Teun Schröder
07 december 2022, 12:00

"De circulaire economie is de snelste en goedkoopste manier om de klimaatambities te halen”

Marc den Hartog, directeur Renewi Nederland, en oprichter en directeur van Excess Materials Exchange (EME) Christian van Maaren dragen allebei op hun eigen manier bij aan de versnelling naar een circulaire economie. Wat zien zij om zich heen gebeuren? “Linksom of rechtsom, de circulaire economie gaat er komen.”

Adobe Stock 501857608 | Credits: Adobe Stock

“Ik sta nog steeds achter de aanname dat een circulaire economie de snelste en goedkoopste manier is om de klimaatambities te halen”, begint Van Maaren. “The biggest bang for your buck krijg je als je investeert in de verbetering van het metabolisme van onze aarde: wat genereert de aarde en wat consumeren we aan grondstoffen? Het lastige van de circulaire economie is dat de vruchten van deze verbeteringen niet direct geplukt worden door degene die erin investeert.”

“Nu gaat de aandacht vooral uit naar emissiereductie en het op- en afvangen van koolstof”, vult Den Hartog aan. “Meetbare variabelen werken politiek gezien op dit moment beter. Ook omdat daar op de korte termijn wellicht de grootste impact is te maken. Maar voor de lange termijn is de circulaire economie de enige weg.”

Datingsite voor materialen

En zo vangen we in de eerste paar minuten van het interview de complexiteit van de circulaire economie. Met aan de ene kant van de koffietafel Christian van Maaren, CEO van het in 2017 opgerichte Excess Materials Exchange (EME): ‘een datingsite voor materialen’. Het bedrijf brengt materialen in kaart van partijen die er van af moeten en koppelt deze vervolgens aan maakbedrijven die juist wat met deze materialen kunnen. EME gebruikt data, life cycle assessments en machine learning om afval een nieuwe bestemming te geven.

Christian van Maaren, oprichter van Excess Materials Exchange, de ‘datingsite’ voor materialen

Van afval tot grondstoffen

Aan de overzijde zit Marc den Hartog, Directeur Nederland van recycler Renewi. Renewi wil zich de komende jaren steeds meer ontwikkelen van afvalverwerker naar producent van secundaire materialen gemaakt van reststromen. In 2025 wil de organisatie het recyclingpercentage van alles wat ze inzamelen verhogen van 68 naar 75 procent. Met zijn landelijke dekking in Nederland en België, eigen recyclingbedrijven die zich specialiseren in specifieke afvalstromen, en omvangrijke wagenpark is Renewi een speler van formaat.

Wat vinden jullie van de snelheid waarmee de circulaire economie zich vordert?

Den Hartog: “Het Circularity Gap report (een jaarlijkse index van de mondiale status van de circulaire economie, red.) stelt dat op dit moment slechts acht procent van alle bedrijvigheid circulair is. Dat cijfer is natuurlijk dramatisch. Ik vind dat het niet snel genoeg gaat.

Dat weerhoudt ons niet om te kijken wat we als Renewi zelf kunnen doen: meer investeren in sorteren en recyclen met als doel nog betere secundaire grondstoffen te verkrijgen uit afvalstromen, sneller samenwerken met jonge bedrijven en nog meer inzetten op innovatie recyclingtechnieken. Daarbij proberen we ook beleidsmakers te adviseren. Als kennispartner moeten wij hen de juiste handvatten bieden zodat ze effectief beleid kunnen maken.”

Van Maaren: “Wij zien natuurlijk ook graag dat het sneller gaat. Vijf jaar geleden liepen we nog voor de muziek uit. Nu zie je langzaamaan dat steeds meer partijen ons weten te vinden. Toch denk ik dat overheidsbeleid de belangrijkste drijver achter versnelling gaat zijn. Wetgeving zorgt ervoor dat circulaire principes gestimuleerd worden. Denk aan verplichte informatiebeschikbaarheid over reststromen, nieuwe eisen aan productontwerp, het verplicht zoeken naar hoogwaardige bestemmingen voor reststromen en uiteraard en belonen of verplichten van secundaire materialen.”

Marc den Hartog, directeur Renewi Nederland

Mede door de huidige ontwikkelingen in de wereld lijkt iedereen inmiddels een beeld te hebben van de energietransitie. Hoe zorg je dat de circulaire economie op dezelfde manier gaat leven?

