De tijd van traditionele klimaatfinanciering moet gauw voorbij zijn. Klimaatfinancieringsmodellen volgden de traditionele hulpmodellen in hun afhankelijkheid van ontwikkelingshulp (ODA) en andere bronnen van subsidies en concessionele overheidsfinanciering. Met name in Afrika hebben deze modellen geen schaalbare oplossingen voor klimaatadaptatie opgeleverd.
In 2024 daalde de officiële ontwikkelingshulp (ODA) voor het eerst in vijf jaar, met Europa als hoofdverdachte. Slechts vier EU-landen hielden zich nog aan hun eigen norm van 0,7 procent van het bnp aan hulp. Ondertussen krijgt Afrika jaarlijks ongeveer 30 miljard euro aan klimaatfinanciering, terwijl volgens de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en het UNEP minstens 277 miljard euro per jaar nodig is om klimaatdoelen te halen. Te weinig en steeds minder.
Deze daling is niet slechts een budgettaire dip, maar weerspiegelt de gebroken geopolitieke orde en het falen van traditionele hulpmodellen om klimaatgevoelige regio’s zoals Afrika te helpen, dat amper 10 procent van de jaarlijkse financiering ontvangt die het nodig heeft. De stijgende defensie-uitgaven in Europa en het Amerikaanse navelstaren van president Trump, hebben gevolgen voor officiële ontwikkelingshulp en concessionele klimaatfinanciering. Dat mag niet zo zijn.
Een te groot deel van dat geld wordt vermalen in onze eigen ambtelijke molens, in plaats van bij Afrikaanse innovatieve startups en scaleups. Volgens de OECD stroomt slechts 12 procent van internationale klimaatfinanciering daadwerkelijk naar lokale actoren in Afrika. De rest blijft hangen in bureaucratische tussenlagen en logge instellingen. En volgens Oxfam Novib was de werkelijke waarde van klimaatfinanciering door rijke landen in 2024 slechts tussen de 25 en 30 procent van wat men claimde. Er wordt dus flink met de vork geschreven.
Afrika betaalt de rekening
Dit is geen toevallige misser, maar het gevolg van achterhaald denken. Klimaatfinanciering volgt nog steeds het patroon van oude hulpmodellen: hoge risico-percepties, veel willen controleren en vooral een gebrek aan lef. De voorlopige tussenstand is dat Afrikaanse landen inmiddels meer uitgeven aan rente en schuldaflossing dan aan klimaatadaptatie. Zo gaf Kenia in 2023 2,8 miljard dollar uit aan schuldendienst, tegenover slechts 300 miljoen dollar aan klimaatadaptatie, volgens het IMF.
Europa blijft intussen hangen in een neokoloniale reflex: Afrika niet serieus nemen als economische speler, en investeringen in Afrikaanse bedrijven zien als charitatieve gok. Alsof het continent nog steeds wacht op onze giften, terwijl het allang bezig is met het schrijven van zijn eigen toekomst.
De groene kansen worden elders verzilverd
Het goede nieuws is: er is een andere weg. Afrika barst van de mogelijkheden: 40 procent van ’s werelds bekende reserves van kritieke mineralen ligt er, het continent telt 60 procent van het wereldwijde zonne-energiepotentieel, en Afrika heeft een jonge, snelgroeiende beroepsbevolking dat bruist van de ideeën om te overleven in de nieuwe klimaatwerkelijkheid. Maar dan moet Europa wel durven om te schakelen van liefdadigheid naar langdurige investeringen.
Neem de Lobito Corridor, een spoorlijn die Zambia en Congo verbindt. Hier ligt een uitgelezen kans voor Europa om lokale batterijfabrieken op te zetten, gekoppeld aan het winnen van kobalt en lithium. In plaats daarvan sluit Europa kortetermijncontracten voor ruwe grondstoffen, terwijl China ondertussen fabrieken bouwt en lokaal toevoegt aan de waardeketen.
