Jeroen de Boer
25 augustus 2025, 14:00

Kleur van auto's heeft invloed op hitte in steden: in Nederland wint zwart het van wit

Donkere oppervlakken absorberen meer straling en geven meer warmte af dan witte. Dit betekent ook dat de kleurverdeling van het wagenpark een factor is die meespeelt bij hitteproblemen in steden. Nederland kan nog een slag maken.

witte zwarte auto De kleur van auto's heeft invloed op de warmte die ze afgeven. | Credits: Getty Images

Door klimaatverandering is er steeds meer aandacht voor hitteproblemen in steden, omdat die relatief gezien meer last kunnen krijgen van stijgende temperaturen dan rurale gebieden. Dit heeft mede te maken met het ‘urban heat island’-effect, waarbij gebouwen en infrastructuur warmte sterker vasthouden. Ook het wagenpark is daarbij een factor om rekening mee te houden.

Onderzoekers van de universiteit van Lissabon hebben gekeken naar de verschillen tussen het effect van zwarte en witte auto’s op de omgevingstemperatuur. Bekend is dat zwart lichtstraling in hoge mate absorbeert en ook relatief veel warmte uitstraalt.

Uit het Portugese onderzoek bleek dat auto’s van verschillende kleuren die buiten geparkeerd stonden en meer dan vijf uur blootgesteld waren aan daglicht, grote verschillen lieten zien wat betreft het temperatuureffect, zo bericht New Scientist.

Zwarte auto’s zorgden voor een stijging van de nabije omgevingstemperatuur met gemiddeld 3,8 graden Celsius, bij metingen op zonnige dagen met dagtemperaturen van 36 graden Celsius in Portugal. Het effect van witte auto’s op de nabije omgevingstemperatuur was veel kleiner.

Populaire autokleuren: zwart boven wit in Nederland

In dit kader is het interessant om te kijken naar trends in de kleursamenstelling van wagenparken. Databureau Jato voor de auto-industrie signaleerde deze maand dat in grote Europese markten zoals Duitsland, Frankrijk, het VK, Italië, Spanje de meeste nieuwe auto’s wordt verkocht in de kleuren grijs (ruim 27 procent), wit (22 procent) en zwart (18 procent). Kleuren als blauw (12 procent) en rood (7,4 procent) zijn minder populair.

Nederland volgt dit patroon deels, met eveneens grijs als populairste kleur, maar ons land wijkt enigszins af wat betreft de populariteit van zwart en wit.

Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met een vergelijking tussen de kleursamenstelling van het Nederlandse wagenpark tussen 2000 en 2022 laten een veel sterkere opmars zien van de populariteit van zwart, vergeleken met wit.

Zwart stond in 2022 met ruim 2,1 miljoen auto’s op de tweede plaats, achter grijs, de onbetwiste nummer één. Wit bezette de vierde plek met net geen 1,2 miljoen auto’s, achter blauw dat in Nederland de derde plaats inneemt.

Vergelijk je dat met begin deze eeuw dan waren respectievelijk wit en zwart destijds terug te vinden op plaats vijf en zes. Zowel in absolute aantallen als relatief heeft zwart als autokleur in Nederland de afgelopen twee decennia een sterkere opmars gemaakt dan wit.

Hoe dit alles uitpakt voor het effect van autokleuren op de warmte in Nederlandse steden, is lastig te zeggen. Dat hangt onder meer af van de variatie binnen het toonaangevende grijze spectrum, van donker tot licht. Verder is in stadscentra waarschijnlijk ook het parkeerbeleid van belang (autoluwe binnensteden, aanwezigheid van parkeergarages). Maar wie weet wordt de kleur van auto’s op den duur een factor waar gemeenten op gaan letten bij lokaal klimaatbeleid.

Lees ook:

Trump frustreert het meten van klimaatverandering: dat doet pijn, maar er zijn alternatieven

