Wilke Wittebrood
21 mei 2025, 12:50

Friese aanpak voor circulaire economie trekt wereldwijde aandacht

Op het World Circular Economy Forum in Brazilië mocht Friesland de wereld vorige week de weg wijzen naar een circulaire economie. De provincie scoort bovengemiddeld als het gaat om belangrijke thema’s als hergebruik van materialen. Dat is geen toeval; daar zit een gestructureerde, regionale aanpak achter.

John Vernooij Omrin credit Omrin John Vernooij is voorzitter van Vereniging Circulair Friesland. "De stappen die we zetten, kunnen snel schaal krijgen." | Credits: Omrin

Voor John Vernooij, algemeen directeur van afvalverwerker Omrin, is de wekker vroeg gegaan. De Fries is in São Paulo, Brazilië, voor het World Circular Economy Forum, dat op 13 en 14 mei plaatsvond. Het is half 8 ‘s morgens als hij ons op vrijdag vanuit zijn hotelkamer te woord staat. Op de achtergrond baden wolkenkrabbers in het grijze ochtendlicht. Het vroege tijdstip deert hem niet, lacht hij. “Ik loop nog op Nederlandse tijd.”

Naast directeur van Omrin is Vernooij voorzitter van Vereniging Circulair Friesland (VCF). In die hoedanigheid was hij afgelopen week in Brazilië – om te vertellen hoe zijn provincie vorm geeft aan de circulaire economie. In een tijd waarin de druk op circulaire bedrijven groeit, doet Friesland dat namelijk verrassend succesvol, blijkt uit een rapport van Circle Economy.

Bovengemiddelde scores

Dit impact-adviesbureau doet jaarlijks wereldwijd onderzoek naar de status van de circulaire economie. Dit jaar is op verzoek van Vereniging Circulair Friesland voor het eerst ook een provincie – hun provincie – in de benchmark meegenomen. Daaruit blijkt dat Friesland bovengemiddeld scoort ten opzichte van nationale en globale gemiddelden.

Bijvoorbeeld op het gebied van hergebruik van materialen: in Friesland is 10,6 procent van alle grondstoffen die worden geconsumeerd afkomstig uit hergebruik, tegen 9,8 procent in ons land en 6,9 procent op wereldschaal. Ten opzichte van andere Nederlandse provincies is ook het aandeel groene energie (25 procent) relatief hoog – met uitzondering van Flevoland, dat richting een aandeel van 50 procent gaat.

Gestructureerde regionale aanpak

Ook het Friese ecosysteem, de mate waarin de regionale overheid het bedrijfsleven ondersteunt inbegrepen, wordt beter beoordeeld dan het Europese gemiddelde (117 tegenover 100 punten). Dat is geen toeval, zegt Tjeerd Hazenberg, beleidsadviseur circulaire economie bij de provincie Fryslân, maar het gevolg van een gestructureerde, regionale aanpak.

Hazenberg belt in vanuit Leeuwarden. Hij is net terug van een bezoek aan het Zweedse Värmland, een regio die de circulaire economie eveneens hoog op de agenda heeft staan. Een treinreis van bijna twintig uur, dat was nogal een trip. “Maar wel een heel leuke ervaring.”

Friesland loopt voor in de transitie naar een circulaire economie, blijkt uit het Circular Gap Report. | Credit: Vereniging Circulair Friesland

Vroeger keek Friesland voor inspiratie naar zulke gebieden, tegenwoordig gebeurt het ook andersom. De sleutel zit volgens Hazenberg en Vernooij in de manier waarop de Friese transitie naar de circulaire economie georganiseerd is, of specifieker, dat die transitie überhaupt georganiseerd is, met de Vereniging Circulair Friesland als spil.

