Romy de Weert 13 oktober 2022, 15:26

De zin en onzin over duurzame kleding: 'Sommige groene claims zijn allesbehalve duurzaam'

Écht duurzame kleding zonder vraagtekens: het is lastig te vinden, ziet Ellen Mensink, oprichter van het merk Loop.a life. Naast haar circulaire merk bouwt ze aan de eerste circulaire grondstoffen fabriek in Amsterdam en wil ze andere merken aanzetten om duurzame circulaire stoffen te gebruiken voor hun collecties.

Loop a life Slechts 1 procent van alle kleding is gerecycled | Credits: Loop.a.life

Termen als recycled, sustainable en fair fashion
vliegen je om de oren. Op bijna ieder kledinglabel staat wel dat er iets duurzaam aan is, terwijl dat niet altijd het geval is. Slechts 1 procent van alle kleding is gerecycled. En dat is dan vaak met name pre-consumer materiaal (of industrie afval). Wanneer kleding wordt gemaakt, worden stukken stof gesneden tot de vorm van een broek of shirt. Daar blijft vaak wat van over: de snijresten. “Dat noemen we pre-consumer materiaal”, legt Ellen Mensink uit. “Dat is restmateriaal uit de brei en weeffabrieken wat nog niet gedragen is – dus feitelijk nieuw materiaal – maar wel nog goed gebruikt kan worden.”

Dat is voor producenten interessant: want het kan op materiaal en kleur aangekocht worden, het is goedkoper en ze hebben daardoor minder nieuwe stof nodig.” Deze snijresten worden vaak aangeboden als duurzaam en circulair materiaal.

“Maar dat is natuurlijk niet echt circulaire mode. Circulaire mode gaat over het verwerken van afgedankte niet herbruikbare kleding die door de consument gedragen is. En daar zit de uitdaging”, zegt Mensink.

Duurzaam en verantwoord kleding maken

Afgedankte kleding gaat 4 keer de wereld rond

Het is volgens Mensink niet nieuw om afgedankte kleding te gebruiken voor nieuwe producten. “Maar helaas wordt dat materiaal nu vooral gebruikt voor laagwaardige garens en eindproducten, zoals verhuisdekens”, zegt ze. Bovendien wordt onze afgedankte kleding aan de andere kant van de wereld gesorteerd en verwerkt, vaak op een niet duurzame manier en met gebruik van kinderarbeid, weet Mensink. “Het kan zelfs zo zijn dat dit materiaal wel vier keer de wereld over gaat om uiteindelijk bewerkt en geverfd te worden tot een nieuw eindproduct. Dat is allesbehalve duurzaam.”

Duurzaam en echt circulair materiaal moet meer aandacht krijgen, vindt Mensink. “Dat is nieuwe kleding gemaakt op een manier die goed is voor de planeet en bestaat uit afgedankte, gedragen kleding. Dat noemen we post-consumer materiaal. Want daar hebben we immers genoeg van. We kunnen daarmee de toenemende afvalberg van kleding verkleinen. Bovendien wordt die kleding dan niet verbrandt.”

Écht circulaire kleding van Loop.a.life

Brightloops wil de textielindustrie op de schop nemen. De productie van kleding is enorm vervuilend: het zorgt voor veel textielafval, er belanden chemicaliën in het milieu en er zijn onnodig veel water- en grondstoffen nodig. Ellen Mensink, oprichter van Brightloops brengt onder de naam Loop.a.life écht duurzaam textiel op de markt. “We maken van een groot percentage oude kleding nieuwe grondstoffen, garens en doeken voor nieuwe circulaire producten”. Daarbij is de basis dus niet industrie afval, snijresten en gebruikte PET-flessen.

Reusachtige afvalberg van textiel

Met Brightloops wil Mensink de kledingafvalberg verkleinen. Die berg is namelijk reusachtig. Jaarlijks wordt er zo’n 59.000 ton aan textiel in de Atacama woestijn in Chili gedumpt. De afvalberg daar is inmiddels zo’n 4 tot 5 meter hoog.

Het stoort Mensink dat die afvalberg maar blijft groeien, terwijl dat niet nodig is. “Wij kopen lokale reststromen in. Dat is vaak oud textiel dat niet meer gedragen wordt. Post-consumer materiaal dus.” Oude kleding is voor Mensink de grondstof voor nieuwe kleding.

Lokale inkoop

Die reststromen haalt Mensink niet uit de Atacama woestijn. “Dan verscheep je het de hele wereld over, terwijl we hier ook genoeg textielafval hebben waar iets nieuws gemaakt van kan worden.” Ze koopt het afval zo veel mogelijk lokaal in bij sorteerders. “Wij werken aan een volledig gesloten systeem, dat betekent dat onze lokale reststromen ook in onze collectie terecht komen. En dat is belangrijk om kennis te ontwikkelen op het gebied van circulair textiel. Zo kunnen we goed analyseren welke input stroom leidt tot welke kwaliteit. Daarmee zorgen we ervoor dat onze grondstoffenfabriek een consistente stroom kwalitatief hoogwaardige materialen kan maken.”

“Vroeger sorteerden we het zelf. Toen we zo’n 7 jaar geleden begonnen, verwerkten wij zo’n 10.000 kilo kleding per keer met de hand. Eerst op materiaalsoort en daarna op kleur. Maar wanneer je wil opschalen, is dat niet meer te doen”, zegt Mensink. Nu kan het met een machine. “Die selecteert kledingstukken op compositie en op kleur.”