De regering van de Amerikaanse president Donald Trump voert een tweevoudige aanval uit op de wetenschappelijke basis van klimaatbeleid: op de eerste plaats door te snijden in de financiering van Amerikaanse overheidsorganisaties die belangrijke weer- en klimaatdata verzamelen, en daarnaast door publiekelijk twijfel te zaaien over bevindingen rond klimaatverandering waar brede maatschappelijke consensus over bestaat.Dat laatste kwam duidelijk naar voren in een eind vorige maand gepubliceerd rapport van het Amerikaanse ministerie van Energie, waarin onder meer de hogere frequentie van bepaalde vormen van extreem weer wordt gebagatelliseerd.Volgens klimaatwetenschappers staat het rapport bol van de misleidende beweringen en deels ook regelrechte feitelijke onjuistheden. Tegenover The Guardian zei topexpert Micheal Mann dat het rapport het resultaat lijkt van ‘een chatbot die je traint op de top 10 door de fossiele industrie gefinancierde sites van klimaatontkenners’.Waar wetenschappers met argumenten kunnen reageren op dubieuze beweringen over klimaatverandering vanuit het kamp van Trump, is de andere aanval potentieel nog een stuk gevaarlijker: het actief tegenwerken van het verzamelen van klimaatdata is een stap die het mogelijk maakt om te ontkennen dat er een bepaalde feitelijke realiteit is. In de trant van: we hebben geen gegevens, dus het bestaat niet. Regering Trump snijdt in financiering van verzamelen klimaatdata Het gevaar dat kale feiten (data) worden weggemoffeld, is inmiddels binnen en buiten de VS breed gesignaleerd. Eerder dit jaar begonnen diverse wetenschappers met ‘guerilla archiving’ om belangrijke historische Amerikaanse datasets veilig te stellen. Op Europees niveau is er inmiddels intensief overleg tussen politici en wetenschappers om de afhankelijkheid van belangrijke Amerikaanse data-instituten te verkleinen.Alles wijst erop dat de regering van Trump dit jaar en in 2026 diep wil snijden in de budgetten van onder meer de National Oceanic Atmospheric Administration (NOAA) en de Environmental Protection Agency (EPA). Ook heeft de door Trump aangestelde interim-directeur van ruimtevaartorganisatie NASA aangegeven dat hij het onderzoeksbudget voor atmosfeer- en landmetingen wil schrappen, waar normaal gesproken 10 procent van het jaarbudget van de NASA voor wordt gereserveerd.Zorgen over het wegvallen van cruciale door Amerikaanse instanties geleverde gegevens concentreren zich momenteel rond drie typen data: mariene gegevens, atmosferische klimaatdata en weermetingen. Gegevens over de oceanen zijn onder meer van belang voor scheepsroutes en het in kaart brengen van kustveranderingen. Amerikaanse weerdata worden onder andere gebruikt voor het voorspellen van orkanen. Klimaatdata over bijvoorbeeld CO2 worden geleverd door het beroemde Amerikaanse meetstation Mauna Loa op Hawaï, dat aan de basis staat van de zogenoemde Keeling Curve voor de concentratie van CO2 in de atmosfeer.Oceaandata: Europa overweegt eigen observatienetwerk uit te breiden Begin deze maand vroeg persbureau Reuters beleidsmakers in acht Europese landen naar de stand van zaken. Daarbij bleek dat er op korte termijn vooral zorgen zijn over de afhankelijkheid van de oceaandata die door NOAA worden verzameld. Deze zijn van groot belang voor zaken als kustplanning, schattingen over de ontwikkeling van de zeespiegel en hebben ook beleidswaarde voor beslissingen over scheepsroutes en investeringen in infrastructuur.Volgens een hoge ambtenaar bij de Europese Commissie zijn er inmiddels plannen om de komende twee jaar het Europese mariene observatienetwerk flink uit te breiden, aldus Reuters. Daarnaast wordt gekeken naar extra Europese financiering voor delen het Global Ocean Observing System die nu nog vooral via NOAA worden gefinancierd.Een belangrijk onderdeel hiervan is het Argo-programma, dat een systeem van 4.100 meetinstrumenten omvat die over de oceanen zijn verspreid. ‘Het gaat om een soort boeien die periodiek afdalen tot diepten van 1.000 tot 2.000 meter en weer omhoog komen. Daarbij worden metingen van temperaturen en het zoutgehalte in verschillende lagen van de oceaan gedaan. Ongeveer de helft van die boeien is van de Amerikanen en dat dreigt volledig weg te vallen’, licht oceanograaf Sjoerd Groeskamp