De VCF brengt 180 leden vanuit verschillende hoeken samen: bedrijven, overheden, onderwijsinstellingen en non-profitorganisaties. “Een brede beweging die gezamenlijk doelen stelt, oplossingen bedenkt en strategieën bepaalt om daar te komen”, zegt Vernooij. “Dat heb ik in Nederland nog bijna nergens gezien. Niet op deze manier.”

Kompas voor bedrijven

Het gedachtegoed van Vereniging Circulair Friesland steunt in totaal op zeven pijlers. Naast gebruik van water en grondstoffen en de opwek van hernieuwbare energie wordt bijvoorbeeld ook gekeken naar het versterken van de biodiversiteit en inclusief werkgeverschap.

Voor de leden gelden die pijlers als een soort kompas, vertelt Vernooij; bedrijven proberen ze ook een plaats in de eigen bedrijfsvoering te geven. “Wij hebben op ons eigen bedrijventerrein, Ecopark de Wierde, net 6.000 bomen geplant. Ik heb zelfs een ecoloog in dienst die de faunastand in de gaten houdt. En we bieden mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een leer-werkplek aan.”

Vereniging Circulair Friesland begint in 2015 op initiatief van zeven bedrijven, waaronder Omrin, die sneller willen verduurzamen. “Ik geloof in verandering van onderaf”, zegt Vernooij. “Ik heb de telefoon gepakt en andere ondernemers gebeld met de vraag of ze mee wilden doen. Ik zei: ‘Luister, het kost je 5.000 euro, je moet je voor drie jaar aan de club verbinden en wat het oplevert weet ik nog niet. Maar het wordt wél leuk.’ Toen we 35.000 euro bij elkaar hadden, zijn we naar de provincie en gemeenten gestapt met de vraag of ze het initiatief konden ondersteunen en ons met de juiste partijen konden matchen.”

Mkb als ruggengraat

Wat hielp is dat Omrin, een publieke afvalverwerker, al de nodige politieke lijntjes had. Het bedrijf werkt in opdracht van 36 gemeenten, bij de aandeelhoudersvergadering zitten 36 wethouders aan tafel. En wat ook hielp, is dat Friesland volgens Vernooij en Hazenberg een redelijk ‘egale’ bedrijfsstructuur heeft, met andere woorden, geen grote spelers als ASML die min of meer in hun eentje de dienst uitmaken. Mkb’ers vormen de ruggengraat en die zijn zich er ‘zeer bewust’ van dat ze het met elkaar moeten doen.

Voor de provincie was het initiatief een zegen, zegt Hazenberg. “Omdat we wisten: top-down beleid is niet efficiënt. Vereniging Circulair Friesland bundelde de ambitie en energie die er al in de regio was en stelde ons voor de vraag hoe we dit het beste met beleid konden ondersteunen.”

Tjeerd Hazenberg (links) en John Vernooij: ‘Samenwerking is de sleutel.’ | Credit: Provincie Fryslân, Omrin

Vertrekpunt was een analyse van Urgenda, waarmee in kaart werd gebracht op welke gebieden Friesland al sterk was en waarop kon worden voortgebouwd. Voorbeelden zijn de bouw, infrastructuur, watertechnologie, agrifood en (plastic) afvalverwerking en –recycling – het terrein van Omrin. Vernooij stelt dat Vereniging Circulair Friesland een cruciale bijdrage heeft geleverd aan het hoge afvalscheidingspercentage van het bedrijf: bijna 80 procent, waar het Nederlandse gemiddelde 57 procent is.

Duurzaam Fries gas

Organisch afval wordt vergist en het biogas dat daarbij vrijkomt, wordt opgewerkt tot aardgas. Ook op dat vlak blijken de korte lijnen met de politiek waardevol; Omrin levert dit groene gas aan Ovef, de inkoopcoöperatie van de Friese overheden, waarmee alle panden van de provincie en gemeenten worden verwarmd. Tot 2022 had Friesland een contract bij Gazprom, maar de provincie moest in 2022 verplicht overstappen vanwege de sancties tegen Rusland. Het alternatief was ook veel beter, lacht Vernooij. “Duurzaam Fries gas, lokaal opgewekt. Daarmee worden we als provincie direct onafhankelijker.”

