in China bent en je wilt het land elektrificeren, terwijl zonnepanelen op dat moment nog erg duur zijn, heb je weinig andere keuzes dan inzetten op kolen, heel veel kolen. Chinese functionarissen kondigden destijds aan dat ze mikten op een groei van de Chinese kolenconsumptie richting de 3 miljard ton per jaar: ongeveer evenveel als de volledige wereldconsumptie van kolen begin jaren tachtig! Iedereen kon toen begrijpen dat klimaatverandering serieus zou worden.’
India is met 1,4 miljard inwoners het volgende land dat voor basale voorzieningen als snelwegen, huizen, auto’s en ijskasten voor de middenklasse veel staal, plastic en cement nodig heeft. Hoe valt dat te rijmen met doelen om de uitstoot van broeikasgassen aan te pakken?
‘Dat valt niet te rijmen. Als je met analisten bij de International Energy Agency praat, geven die aan dat een belangrijke onzekere factor in hun modellen het economische groeitempo van India is. Natuurlijk is er sprake van enige ontkoppeling dankzij de opkomst van hernieuwbare energie en technologische vooruitgang in bredere zin. Tegelijk is het tempo van economische groei nog altijd ontzettend belangrijk.
Voor een opkomende economie als India is het onzin om te stellen dat er geen verband is tussen economische groei en CO2-uitstoot. Vanuit klimaatperspectief gaat vooral meetellen of het economische groeitempo van India de komende decennia rond de 3 procent per jaar uitkomt, of meer richting de 10 procent per jaar gaat. Dat maakt enorm veel uit.’
Gebruik van grondstoffen is dramatisch gestegen
De welvaartsgroei in de wereld is tot nog toe onlosmakelijk verbonden met een toenemend gebruik van grondstoffen. Zolang er niet iets fundamenteel verandert op dat vlak, is het narratief van transities in de optiek van Fressoz misleidend. In de onderstaande grafiek is te zien dat het mondiale verbruik van grondstoffen in 2024 op een recordniveau van 107 miljard ton lag, ofwel zo’n 50 miljard ton méér dan in het jaar 2000.
Per wereldburger lag het grondstofverbruik afgelopen jaar op ruim 13.000 kilo, tegen iets meer dan 9.000 kilo begin deze eeuw. Ofwel: met inmiddels 8 miljard mensen op aarde zijn we per persoon méér grondstoffen gaan gebruiken dan met de 6,3 miljard aardbewoners van begin deze eeuw.
Intussen zie je vooral in China dat de elektrificatie van de eindvraag van energie toeneemt, dat het land fors investeert in hernieuwbare energie uit zon en wind, en dat China flinke stappen zet met batterij-opslag en uitbreiding van het stroomnet. Energiedenktank Ember spreekt in dit verband van een ‘elektrotech revolutie.’
‘Voor de duidelijkheid: ik ben niet tegen verdere groei van hernieuwbare energie en elektrificatie. Maar China is een wereld op zich en je moet wel goed blijven kijken naar wat dat betekent voor het energiesysteem als geheel en voor de mondiale broeikasemissies.
Stel bijvoorbeeld dat je in eerste instantie de totale huidige elektriciteitsconsumptie in de wereld ‘fossielvrij’ maakt met CO2-arme energiebronnen. Een grove calculatie laat zien dat dit gepaard gaat met zo’n 50 miljard ton aan CO2-uitstoot voor de bouw van capaciteit aan zonnepanelen, windmolens, enzovoorts. Dat komt neer op iets meer dan één jaar aan wereldwijde CO2-uitstoot, maar op zich zou die investering zeker de moeite waard zijn.
De vraag is dan: wat doe je met die elektriciteit? Als je daarmee bijvoorbeeld stroom wilt leveren voor 1,5 miljard auto’s (de wereld telt momenteel naar schatting ruim 1,5 miljard auto’s, waarvan minder dan 100 miljoen elektrisch, red.), dan heb je enorm veel staal nodig voor een mondiaal elektrisch wagenpark, met een grote CO2-voetafdruk.
Met vergroening van de staalindustrie kun je misschien in sommige westerse landen een start maken als je flinke subsidies geeft, maar in opkomende landen gebeurt dat echt niet binnen afzienbare tijd op voldoende schaal. Het probleem van CO2-reductie ligt dus niet bij de eerste paar miljard ton die je aan uitstoot bespaart. Het zit in het stuk daarna. En dat moet niet worden onderschat, zeker omdat in dit voorbeeld verdere groei van de energieconsumptie nog niet is meegenomen.’
Intussen is de groei van zonne-energie veel harder gegaan dan aanvankelijk werd gedacht.