Den Hartog: “Maak duidelijk dat individuele handelingen bijdragen aan het geheel. Nu pak je als consument bijna zonder erbij na te denken een product uit de supermarkt. Terwijl het voor het milieu wel degelijk uitmaakt waar dit product vandaan komt en waarin het is verpakt. Dat zou veel duidelijker naar voren mogen komen, zodat de consument daar bewust naar kan handelen. Tegelijkertijd denk ik niet dat je kan leunen op de leus ‘verandering begint bij jezelf’. De vraagstukken vandaag de dag zijn zo ongelooflijk groot. Dan kan je niet blijven sturen op het gedrag van burgers.”

Minstens zo belangrijk: maak het tastbaar. Uit oude koelkasten recyclen we inmiddels materiaal dat zelfs Playmobil wereldwijd gebruikt voor een nieuwe speelgoedlijn. Zo bewijzen we dat zelfs kinderspeelgoed geschikt is voor het gebruik van gerecyclede materialen.”

Van Maaren: “Ik ben het eens met Marc. 80 procent van de bevolking heeft op dit moment wel andere dingen aan het hoofd dan circulaire economie. Om aan hen te vragen om beter op hun aankopen te letten en daar misschien zelfs meer voor te betalen is niet eerlijk en niet zinnig. Wel kun je de consument simpele gereedschappen bieden zodat ze gemakkelijker de bewuste keuze kunnen maken. En dat begint bij transparantie; transparantie over waar iets vandaan komt, wat de impact op het milieu is en wat de werkelijke kosten zijn als je de maatschappelijke lasten meerekent.”

Op welke manier moet onze relatie met grondstoffen veranderen volgens jullie?

Van Maaren: “We zijn nu echt aan het consumeren: we delven, gebruiken en gooien weg. Ergens wil je weer terug naar vroeger. Toen repareerden we veel meer. Voor het slagen van een circulaire economie moet ook weer een bepaalde zuinigheid op materialen terugkomen.”

Den Hartog: “De circulaire economie, en daarbij het gebruik van gerecyclede materialen, vraagt dat we onze eisen bijstellen. Als iets gemaakt is van gerecycled afval is het niet altijd mogelijk om het product in die ene gewenste kleur of met die ene gladde afwerking te krijgen. De vraag is dus ook of we dat soort eisen kunnen laten varen.”

In het begin stipten jullie allebei al even beleid als belangrijke drijfveer aan. Wat voor maatregelen zouden jullie invoeren als je minister van circulaire economie was?

Den Hartog: “Draai aan de geldknop. Beloon hergebruik van materialen en belast verspilling, vernietiging en verbranding. Dat zijn de prikkels die enorm gaan helpen. De overheid als grootste opdrachtgever kan en moet een voortrekkersrol vervullen om de grondstoftransitie aan te jagen.”

Van Maaren: “Ik zou bedrijven verplichten kennis te hebben van de materialen waarmee ze in aanraking komen. Het oude gezegde van meten is weten gaat nog steeds op. Zodra je weet wat je hebt, ga je er anders naar kijken en ga je er waarschijnlijk voor zorgen dat je er efficiënter mee omgaat.”

Welke ontwikkelingen gaan deze transitie de komende jaren vooruit helpen?

Van Maaren: “Vanuit de EU zie ik hoopvol beleid. Er komt een CO2-heffing op de import van materialen en met het right-to-repair wordt het wettelijk verplicht voor fabrikanten om apparaten repareerbaar te maken. Het volgende wat moet gebeuren is dat we zo snel mogelijk de belasting op arbeid verplaatsen naar een belasting op grondstoffen. Het is natuurlijk krankzinnig dat het goedkoper is om iets weg te gooien en het nieuw te kopen, dan om iemand arbeid te verschaffen die het kan maken.”

Den Hartog: “We zien bijvoorbeeld nu in de bouw ook mooie initiatieven opkomen. Het materiaalpaspoort is daar een voorbeeld van, waarin gedocumenteerd staat welke materialen in een bepaald gebouw zitten. En ook in de sloop gebeurt veel, waarbij veel meer gestuurd wordt op hergebruik van wat er in deze fase nog beschikbaar is aan secundaire grondstoffen. Toch zie je dat veel van dit soort initiatieven kleinschalig zijn. Terwijl je natuurlijk wilt dat dit mainstream wordt.”

De bouw wordt wel vaker genoemd als sector waar op het gebied van circulariteit veel te winnen is. Waarom is dat?