Nadat de oude kledingstukken gesorteerd zijn, worden ze schoongemaakt en geknipt. “Daarna gaat het naar een aantal landen binnen Europa, zoals Frankrijk, Portugal en Italië.” Het liefst doet Mensink alles in Nederland, maar de techniek voor kledingproductie is hier nog niet aanwezig of verre van ontwikkeld.

Circulaire grondstoffen fabriek

Mensink: “We proberen uiteindelijk zo veel mogelijk zelf te doen. In Amsterdam bouwen we de eerste circulaire grondstoffen fabriek van Nederland, waar we hoogwaardige garens en doeken leveren. Kledingmerken kunnen dat materiaal inkopen om er bijvoorbeeld een broek of shirt van te maken.”

De fabriek komt precies op het juiste moment. De Nederlandse overheid wil in 2023 een Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor textiel invoeren. Daarmee worden kledingbedrijven verantwoordelijk voor wat er na het gebruik met hun eigen producten gebeurt. Er zijn ook gesprekken gaande over een verplicht percentage gerecycled materiaal dat in een kledingstuk moet bevatten.

“Kledingmerken moeten uiteindelijk verduurzamen. Of ze nu willen of niet. Dat betekent dat de vraag vanuit de markt naar circulaire stoffen steeds groter wordt”, zegt Mensink. En dat is ook nodig om bestaansrecht te hebben, ziet ze. “Op dit moment is het allerbelangrijkste om investeerders te vinden die impactvol investeren. We moeten onszelf op de kaart zetten en meer merken motiveren om mee te doen.”

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief: iedere dag rond 07.00 uur het laatste nieuws

Wil jij iedere ochtend rond 7 uur het laatste nieuws over duurzaamheid ontvangen? Dat kan! Schrijf je hier in voor onze dagelijkse nieuwsbrief.

Merendeel woningen nu al geschikt voor warmtepomp en warmtenet

Een woning aansluiten op een warmtepomp of warmtenet kan een flinke klus zijn. Vaak worden huizen eerst geïsoleerd, of van andere radiatoren voorzien voordat op een lagere verwarmingstemperatuur wordt overgeschakeld. Maar dat blijkt voor veel woningen niet nodig: zestig procent van de woningen kan nu al met water van 55 graden worden verwarmd, en maar liefst 95 procent van de woningen op 70 graden. Dat stelt onderzoek van WarmingUP, een samenwerkingsverband tussen verschillende partijen in de warmtesector.Woningen doorgemeten De onderzoekers hebben in 220 - voor Nederland representatieve - woningen gemeten hoe de verwarming in de praktijk functioneert. Aan de hand van een model is berekend met welke minimumtemperatuur de verwarming van deze woningen toekunnen. Hieruit kwam onder andere naar voren dat vrijwel alle huizen in Nederland aangesloten zouden kunnen worden op een warmtenet met een middentemperatuur van 70 graden.“De bouwperiode of woningtype blijken geen goede voorspellers voor of je kan overschakelen op lagere temperaturen”, zegt Ivo Pothof, projectleider bij onderzoeksinstituut Deltares. “Er zijn oude woningen die prima op heel lage temperaturen verwarmd kunnen worden, maar juist ook nieuwbouwwoningen met postzegelradiatoren die niet geschikt zijn voor verwarming met lage temperaturen. Het gaat alle kanten op.”Lees ook: Een hybride warmtepomp met AI uit Nederland kan 20 procent extra besparenOnderbenutte capaciteitHet belangrijkste aspect voor het overschakelen op lagere temperaturen is de zogenaamde overdimensionering: de hoeveelheid onderbenutte capaciteit die de bestaande warmtevoorziening in een woning heeft. Ondanks dat ze minder goed geïsoleerd zijn, zijn veel oudere panden voorzien van een ruime hoeveelheid radiatoren. Hierdoor kunnen ze met lagere temperaturen toe. Veel prima geïsoleerde nieuwbouwwoningen hebben juist een minimale hoeveelheid radiatoroppervlakte en hebben daardoor hogere temperaturen nodig. De overdimensionering van woningen is redelijk gelijkmatig over de gehele woningvoorraad verdeeld.Pothof denkt dat dit onderzoek grote consequenties kan hebben voor de snelheid waarmee woningen worden overgeschakeld op warmtenetten en -pompen, en de kosten die daaraan verbonden zijn. “Een ketel eventjes op 90 graden laten loeien is niet zo ingewikkeld. Maar als je een warmtepomp een piek aan warmte wil laten afgeven, heb je direct veel meer vermogen nodig. Je wil natuurlijk voorkomen dat je bij het overschakelen op duurzame bronnen allerlei overbodige investeringen gaat doen. De kosten van de energietransitie wil je zo laag mogelijk houden.”Lees ook: In 2026 moeten we allemaal aan de hybride warmtepomp, maar wie gaan die installeren?Schrijf je in voor onze nieuwsbrief: iedere dag rond 07.00 uur het laatste nieuws Wil jij iedere ochtend rond 7 uur het laatste nieuws over duurzaamheid ontvangen? Dat kan! Schrijf je hier in voor onze dagelijkse nieuwsbrief.