‘Zeker, dat is enorm indrukwekkend, maar het betekent niet dat er een evenredige afname van het gebruik van fossiele energie aankomt. Je weet ook niet of de exponentiële groei van hernieuwbare energie onafgebroken doorzet. Aanpassingen van het stroomnet nemen bijvoorbeeld tijd in beslag en zijn complexer dan het plaatsen van extra zonnepanelen.
Verder zie je in China een moordende concurrentie tussen fabrikanten van zonnepanelen. Het produceren van zonnepanelen is op dit moment geen zwaar winstgevende business. Dat is een groot verschil met de olie-industrie, die zich zo heeft georganiseerd dat grote westerse concerns en niet-westerse staatsbedrijven nog altijd enorme winsten maken.
De gevestigde belangen die spelen om dat te behouden. zijn gigantisch. Je moet niet bagatelliseren wat dat betekent voor de continuïteit van het fossiele energiesysteem. Dit betekent ook dat je de transformatie richting CO2-arme energiebronnen niet simpelweg aan de markt kunt overlaten. Het vergt substantiële politieke veranderingen om de allocatie van kapitaal op een andere manier aan te sturen.’
Volgens recente schattingen van klimaatwetenschappers mag de wereld nog grofweg 1.000 miljard ton CO2 uitstoten, om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden Celsius, terwijl de jaarlijkse uitstoot iets meer dan 40 miljard ton bedraagt. Dat lijkt een race tegen de klok te worden.
‘Op basis van het huidige uitstootniveau hebben we inderdaad een budget van iets minder dan 30 jaar aan emissies. In die tijd gaan we ‘net zero’ zeker niet halen. Ik ben in dit verband vrij kritisch over de derde werkgroep van het klimaatpanel IPCC.
In huidige scenario’s voor netto nul emissies wordt zwaar geleund op negatieve emissies, via het afvangen en opslaan van CO2. Sommige van die technieken kosten momenteel tegen de 1.000 dollar per ton CO2. Dan weet je eigenlijk meteen al dat je daar voorlopig niets van hoeft te verwachten. Ik vind het wetenschappelijk gezien echt schandalig, als er wordt gesuggereerd dat negatieve emissies een oplossing bieden die de komende decennia grootschalig kan gaan werken. Als het überhaupt al gaat werken.’
Is er een alternatief dat wel perspectief biedt?
‘Ik ben geen econoom of beleidsmaker, en kan vanuit mijn expertise geen beleidsadviezen geven. Wat ik als onderzoeker van de geschiedenis van technologie wel kan aangeven, is dat het belangrijk is om bescheiden te blijven over wat realistische verwachtingen zijn ten aanzien van technologie.
Als je praat over alternatieven voor innovatie, is interessant dat er ten tijde van de oliecrisis in de jaren zeventig van de vorige eeuw in de VS senatoren waren die pleitten voor het rantsoeneren van het oliegebruik. Dat waren mensen die de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt en die wisten dat zoiets nodig kan zijn.
Je ontkomt er op een gegeven moment denk ik niet aan om serieus naar de vraagkant van het energiesysteem te kijken. Dat kan betekenen dat er een meer expliciete koppeling komt tussen CO2-emissies en economische consumptie via budgettering: dus wat is echt noodzakelijke energieconsumptie waarvoor je CO2 uitstoot en wat kunnen we missen? Je kaarten alleen maar zetten op geloof in technologische innovatie is in ieder geval bijzonder gevaarlijk.’
Hoe realistisch is dat, zo’n idee van consumptieve restricties om CO2-emissies te laten dalen?
‘Het is volstrekt duidelijk dat dat niet morgen gaat gebeuren. Er zijn grote, belangrijke landen die niet willen bewegen, zoals de VS, Rusland en oliestaten in het Midden-Oosten. Je praat over een massale, wereldwijde omwenteling, waarvan het lastig is om je voor te stellen dat die zich op korte termijn gaat voordoen.’
Aan de andere kant zie je in Europa wel enige beweging met een lichte absolute daling van het energieverbruik, meer hernieuwbare energie en minder kolen.
‘Dat klopt, maar in Europa zie je eigenlijk sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw al een proces van de-industrialisatie. De daling van het gebruik van kolen in Europa werd ruim vijftig jaar geleden in gang gezet, dus dat is al heel lang aan de gang.
Je moet intussen ook rekening houden met het verbruik van kolen en de CO-voetafdruk van geïmporteerde goederen, minus de export. Het is niet makkelijk om dat heel precies in kaart te brengen, maar ik heb daar wel schattingen van gemaakt en dan wordt de afname van het kolengebruik van Europa minder indrukwekkend. Natuurlijk, per saldo is er vooruitgang, maar het gaat vrij langzaam.’