De productie van groen gas is onderdeel van een langetermijnstrategie die niet louter winstgedreven is, vervolgt de Omrin-directeur. “De eerste tien jaar heeft het ons alleen maar geld gekost, in die zin dat onze kostprijs lager was geweest als we de investeringen – in de vergisting, in de opwerkinstallatie – niet hadden gedaan. Maar inmiddels plukt iedereen er de vruchten van.”

Klassiek kip-ei-verhaal

Een ander voorbeeld van een samenwerking over verschillende lagen heen is de Fryske Vezelhennepdeal, waarbij boeren, bouwers en woningcorporaties de handen ineenslaan om isolatie met biobased materialen op de kaart te zetten. Zoals vezelhennep, dat CO2 opslaat en lokaal kan worden geteeld, waarmee het een duurzamer alternatief is voor gangbare materialen als glas- en steenwol.

Ook hier geldt het klassieke kip-ei-verhaal: zonder (grootschalige) beschikbaarheid nemen architecten vezelhennep niet mee in hun ontwerpen en kopen bouwbedrijven het niet in, maar zonder afzetmarkt gaan akkerbouwers geen hennep verbouwen. Vernooij: “Dus is gezamenlijk besloten om Friese vezelhennep te gebruiken bij de isolatie van ten minste duizend woningen.”

De Fryske Vezelhennepdeal is bedoeld het gebruik van biomased materiaal in de bouw te stimuleren. | Credit: Vereniging Circulair Friesland

En de rol van Vereniging Circulair Friesland bij de totstandkoming van die deal? Eigenlijk is dat heel simpel, voegt Hazenberg toe. “Zij zorgen dat iedereen met elkaar om tafel komt en regelen de koffie. Daar begint het mee.”

Opschaling evident

Het zijn stappen die snel schaal kunnen krijgen, denkt Vernooij. “We zijn begonnen met 200 hectare vezelhennep, dit jaar gaan we naar 1.000 hectare, over vijf jaar moet dat 5.000 hectare zijn. Dan kan het materiaal op grote schaal worden ingezet – ik stel me voor dat gemeenten het op termijn voor de ontwikkeling van hele wijken gaan voorschrijven.”

De noodzaak van opschaling is evident. Want ook al gebeuren er in Friesland mooie dingen, de weg naar een écht circulaire economie is volgens de VCF-voorzitter nog lang. “Nederland wil in 2050 voor 100 procent circulair zijn. Wij zitten hier nu op zo’n 10 procent, een tiende van wat nodig is. Daarmee mogen we koploper zijn, maar eigenlijk is het helemaal niet zoveel.”

Vernooij moet afsluiten; zijn dag gaat beginnen, het World Circular Economy Forum roept. Gisteren mocht hij het internationale publiek op het podium al vertellen over de Friese inspanningen op het gebied van circulariteit. Een beetje flauw, maar wisten de aanwezigen eigenlijk wel waar Friesland lag? Hij schiet in de lach. “Je zou ervan staan te kijken. We maken naam in de wereld van de circulariteit. En we leren steeds beter om daar niet te bescheiden over te zijn.”

Lees ook:

Changemaker Joris Bijdendijk (Low Food): ‘De transitie moet stap voor stap; voor een rigoureuze ommezwaai is de consument niet klaar’