Van Maaren: “Veruit de meeste reststromen komen vrij in de bouw. In veel landen vertegenwoordigt bouwafval 40 tot 60 procent van al het afval. Dus er is veel potentie om hier grote slagen mee te maken. Je ziet dat het meeste overheidsbeleid wat betreft circulariteit zich dan ook richt op deze sector.”

Den Hartog: “Zo werken wij bijvoorbeeld met een groot bouwbedrijf aan de doelstelling van een afvalvrije werkplaats. Hierbij kijken we naar het nog beter scheiden aan de bron, maar ook naar de mogelijkheden voor nascheiding. Denk bijvoorbeeld aan hout: meestal gaat al het goede hout een shredder in waarna van de vlokken weer spaanplaten gemaakt kunnen worden. Een mooie vorm van recycling en beter dan verbranden. Maar idealiter wil je mooi materiaal een tweede leven geven. Daarom hebben we nu een interne start-up die die mooie balken selecteert, ontdoet van spijkers en schroeven en apart houdt. Deze kunnen direct gebruikt worden in de productie van bijvoorbeeld nieuwe meubels. We doen dit nu nog op kleine schaal. Maar dit heeft de potentie om tienduizenden balken een tweede leven te geven. Het vraagt van ons echt omdenken. Ja, we hebben een shredder die van afvalhout een bruikbare grondstof maakt. Maar moet alles überhaupt wel door die shredder heen?”

Van Maaren: “We moeten in mijn optiek veel meer denken vanuit de materialen die we hebben, in plaats van streven naar de producten die we willen. Laatst sprak ik een architect die het had over de ‘hidden ambition of things’. Hij doelde op een gebouw dat eerst een school was, toen een ziekenhuis werd en daarna een woonhuis. Dat gebouw had dus veel meer in zijn mars dan hoe het ooit bedacht was.

Neem koffiedrap: in feite afval. Terwijl daar nu al allemaal interessante oliën en vetten uit gehaald worden. Daarbij is het ook nog een korrel. Alleen al dat gegeven maakt dat je het weer kunt gebruiken voor allerlei andere dingen. De circulaire economie vraagt van ons dat we meer een beroep doen op onze creativiteit.”

Zijn er nog gebieden waar Renewi en EME elkaar kunnen versterken?

Den Hartog: “Net als EME worden wij ook steeds meer een ‘matchmaker’ voor materialen. We hebben enorm veel kennis over afvalstromen en een heel groot netwerk van verwerkers van afval, nationaal en internationaal. Ik kan me goed voorstellen dat we het platform van EME kunnen gebruiken om nog meer koppelingen tussen materiaal en gebruiker te maken.”

Van Maaren: “Renewi heeft het grote voordeel van de schaal. EME kan juist vele kleine ontdoeners van afval verzamelen die we allemaal kunnen koppelen aan de verwerkers in het netwerk van Renewi. Daarnaast denk ik dat we andersom afvalstromen die Renewi beheert ook kunnen sturen naar specifieke hoogwaardige verwerkers binnen ons eigen netwerk.”

’t Klinkt alsof we door dit gesprek weer een stapje dichter bij die circulaire economie zijn gekomen…

Van Maaren: “De grondstoffen op de wereld zijn eindig als we er niet verstandig mee omgaan, dus die circulaire economie gaat er hoe dan ook komen. De energietransitie en alle zeldzame materialen die daarvoor nodig zijn bevestigen dat maar weer. Als we niet afhankelijk willen zijn van een handje vol landen met dubieuze regimes, dan dwingt dat ons om meer te recyclen. Beleid is up and coming, vanuit Nederland, maar ook zeker vanuit de EU. En de consument beweegt eveneens langzaam mee. Circulaire economie gaat in een stroomversnelling komen.”

Den Hartog: “Verandering gaat sneller dan ooit. Al gaat het voor de groep voorlopers nooit snel genoeg natuurlijk. De schaarste van grondstoffen gaat ervoor zorgen dat het aantrekkelijk wordt om bestaande materialen vaker te gebruiken. De interesse naar gerecycled materiaal neemt toe vanuit recyclers, maar ook bij de ontdoeners van afval. Laatst zei iemand tegen me: ‘ons afval, jullie winst.’ Dat moet veranderen. Wij gaan allemaal profiteren van de cirkel rond maken.”

