Een gevaarlijke luwte dreigt voor windenergie op zee. Toegenomen kosten van materialen, gestegen rentes en onzekerheid over de grootschalige afname van windenergie tegen acceptabele prijzen maken energiebedrijven huiverig om mee te doen aan de bouw van nieuwe windparken op zee. Langetermijncontracten met een garantiefonds kunnen mogelijk helpen om investeringen aan te jagen.
De publieke financiering- en ontwikkelingsinstelling Invest-NL, die zich richt op onder meer het versnellen van de energietransitie, ziet wel degelijk mogelijkheden om vaart te maken met windenergie. ‘Er kan nu al worden gekeken naar structurele oplossingen die de markt versterken’, zegt energie-expert Marinus Boogert.
Eind vorig jaar was er 4,7 gigawatt aan vermogen geïnstalleerd op zee, terwijl er nog eens 5,5 gigawatt aan toegekende bouwprojecten in de pijplijn zitten voor de komende jaren.

Bron: Dashboard Klimaatbeleid
Echter, voor 2032 mikt de overheid op 21 gigawatt aan windcapaciteit op zee. Dat wordt krap want hiervoor moet de komende zeven jaar dus voor zo’n 11,5 gigawatt aan nieuwe windenergie worden aanbesteed én gebouwd.
Uitbreiding windparken op zee in het gedrang
Momenteel zijn energiebedrijven huiverig om mee te doen aan nieuwe aanbestedingen: hogere materiaalkosten en de gestegen rente maken bouwprojecten duurder. Daarnaast is er onzekerheid over toekomstige prijzen van windenergie én voldoende vraag vanuit met name de Nederlandse industrie.
Bij de vraag naar windenergie gaat het namelijk niet alleen om bijvoorbeeld meer stroom voor elektrische auto’s en huishoudens met warmtepompen, maar vooral ook om keuzes die de Nederlandse industrie moet maken bij verdere elektrificatie. Als industriële bedrijven kunnen omschakelen naar gebruik van duurzame waterstof die met behulp van windstroom via elektrolyse wordt gemaakt, kan dat potentieel een stabiele vraag voor de lange termijn opleveren. Het is alleen onzeker welke keuzes de industrie hierin gaat maken.
Dit jaar en in 2026 moet de aanbesteding van het windpark Nederwiek plaatsvinden, voor in totaal 6 gigawatt. Daarbij staat de eerste kavel van 1 gigawatt op de rol voor het vierde kwartaal van dit jaar.
Vanuit de hoek van energiebedrijven die de nieuwe windparken op zee zouden moeten aanleggen, wordt geëist dat de overheid meer garanties biedt in de vorm van risicodeling, bijvoorbeeld via zogenoemde contracts-for-difference, Daarbij biedt de overheid compensatie als stroomprijzen onder een vooraf bepaald minimumniveau zakken. Aan de andere kant mag de overheid overwinsten afromen, als de prijzen boven een bepaald maximum stijgen.
Een terugvaloptie kan volgens energiebedrijven zijn dat de overheid in 2026 de aanleg van windparken weer mede subsidieert via de SDE++ regeling, zolang contracts-for-difference niet beschikbaar zijn. Een overheidssubsidie via de SDE-regeling dekt doorgaans de “onrendabele top” af. Dat wil zeggen: als de kostprijs van windenergie voor producenten hoger is dan de marktprijs van fossiele energie, wordt het verschil door de overheid vergoed.
Wind op zee: meerjarige energiecontracten voor bedrijven
Maar volgens energie-expert Boogert van Invest-NL moet serieus gekeken worden naar een derde optie, mede omdat contracts-for-difference en de SDE-subsidie het kip-en-ei probleem niet oplossen. ‘Er blijft met deze instrumenten onzekerheid of de onderliggende vraag voldoende is om de bouw van nieuwe windparken te stimuleren. Dit raakt uiteindelijk ook de verdere elektrificatie en verduurzaming van de industrie, die van groot belang is voor de Nederlandse klimaatdoelstellingen.‘
Boogert wijst erop dat zogenoemde corporate Power Purchase Agreements (cPPA’s) een aanvullend instrument kunnen zijn om meer zekerheid te bieden over de vraag naar windenergie.