Hoe zet jij je in voor een duurzamer Nederland?“In de basis ben ik chef. Ik heb twee restaurants, Rijks en Wils. Ik merkte dat ik tijdens mijn werk niet genoeg tijd of ruimte had om me bezig te houden met de veranderingen die nodig zijn in ons voedselsysteem. Daarom heb ik samen met Samuel Levie (oprichter van worstenmerk Brandt & Levie, red.) en Joris Lohman (oprichter van adviesbureau Food Hub, red.) stichting Low Food opgericht. Daarmee richten wij ons op duurzame verandering door middel van praktijkonderzoek, vaak in samenwerking met de voedselindustrie. Een mooi voorbeeld is een project met het bedrijf Enough, waarin we samen met chefs en wetenschappers hebben onderzocht hoe je mycelium, de schimmelstructuur van paddenstoelen, lekker en toepasbaar kunt maken. Zulke projecten maken impact en laten zien wat er allemaal mogelijk is met plantaardige ingrediënten.”Wat deed je beseffen dat ons voedselsysteem aan verandering toe is?“Ik zag hoe sterk de voedselindustrie de gezondheid van de aarde beïnvloedt. En uit ervaring weet ik hoe groot de rol is die chefs kunnen spelen om die industrie te veranderen. Chefs maken dingen tastbaar en laten zien hoe je eten lekker kunt bereiden. Dat is uiteindelijk het belangrijkste in deze transitie: laten zien hoe lekker plantaardig eten kan zijn.”Ik krijg het gevoel dat plantaardig eten in de gastronomische wereld nog redelijk taboe is. Zie jij dat ook zo?“Ik ben het met je eens dat vegetarische restaurants nog tot een niche behoren. En ik vind trouwens niet dat er nu alleen nog maar volledig vegetarische restaurants bij moeten komen. Maar je bent geen volwaardig restaurant als je geen goed vegetarisch menu kunt aanbieden. Ik zie dat wel veranderen, het wordt langzaam standaard om goede vegetarische gerechten te serveren. Nu is het zaak om mensen te verleiden tot duurzamere eetgewoontes. Smaak is daarbij cruciaal, en daarom hebben chefs een sleutelrol in de transitie.”Wat is het grootste struikelblok van mensen om plantaardiger te gaan eten?“Heel simpel: gewenning. Mensen zien het eten van vlees als iets dat bij hun identiteit hoort, en ze hebben ook niet de juiste alternatieven gezien of geproefd.”Hoe ben jij zelf achter die alternatieven gekomen?“Stichting Low Food is echt een versneller geweest. Door creatieve mensen om me heen te verzamelen, heb ik veel geleerd. En de dingen die ik leer, pas ik vervolgens toe in mijn restaurants. Ik test veel ingrediënten en technieken, registreer alles goed en probeer zo tot lekkere, creatieve en smaakvolle gerechten te komen.”Van vleesgerechten kun je als restaurant relatief eenvoudig zeggen: die serveren we niet, of minder. Maar ingrediënten als ei, boter en kaas zitten in heel veel gerechten verwerkt. Hoe ga je daar als chef mee om?“Samen met Deloitte heb ik de milieu-impact van mijn restaurants helemaal doorgemeten, op basis van de CO2-uitstoot en het land- en waterverbruik. Uit die analyses kwam een top tien van ingrediënten met de meeste impact. Als ik die tien ingrediënten zou schrappen, zou onze impact met zo’n 85 procent dalen. Daarmee kun je veel meer invloed uitoefenen dan de kraan uitzetten of de oven minder lang laten loeien. Om die reden heb ik de ribeye die we in Rijks serveerden van de kaart gehaald. En inderdaad, boter stond ook in de top tien. Daarom zijn we op zoek gegaan naar alternatieven, bijvoorbeeld bij een signatuurgerecht met rode biet en botersaus. Tijdens speciale themadiners hebben we dat gerecht steeds opnieuw doorgemeten en geprobeerd te verduurzamen, zonder dat de kwaliteit eronder leed. Soms lukte dat niet en moesten we concessies doen aan smaak, maar uiteindelijk vonden we een plantaardige boter die echt heel lekker is en goed werkt in de keuken. Dat soort ontdekkingen probeer ik vervolgens ook actief te delen met collega’s, zodat zij niet het hele traject opnieuw hoeven te doen. Want uiteindelijk geloof ik dat je meer bereikt als 95 procent van de restaurants het een beetje beter doet, dan wanneer vijf restaurants alles perfect doen.”Ervaar je wel eens weerstand vanuit de gasten van je restaurants als het om plantaardig eten gaat?