Sabine Sluijters 23 november 2022, 11:00

Hogescholen en universiteiten werken aan 'Wikipedia voor de energietransitie'

Samenwerking van bedrijven, onderzoekers en studenten in learning communities kan een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van complexe vraagstukken waar bedrijven en organisaties zich voor gesteld zien in de energietransitie. Dat blijkt uit eerste ervaringen van het project Learning Communities in Systeemintegratie dat is opgezet door EnTranCe, Center of Expertise Energy van de Hanzehogeschool. De kennis die hier wordt opgedaan komt nu beschikbaar in een nationale kennisbank. “Een soort Wikipedia voor de energietransitie.”

Learning communities In learning communities werken bedrijven, onderzoekers en studenten samen aan het oplossen van problemen uit de praktijk. | Credits: Adobe Stock

De energietransitie stelt bedrijven, gemeentes en provincies voor opgaven waar ze onmogelijk alleen uitkomen. Daarom is vanuit de Topsector Energie het idee ontstaan voor het opzetten van zogenaamde learning communities. Professionals uit bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties werken hierin samen met onderzoekers, docenten en studenten uit kennisinstellingen. Ze verbinden onderzoek, werk en innovatie, en leren van en aan elkaar. Het doel is om oplossingen te zoeken die bijdragen aan de versnelling van de energietransitie, en de kennis die daarbij ontwikkeld wordt, te delen.

Echte problemen

Systeemintegratie

Die complexiteit komt doordat ons energiesysteem meer verknoopt is dan vroeger, legt Van der Laan uit. “Toen waren gas en elektra gescheiden, werd stroom centraal opgewekt. Nu zijn afnemers producenten, hebben we te maken met elektrificatie, netcongestie, langdurige opslag. Dat zijn allemaal vraagstukken die vallen onder systeemintegratie, omdat het effect heeft op alle dimensies daaromheen. “Je kunt het vergelijken met een mobiel, waar figuurtjes aan touwtjes hangen”, vult Moesker aan. “Als je aan één van de touwtjes trekt beweegt alles.”

Tot nu toe werken zes kennisinstellingen samen aan deze learning communities: De Hanze Hogeschool Groningen, de Hogeschool van Amsterdam, de Hogeschool Arnhem-Nijmegen, de TU Delft, de Haagse Hogeschool en Saxion, uit Overijssel. Uiteindelijk moet dit uitgroeien tot een landelijk dekkend netwerk met ook kennisinstellingen uit Brabant, Limburg en Zeeland.

Studenten

Een belangrijk aspect is de betrokkenheid van studenten. “Bedrijven zien het als een grote meerwaarde, die jonge denkkracht in zo’n groep”, zegt Van der Laan. “Studenten hebben verse ideeën”, vult Moesker aan. “Ze zijn nog niet gehinderd door gewoontes en structuren. Daardoor komen ze met oplossingen waar bedrijven nog nooit aan gedacht hebben.”

Omgekeerd profiteren studenten van deze nieuwe onderwijsvorm. “Studenten doen mee als volwaardige deelnemers”, zegt Van der Laan. “En ze werken aan het oplossen van echte problemen uit de praktijk. Ook leren ze samenwerken met bedrijven, wat een waardevolle ervaring is voor hun professionele ontwikkeling.” Bovendien landt de methodiek in reguliere curricula, waar andere studenten vervolgens van profiteren.

Lees ook: Economieonderwijs is toe aan vernieuwing

Netcongestie

De problemen die de learning communities aanpakken komen rechtstreeks uit de praktijk in de regio. “Wij kregen een vraag van de gemeente Leeuwarden”, vertelt Van der Laan. “Daar was een nieuw bedrijventerrein ontwikkeld, maar vanwege netcongestie kon de netbeheerder geen aansluiting voor afname en invoeden van stroom afgeven. De kavels waren helemaal klaar, de infra was aangelegd, maar niemand wilde zich er vestigen omdat ze geen aansluiting konden krijgen.”

Een typisch systeemintegratieprobleem waarvoor EnTranCe een learning community optuigde met bedrijven, gemeente en studenten. “Daaruit ontstond het idee voor het afstemmen van opwek en verbruiksprofielen en of daar wat in te schuiven was”, zegt van der Laan. “We onderzoeken nu of het op die manier toch mogelijk is om meer aan te sluiten dan dat iedereen afzonderlijk naar de netbeheerder stapt.”