Het gaat hierbij om langetermijncontracten tussen ontwikkelaars van windparken en in dit geval bedrijven die stroom afnemen, waarbij meerjarige afspraken gemaakt worden over vaste prijzen en af te nemen volumes van windenergie.
Garantiefonds om risico voor producenten windenergie af te dekken
Een complicatie bij dergelijke langetermijncontracten is dat de exploitanten van windparken een risico lopen, als een bedrijf failliet gaat en niet meer kan voldoen aan de betalingsverplichtingen van het energiecontract. Dit kan worden opgevangen door de inrichting van een zogenoemd garantiefonds.
Schematisch ziet dat er als volgt uit:

Bron: Invest-NL
Een bedrijf dat de energie inkoopt sluit een energiecontract voor de langere termijn af met de producent van windenergie (cPPA). De onderneming die stroom inkoopt, verstrekt kredietinformatie aan het garantiefonds. Het garantiefonds verzekert vervolgens voor de producent van windenergie het risico op wanbetaling bij de afnemer. Aangezien dit maatwerk is, kan er verschil zijn in hoever die dekking precies gaat.
De ontwikkelaar van het windpark betaalt een verzekeringspremie aan het garantiefonds in ruil voor de dekking. De verzekering van het afnamerisico (dus het wegvallen van de vraag bij wanbetaling) geeft banken die het windproject financieren meer zekerheid, zodat bijvoorbeeld de risicopremie op de rente die de ontwikkelaar betaalt voor zijn leningen, lager kan zijn.
Volgens energie-expert Boogert van Invest-NL kan een dergelijke financieringsopzet ervoor zorgen dat een grotere groep bedrijven langetermijncontracten kan afsluiten voor windenergie. ‘Voor veel bedrijven die stroom inkopen, is met name de tijdsduur problematisch, omdat ze niet kredietwaardig genoeg zijn in de ogen van de ontwikkelaars van windparken om lange contracten mee af te sluiten. Door dit instrument kan er een groter verkoopvolume aan stroom voor langere tijd worden vastgelegd. Dan zorg je dus voor meer zekerheid over de vraag.’
Invest-NL is momenteel bezig met het opzetten van een blauwdruk voor een cPPA-contract, inclusief het verzekeren van het afnamerisico.
Kosten voor de overheid kunnen lager zijn
Volgens Invest-NL kunnen publieke partijen in een garantiefonds investeren. ‘Dat zou wel samen met private partijen moeten gebeuren, zoals pensioenfondsen en andere beleggers. De premiebetaling aan het garantiefonds moet in principe ook gewoon kostendekkend zijn, dus uiteindelijk zou de markt het zelf moeten kunnen financieren.’
Boogert benadrukt verder dat het succes van zakelijke langetermijncontracten voor windenergie, in combinatie met een garantieregeling, mede afhangt van de politieke keuzes rond andere instrumenten, zoals de SDE-regeling en de eventuele invoering van contracts-for-difference. ‘Een voordeel van langetermijncontracten met een garantieregeling kan wel zijn dat het de overheid in eerste instantie geen geld hoeft te kosten, aangezien je wilt werken met een kostendekkende garantiepremie. Daar zit natuurlijk wel een wanbetalingsrisico achter, maar bij een SDE-subsidie ben je als overheid meteen geld kwijt aan subsidiebedragen.’
Dit is ook direct van belang voor de demissionaire minister van Klimaat en Groene Groei Sophie Hermans en de Tweede Kamer. Nu het spannend wordt of er bij de aanbesteding van nieuwe windprojecten op zee dit najaar en in 2026 voldoende interesse is van private partijen, duikt ook de vraag op hoeveel geld de overheid eventueel wil vrijmaken om te zorgen dat de beoogde uitbreiding van windparken op zee niet vastloopt. Een garantie-instrument voor langlopende energiecontracten kan de directe subsidiekosten dan mogelijk beperken.