van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) desgevraagd toe.Aangezien de boeien een levensduur hebben van enkele jaren, zou het verstandig zijn als de Europese Unie erin slaagt binnen een jaar of twee de rol van Amerikaanse instituten zoals NOAA over te nemen.Groeskamp geeft aan dat het belang hiervan niet moet worden onderschat: actuele data zijn namelijk niet alleen essentieel voor de robuustheid van klimaatmodellen, maar ook voor weersvoorspellingen van bijvoorbeeld orkanen op de kortere termijn. ‘De Amerikanen schieten zichzelf hiermee in de voet’. Zicht houden op Warme Golfstroom De VS heeft ook een sleutelrol in het zogenoemde OSNAP-programma, dat verantwoordelijk is voor metingen van belangrijke stromingen in de Atlantische Oceaan. ‘De Amerikanen financieren momenteel 70 procent van dit programma’, aldus Groeskamp.Kennis over Atlantische oceaanstromen zoals de Warme Golfstroom is van groot belang voor één van de meest impactvolle kantelpunten die klimaatverandering kan veroorzaken: het wegvallen van het systeem van warme en koude stromen in de Atlantische Oceaan (AMOC).Als dat gebeurt, kan Europa te maken krijgen met extreme afkoeling in korte tijd en komt voedselproductie mogelijk in gevaar door een verschuiving van regenpatronen waar de wereld niet op is ingericht. Groeskamp: 'De gevolgen kunnen dusdanig snel plaatsvinden, dat het de vraag is of we ons daar als maatschappij op kunnen aanpassen.'Onder klimaatwetenschappers wordt momenteel stevig gedebatteerd over de vraag hoe acuut dit risico is, maar er is weinig twijfel dat de gevolgen voor zowel de oostkust van de VS als Noordwest-Europa zeer dramatisch kunnen zijn. Zicht houden op de ontwikkeling van de AMOC is dus ook voor de VS een kwestie die de nationale veiligheid raakt, al lijkt de regering van Trump daar anders over te denken.Klimaatdata: alternatieven om broeikasgassen te blijven meten Wat betreft het monitoren van cruciale klimaatdata in de atmosfeer heeft de Europese klimaatdienst Copernicus een eigen programma voor het meten van onder meer waterdamp, koolstofdioxide en methaan.Onderdeel daarvan is een eigen satellietnetwerk dat in samenwerking met de Europese ruimtevaartorganisatie ESA is ontwikkeld. Begin deze maand werd er een nieuwe weer- en klimaatsatelliet van de ESA gelanceerd die onder meer data over methaan, ozon en aerosolen in de atmosfeer kan leveren.Navraag bij het KNMI leert dat er vooralsnog voldoende bronnen zijn om belangrijke klimaatindicatoren te blijven volgen. Zo werkt klimaatexpert Peter Siegmund van het KNMI met collega’s aan de nieuwe editie van de State of the Global Climate van de internationale meteorologische organisatie WMO. Daarin worden zogenoemde ‘key climate indicators’ behandeld, zoals CO2, temperatuur, de warmte-inhoud van de oceanen, de zuurgraad van de oceanen, de zeespiegel, gletsjers en de ontwikkeling van het zee-ijsoppervlak bij de Noord- en Zuidpool.'Voor het zee-ijsoppervlak werd in het verleden gebruikt gemaakt van gegevens van het Amerikaanse National Snow and Ice Data Center. Door toedoen van de regering Trump zijn deze data voor 2025 echter niet beschikbaar. We gebruiken als alternatief een Japanse dataset, JAXA’, geeft Siegmund aan. ‘De andere key indicators zijn zover ik weet normaal beschikbaar.’Begin deze maand bleek intussen dat de regering Trump de NASA opdracht heeft gegeven om te kijken naar de ontmanteling van twee satellieten die data leveren over broeikasgassen zoals CO2 en de ontwikkeling van plantengroei in de wereld. Onzeker is verder hoelang het meetstation Mauna Loa op Hawaï nog CO2-data blijft doorgeven. Mocht dat ophouden door Amerikaanse bezuinigingen, dan zijn er volgens Siegmund andere metingen beschikbaar van bijvoorbeeld het World Data Centre for Greenhouse Gases.Het wegvallen van Amerikaanse bronnen voor klimaatdata vormt dus zeker een bedreiging voor klimaatonderzoek, maar alternatieven zijn deels beschikbaar. Daarnaast lijkt Europa vooral wat betreft het veilig stellen van oceaanmetingen bereid om in actie te komen. Lees ook:5 opvallende valse claims uit het klimaatrapport van de regering-Trump, die emissieregulering wil schrappen 'Klimaatgeneraal' Tom Middendorp: 'Het recht van de sterkste gaat steeds meer gelden' Catastrofe-obligaties: zo verplaatsen verzekeraars klimaatrisico's naar beleggers