Informele setting

De learning community speelde een belangrijke rol in de totstandkoming van deze oplossing. “Doordat je in zo’n informele setting bij elkaar zit, kunnen ideeën vrij over tafel komen”, zegt Moesker. “Daardoor keken we ook naar verrassende en creatieve ideeën die anders waarschijnlijk waren afgeschoten.”

Maar de meerwaarde van de learning community is veel groter dan het oplossen van een probleem uit de praktijk. Het gaat om de kennis die ontwikkeld wordt en vervolgens ook op andere plekken in Nederland of daarbuiten toegepast kan worden. Daarom werken de samenwerkende kennisinstellingen nu aan het oprichten van een landelijk kennisplatform. “Daar verzamelen we alle kennis die we opdoen in de projecten en stellen die ter beschikking.”

Lees ook: ‘Benut kennis over sociale innovatie om de energietransitie te versnellen’

Wikipedia

Een soort Wikipedia voor systeemintegratie in de energietransitie. Maar het is meer dan dat, benadrukt Van der Laan. “Want we schrijven het niet alleen op, we doen het ook. We staan daadwerkelijk met de voeten in de modder en gaan de problemen te lijf.”

Als het aan Van der Laan ligt, is het dankzij de kennis die in de learning communities mogelijk om de energietransitie te versnellen. “We hebben zo weinig tijd tot 2050 om tot dat duurzame energiesysteem te komen. Er moet zoveel gebeuren op zoveel projecten. Het is dat mobiel. Al die figuurtjes moeten tegelijkertijd in beweging komen.”

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief: iedere dag rond 07.00 uur het laatste nieuws

Wil jij iedere ochtend rond 7 uur het laatste nieuws over duurzaamheid ontvangen? Dat kan! Schrijf je hier in voor onze dagelijkse nieuwsbrief.

“Mijn fundamentele geloof is dat de chemische industrie niet zelf kan veranderen”