Kapitaal naar ideeën, niet naar Europese bureaucratie
Toch gaat het niet alleen om grote investeringen. Juist kleine investeringen zijn interessant. Neem bijvoorbeeld Twiga Foods, een Keniaans bedrijf dat met AI voedselverspilling tegengaat door boeren direct aan klanten te koppelen. Een slimme innovatie, nu bedreigd door gebrek aan groeikapitaal. Europese instanties vinden het te klein bier, met teveel rompslomp.
De Wereldbank kondigde trots aan dat ze de investeringen in landbouw gaan verdubbelen naar 9 miljard dollar per jaar. Maar durft de bank ook te investeren in het midden- en kleinbedrijf? Zonder lef dreigt dat geld alsnog in voedselhulp te verdwijnen. Symptoombestrijding in plaats van systeemverandering.
Afrikaanse bedrijven zoals Twiga hebben geen behoefte aan trainingsprogramma’s of seminars over microkrediet. Ze hebben behoefte aan toegang tot echte investeringsfondsen, durfkapitaal. Kortom: Europese partners die risico durven nemen.
Terwijl Europa aarzelt, claimt China Afrika’s waterstoftoekomst
Namibië bouwt momenteel aan een van de grootste groene waterstofprojecten ter wereld. Waarom geen uitbreiding naar Senegal, Ghana of Mauritanië? Omdat we nog altijd redeneren vanuit ontwikkelingshulp in plaats van handelsbetrekkingen. China daarentegen sluit inmiddels langjarige contracten, levert technologie én infrastructuur.
De EU heeft met het Global Gateway-programma een historische kans om het verschil te maken. Het programma beoogt wereldwijd te investeren in infrastructuurprojecten, met de nadruk op slimme, schone en veilige verbindingen in de digitale, energie- en vervoerssector. Het programma is gelanceerd in 2021 en beoogt tot 300 miljard euro aan investeringen te mobiliseren tot 2027.
Dat geld moet niet richting megalomane infrastructurele prestigeprojecten stromen, maar naar groene investeringen met een potentieel grote impact. Niet in de vorm van leningen die landen nog verder in de schulden drukken, maar als participaties en co-investeringen in bedrijven met toekomstvisie.
Een partnerschap op ooghoogte – of geen partnerschap
Belangrijk: dit betekent niet dat Europa moet ‘ingrijpen’ of de koers moet uitzetten voor Afrika. Het betekent dat Europa eindelijk moet erkennen wat allang duidelijk is: dat Afrikaanse landen zélf hun groene transitie leiden – van Nigeria’s of Kenia’s bloeiende startupscene tot Rwanda’s investeringen in duurzame innovaties. De vraag is of Europa meedoet of dat Europa zich de kaas van het brood laat eten door China. Voorwaarde is dat we Afrikaanse ondernemers gaan vertrouwen en afscheid nemen van oude machinerie die we hebben opgetuigd om slechts te controleren.
De EU heeft de kans om Afrika’s groene investeringspartner te worden, met een rendement tot wel 1 biljoen euro volgens McKinsey en geeft bovendien toegang tot kritieke mineralen, schone energie en nieuwe markten. Deze samenwerking is waar het huidige geopolitieke klimaat om vraagt. Zelfs de Wereldbank is het daarmee eens: eerder dit jaar heeft haar management de instelling geherpositioneerd als een instelling die afstapt van ‘liefdadigheid’ en zich richt op hervorming van de hulp om de ontwikkeling van de private sector te ondersteunen.
De keuze is simpel. Blijven we vasthouden aan klimaatfinanciering, een failliet hulpmodel dat koloniale patronen in stand houdt? Of durven we het aan om een volwassen partnerschap aan te gaan waarin kapitaal, kennis en kansen gedeeld worden? Afrika heeft Europa niet nodig als weldoener. Het heeft ons nodig als investeerder – en als bondgenoot. En Europa? Europa heeft Afrika nodig om in de 21ste eeuw nog een rol van betekenis te spelen.
Jos Hummelen is host van De Africast, de Nederlandse podcast over geschiedenis, geopolitiek en ondernemen in Afrika. Ook is hij actief voor de regionale ontwikkelingsmaatschappij ROM Utrecht Region.