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief: iedere dag rond 07.00 uur het laatste nieuws

Wil jij iedere ochtend rond 7 uur het laatste nieuws over duurzaamheid ontvangen? Dat kan! Schrijf je hier in voor onze dagelijkse nieuwsbrief.

Wat zijn Power Purchase Agreements en hoe helpt het de inkoop van duurzame elektriciteit?

Deze bijdrage werd geschreven door Robert Jan de Boer, Product Developer Sustainable Energy bij ENGIE Een Power Purchase Agreement (PPA) is een maatwerkovereenkomst tussen een duurzame elektriciteitsproducent en een zakelijke afnemer. Doorgaans is deze overeenkomst voor een langere periode variërend van 5 tot 15 jaar, waarbij de zakelijke afnemer zich committeert om de geproduceerde elektriciteit volledig te kopen. Aangezien PPA’s maatwerk overeenkomsten zijn komen ze in vele soorten en maten. PPA’s zijn dan ook complexe producten waarover veel ruis en onduidelijkheid kan bestaan. In dit artikel lichten we de verschillende eigenschappen van PPA's uit. Lees ook: Echte Innovaties: 3 baanbrekende trends in de zonne-energiesector Waarom een PPA – en waarom niet? Een PPA is in optimale vorm een win-winsituatie voor alle betrokken partijen. Aan de ene kant van het contract staat de ontwikkelaar of eigenaar van een zonne- of windpark. Deze ontwikkelaar heeft kapitaal nodig om het park te bouwen. De bank kan dit verstrekken, maar wil garantie dat er financiële opbrengsten zijn na de realisatie, zodat de lening wordt terugbetaald. Deze garantie is veelal de PPA-overeenkomst. Aan de andere contractuele kant van de PPA staat de afnemer. Dit zijn doorgaans partijen met veel elektriciteitsverbruik, zoals datacenters, digitale dienstverleners en elektriciteit-intensieve industrie. Voor afnemers kan een PPA verschillende voordelen bieden: Wat zijn de voordelen van PPA’s voor de afnemer?Een bijdrage aan de energietransitie. Het afsluiten van een PPA stimuleert de vergroening van de elektriciteitsmix. Je committeert je als organisatie voor de lange termijn aan duurzame elektriciteitsinkoop en neemt daarbij risico’s. Daarnaast investeer je direct in de verduurzaming van de Nederlandse opwekcapaciteit. Een prijsvaststelling tegen marktfluctuaties. Een PPA met vaste prijs biedt jarenlange prijszekerheid ten opzichte van fluctuerende marktprijzen. Zo kan het ook economisch voordeel opleveren wanneer de contractprijzen lager uitvallen dan marktprijzen. Een lagere koolstofvoetafdruk. PPA’s komen met Garanties van Oorsprong (GvO). Dit is een bewijs dat elektriciteit herleidt naar de bron van opwekking. Deze certificaten kun je inzetten om de koolstofvoetafdruk van je bedrijf te reduceren. Financieringsvoordeel. Sommige financiële instanties bieden een lager rentetarief wanneer je kunt aantonen dat je elektriciteit grotendeels via PPA’s inkoopt. Lees ook: Opmerkelijk: energie uit een rolletje tape van de bouwmarkt Wat is de rol van de energieleverancier in PPA’s? Tussen de ontwikkelaar en de afnemer staat een energieleverancier, die als bemiddelaar kan optreden. De energieleverancier is onder meer verantwoordelijk voor het beheer van de elektriciteitsstromen, forecasting en boekhouding en maakt de link met het leveringscontract voor het resterende volume. Natuurlijk zijn er in de praktijk afgeleide structuren, waarbij bijvoorbeeld de energieleverancier ook de parkontwikkelaar is, maar dit zijn grofweg de gebruikelijke actoren. Er zijn wel andere risico's verbonden aan een PPA vergeleken met een reguliere leveringsovereenkomst. Het grootste verschil met een duurzame leveringsovereenkomst bij een leverancier is namelijk dat een PPA een directe koopovereenkomst is. Bij elektriciteitslevering betaal je enkel voor de verbruikte megawatturen, terwijl de afnemer bij een PPA altijd de productie van het gecontracteerde park afneemt, óók als de productie hoger is dan het verbruik. De afnemer neemt dit risico over en draagt op die manier bij aan de energietransitie. Wat