“In de toekomst zijn materialen in de chemie biobased. Dus dat dit er one way or the other gaat komen, is duidelijk. Het is alleen de vraag wie als eerste die stappen gaat zetten”, zegt Guus Dubbink, business developer bij Invest-NL. Deze publiek gefinancierde impact-investeerder helpt innovatieve start-ups als Relement met het financierbaar maken van hun ambities voor bijvoorbeeld opschaling. Soms doordat Invest-NL zelf investeert, maar in veel gevallen ook door ondernemers te helpen met het wegnemen van knelpunten die financiering door marktpartijen in de weg zitten. Om diegene te vinden die de eerste stappen zet, hoeven we niet naar de grote chemiebedrijven te kijken, benadrukt Roger Blokland, CEO van Relement. “Mijn fundamentele geloof is dat de chemische industrie niet zelf kan veranderen. Zij zijn helemaal opgesloten in hun bestaande businessmodel.” Dat model is nog steeds gebaseerd op kostenverlaging en schaalvergroting. Daarom moet de vernieuwing van start-ups komen. Maar die hebben het niet makkelijk. Terug naar de tijd voor de Tweede Wereldoorlog Relement is één van de start-ups met de potentie om de chemische industrie drastisch te veranderen. Het biedt een beter werkend biobased alternatief voor een belangrijk fossiel ingrediënt in onder andere verf. Het gaat om het ingrediënt dat verf krasbestendig maakt door het een bepaalde hardheid te geven: een aromaat. Om dat ingrediënt te maken, gebruikt de start-up in plaats van het fossiele aardolie een hernieuwbare biobased grondstof met de naam furfural. “Wat heel leuk is aan furfural is dat het echt gemaakt wordt van restanten.” Zoals afval uit de suikerbietenindustrie. “Als je de suiker eruit haalt, dan hou je vaak vezels over waar niet echt een toepassing voor is”, weet Blokland. Tenzij je op zoek bent naar furfural, want dat materiaal is juist in deze vezels te vinden. Volgens Blokland komt er door duurzaamheidstrends in andere sectoren de komende jaren meer furfural bij. Zo zijn cellulosevezels in opkomst als vervanging van katoen in de kledingindustrie. “Als bijproduct komt daar furfural bij vrij, waar niet 1-2-3 een toepassing voor is. Dus wij vinden dit een hele mooie grondstof voor de chemie.” Wat Relement met furfural doet is vernieuwend, maar het product zelf is geen onbekende in de chemie. “We gaan eigenlijk terug naar het verleden”, vertelt Blokland. “Furfural werd vroeger heel veel gebruikt in de chemische industrie maar is na de Tweede Wereldoorlog vervangen door fossiele aardolie.” Relement wil de grondstof uit de vergetelheid halen door het grootschalig te verwerken in aromaten. “Dat is een beetje verwarrende naam, want iedereen denkt gelijk aan geurstoffen.” Toch is die naam niet gek - de chemische verbindingen lijken op elkaar. In het geval van Relement zorgt het aromaat voor de hardheid van een bindmiddel. Dat bindmiddel is vervolgens weer terug te vinden in verf, lijm of isolatiemateriaal. De duurzaamheidswinst is enorm. De duurzame impact van een klein schakeltje in een grote keten “Er wordt ongelooflijk veel verf gebruikt in de wereld”, benadrukt Blokland. Volgens hem gaat het jaarlijks om ongeveer 50 miljoen ton wereldwijd. “Als je 30 tot 40 procent door biobased vervangt, dan is dat natuurlijk een enorme hoeveelheid.” Blokland noemt die percentages niet toevallig. Aromaten vormen namelijk 30 tot 40 procent van het bindmiddel. “En het bindmiddel is het grootste deel van de verf.” Er komen nog wat kleurstoffen en additieven bij, maar qua volumes vormt het bindmiddel de basis. Om verf duurzamer te maken, moet je aan de slag met de grondstoffen, stelt Blokland. Het is namelijk achteraf lastig te recyclen. Vaak belandt verf met het product waarop het is aangebracht in de verbrandingsoven. Denk aan auto’s of meubels: het is lastig om daar de verf af te schrapen om die opnieuw te gebruiken. “Wij hebben uitgerekend dat we over de hele levenscyclus ongeveer 3 kilo CO2 per kilo product kunnen besparen”, zegt Blokland. Hij rekent vanaf de productie tot de verbrandingsoven. “Dus het gaat over enorme hoeveelheden. En we staan natuurlijk nog maar aan het begin.” Na verf wil hij namelijk aan de slag met lijm, composietmaterialen en isolatieschuim. “Want daar zitten ook allemaal aromaten in.” Een (land)bouwmachine beschermd met biobased verf Blokland merkt dat er interesse is voor zijn product. Zo werkt Relement nauw samen aan een pre-commercieel demonstratieproject met Worlée Chemie uit Duitsland en familiebedrijf Baril Coatings uit Nederland dat verf met het biobased ingrediënt van Relement erin wil hebben. “En eigenlijk liever gisteren dan vandaag”, zegt Blokland. Deze nieuwe verf gaat machinebedrijf Tobroco Giant testen op hun elektrische wielladers (ook wel shovels genoemd). Samenwerking met andere partijen in de keten is cruciaal voor een chemie start-up, benadrukt Blokland. “Het is geen softwarebedrijf waar je al heel snel een eerste versie van een product aan een klant kan laten zien.” Een chemiebedrijf moet het product of het