“Eigenlijk niet. De enige weerstand die ik heb meegemaakt, was tijdens de nationale week zonder vlees en zuivel. Tijdens die week serveerde ik in mijn restaurants alleen maar plantaardige gerechten. We hebben toen ook de milieu-impact gemeten, en die daalde met ruim 80 procent. Maar onze reserveringen namen ook af. Er is natuurlijk een niche-groep die het fijn vindt, maar over het algemeen is de consument voor zo’n rigoureuze ommezwaai dus nog niet klaar. De transitie moet dus stapje voor stapje. Roomboter vervangen door plantaardige boter, dat is dus zo’n stapje.”Vanuit die ervaring kan ik me voorstellen dat chefs aarzelen om een plantaardiger menu aan te bieden. Ze wíllen wel verduurzamen, maar zijn bang om inkomsten mis te lopen. Wat is jouw advies aan hen?“Je hebt geen bestaansrecht als er geen gasten in je restaurant komen. Dat is vervelend, maar wel de realiteit. Hoe beter je als chef bent, hoe meer mensen je vertrouwen en eten wat jij op de kaart zet. Als je creatieve, mooie en smaakvolle gerechten op tafel zet, kunnen gasten altijd bij je terecht. Dat is dus waar het om draait. Maar ik snap de angst wel. Als chef in een ‘anoniem’ restaurant, waar mensen komen voor het standaardmenu van een eetcafé, dan is het wat lastiger. Toch zijn er genoeg voorbeelden van eetcafé of brasserie-achtige plekken die een plantaardig alternatief voor biefstuk op de kaart hebben staan. Daarvoor geldt weer: het moet lekker zijn, anders verdwijnt het zo weer van de kaart.”Wat is het grootste struikelblok waartegen je zelf aanloopt?“Alles bij elkaar laten komen op het bord. Dat blijft toch wel de grootste uitdaging. Dat proces kost veel tijd en energie en de opbrengst is niet meteen zichtbaar. In het verleden had ik weinig tijd om onderzoek te doen naar plantaardige gerechten en manieren om de milieu-impact van mijn menu’s te verkleinen. Dat heb ik gelukkig weten op te vangen door de samenwerkingen met Deloitte en Low Food. Ik weet zeker dat andere chefs ook tegen die krapte aanlopen. Daarom is het zo belangrijk dat wetenschappers, boeren, beleidsmakers en chefs samenkomen om van elkaars kennis gebruik te maken.”Met wie zou je graag nog eens samenwerken?“Ik zou bedrijven die geïnteresseerd zijn willen uitnodigen om met ons bij Low Food een onderzoekslab op te zetten. We publiceren al onze resultaten, ook het impactonderzoek dat we met Deloitte hebben gedaan. Het kan zomaar zijn dat een bedrijf met een relevant vraagstuk zit en dat we samen tot een oplossing kunnen komen. Zo’n samenwerking kan zowel inspirerend zijn als heel praktisch bijdragen aan verandering. Mijn oproep is dus vooral: kom langs, kijk wat we doen, en misschien kunnen we samen een nieuw lab opzetten dat leidt tot tastbare verbeteringen in de voedselketen.” Lees ook:Changemaker Lizzy Butink (Dura Vermeer): ‘Ik ben in mijn element als ik tegen conservatieve gedachten in kan gaan’ Changemaker Melvin Sieben (Mejor Technologies) detecteert bosbranden in vroeg stadium: 'We willen overal bijdragen aan een gezonde planeet' Changemaker Sander van Lopik (Roffa Reefs): ‘We weten serieus meer over de maan dan over koraalrif’