zijn de risico’s van een PPA?Prijsrisico: de prijszekerheid die een PPA biedt, kan ook averechts werken als de marktprijzen langere tijd onder de gecontracteerde PPA-prijs liggen. Een afnemer zit vast aan een hoger prijsniveau dan de concurrentie. Volumerisico: hernieuwbare elektriciteitsopwekking is afhankelijk van wind- en zonintensiteit. Hierdoor kan de daadwerkelijke elektriciteitsproductie (sterk) afwijken van de prognoses. Dat kan in het geval van windenergie zelfs oplopen tot een jaarlijks verschil van 20 procent. Het leveringscontract moet deze wisselingen kunnen opvangen. Profielrisico: veel hernieuwbare elektriciteitsinstallaties kunnen alleen op bepaalde tijden elektriciteit opwekken (als de zon schijnt, als het waait). Om volledig aan het verbruiksprofiel te voldoen, zal altijd een aanvullende leveringsovereenkomst nodig zijn die dit opvangt. Onbalansrisico: wanneer de voorspelde opwek afwijkt van de gerealiseerde productie, moet dat verschil worden gecompenseerd tegen de geldende onbalansprijzen. Normaliter ligt dat risico bij de energieleverancier, maar afhankelijk van de gemaakte afspraken kunnen onbalansrisico’s voor rekening van de afnemer zijn.Lees ook: Doorbraak met transparante zonnepanelen: maakt dit de weg vrij voor energie-opwekkende ramen? Wat is het verschil tussen een fysieke en een virtuele PPA? Zoals je misschien al ziet is een PPA altijd een kwestie van maatwerk. Toch zijn er een aantal standaardvormen te onderscheiden. Ten eerste kun je een onderscheid maken tussen een “fysieke” en een “virtuele” PPA. Het grote verschil is dat de afnemer bij een virtuele PPA niet de daadwerkelijke elektriciteit afneemt voor eigen verbruik. De afnemer van de PPA blijft “regulier” elektriciteit inkopen bij een leverancier, terwijl de producent de opgewekte elektriciteit aan de markt levert. Een virtuele PPA is dus een soort derivatencontract: er wordt een prijs vastgesteld voor de opgewekte elektriciteit en vervolgens neemt de afnemer een risico op de uiteindelijke marktprijs. Als de gerealiseerde marktprijs hoger uitvalt dan de afgesproken prijs, heeft de afnemer een netto voordeel. Is de marktprijs lager, dan is de afnemer verlieslatend omdat deze vastzit aan een hogere elektriciteitsprijs. De GvO-certificaten gaan daarentegen vaak wél direct naar de afnemer. Fysieke PPA’s, waarbij wel de fysieke elektriciteit wordt afgenomen van een specifieke afnemer, kennen ook een aantal smaken:Baseload: de afnemer koopt een vooraf vastgesteld volume dat (deels) in de basis-elektriciteitsvraag van de organisatie voorziet. As forecasted: de afnemer koopt voorspelde day-ahead-productie van het zonne- of windpark, waarbij een elektriciteitsleverancier de balancering op korte termijn beheert. Pay-as-produced: de afnemer koopt alle geproduceerde elektriciteit en neemt daarbij veelal het volledige volumerisico, inclusief balancering.Een PPA: ja of nee? Een PPA is een complex elektriciteitsproduct met grote voordelen, maar ook met bepaalde unieke voorwaarden en risico’s die wezenlijk verschillen van een reguliere leveringsovereenkomst. Niet iedere organisatie is in staat zich te beschermen tegen de prijs- en volumerisico’s. PPA’s zijn doorgaans geschikt voor organisaties met hoge verbruiksvolumes die over gedegen kennis van de elektriciteitsmarkt beschikken en tegelijkertijd bepaalde risico’s op zich kunnen nemen. Wanneer je hierover twijfelt, loont het dan ook absoluut om kennis in te winnen bij een adviseur. Als dan blijkt dat een PPA matcht bij je bedrijfsprofiel, beschik je over een zeer krachtig hulpmiddel om financieel verantwoord te verduurzamen én actief bij te dragen aan de verdere transitie van de Nederlandse elektriciteitsmix.Schrijf je in voor onze nieuwsbrief: iedere dag rond 07.00 uur het laatste nieuws Wil jij iedere ochtend rond 7 uur het laatste nieuws over duurzaamheid ontvangen? Dat kan! Schrijf je hier in voor onze dagelijkse nieuwsbrief.