materiaal maken zodat een klant dit kan testen. Die tests zijn belangrijk, omdat het materiaal vaak onderdeel uitmaakt van iets groters. Het materiaal moet dus goed combineren met de andere stoffen in een product. Denk terug aan de verf. Het ingrediënt van Relement maakt onderdeel uit van het bindmiddel, dat weer een onderdeel vormt van de verf. Dus het moet goed werken met de andere stoffen in het bindmiddel, en vervolgens moet dit bindmiddel goed werken in de verf. “Dus je moet echt partners vinden die hetzelfde denken als jij en die echt willen. Het moet niet alleen maar een geldkwestie zijn, want dan gaat het niet werken.” Hobbels op de weg Een goed product: check. Geïnteresseerde klanten: check. Maar hoe zorg je dat het product daadwerkelijk bij geïnteresseerde klanten komt zodat deze het op grotere schaal kunnen testen? “De traditionele manier is om een eigen proeffabriek te bouwen”, weet Blokland. Maar daar is veel geld voor nodig. Invest-NL dacht mee hoe Relement het kapitaal hiervoor bij elkaar kon krijgen, maar ze kwamen er niet uit. Daarom veranderden ze van strategie. “Zijn er ook andere manieren om het doel te bereiken zonder in een keer grote bedragen neer te leggen?”, vat Dubbink de gezamenlijke gedachtegang samen. Zo kwamen Relement en Invest-NL op het idee om de productie van het biobased ingrediënt via de bestaande chemische (pilot)infrastructuur uit te besteden. Het levert hetzelfde resultaat op, maar zonder productie in eigen beheer met de bijbehorende hoge investeringen. “Dat is duurder per kilo product, maar zorgt wel voor een lagere kapitaalinvestering”, aldus Dubbink. Invest-NL zette het proces op, hielp bij de contractopstelling en financierde een deel van het project. “Bij veel andere investeerders zie je dat ze een goede investering willen identificeren waar ze snel geld mee kunnen verdienen”, zegt Blokland. Met Invest-NL had hij een andere ervaring. “Ik denk dat Invest-NL meer middelen en capaciteit heeft om ondernemingen die het goede willen doen op het juiste pad te zetten.” Dubbink legt uit hoe dat komt: “Invest-NL is een staatsonderneming. Financieel rendement is bij ons niet het hoogste doel, maar de maatschappelijk transitie voortduwen.” Lees ook: Nederlandse start-up haalt miljoenen op voor onderwatervlieger die energie opwekt Opschalen zonder eigen fabriek “Als Invest-NL vinden we het belangrijk om Relement zoveel mogelijk te helpen, maar we kijken ook naar het bredere plaatje. Dus we kijken ook of deze succesvolle casus toegepast kan worden op technologieën die nu nog op de universiteit ontwikkeld worden”, zegt Dubbink. Hij hoopt dat de ervaring van Relement jonge universitaire start-ups laat zien dat ze na een succesvolle eerste pilot geen tientallen miljoenen nodig hebben om een eerste fabriek te bouwen. “Dat je op een andere manier kijkt naar hoe je ambities financierbaar maakt met minder geld.” Volgens Blokland draait het om het businessmodel dat je als bedrijf voor ogen hebt, en de reden waarom je een fabriek wil bouwen. Als je voornamelijk wil bewijzen dat het product werkt en uiteindelijk geen productiebedrijf wil worden maar alleen het product wil verkopen, dan is een eigen fabriek – in het begin - misschien niet nodig. “Als je het einddoel maar in de gaten houdt. Zo hebben wij wel een fabrieksontwerp gemaakt. We weten waar we naartoe willen en wat de kosten zijn als we zelf een fabriek zouden gaan bouwen.” De eerstvolgende stap is proefproductie. Het Belgische chemiebedrijf Solvay gaat dat voor Relement oppakken. “Dat zal in het eerste kwartaal van volgend jaar gaan gebeuren.” In 2024 hoopt Blokland de eerste commerciële producten naar de markt te brengen. “Als het goed is gaat Baril Coatings dan duurzame verf met ons product erin op de markt brengen.” Net als een paar andere partijen die Blokland niet bij naam kan noemen. Tegen die tijd verwacht hij ook meer samen te werken met furfural-producenten. En wellicht heeft hij dan een nieuwe financieringsronde afgerond. Kortom, voor zijn eigen bedrijf heeft hij wel een beeld hoe de toekomst eruitziet. Maar hoe zit het met de sector in het algemeen? Wanneer is de chemie duurzaam? “Dat is een gewetensvraag”, vindt Blokland. “Als ik zie wat er allemaal aan aardolie wordt verwerkt, dan denk ik dat het niet snel genoeg gaat.” Hij houdt ook andere innovatieve chemiebedrijven in de gaten, zoals bioplastic-bedrijf Avantium. Dit soort partijen ziet hij niet als concurrenten. De markt is groot genoeg en is er nog veel te doen. “Die bedrijven moeten allemaal lukken. Er moet op een duurzamere manier geproduceerd en gerecycled worden. Het is echt alle hens aan dek. Alles is nodig.” Lees ook: Suncom Energy, winnaar Industry Innovators Award 2022: ‘Wij bouwen de eerste zon-thermische energiecentrale van Nederland’Schrijf je in voor onze nieuwsbrief: iedere dag rond 07.00 uur het laatste nieuws Wil jij iedere ochtend rond 7 uur het laatste nieuws over duurzaamheid ontvangen? Dat kan! Schrijf je hier in voor onze dagelijkse nieuwsbrief.