Rianne Lachmeijer 01 juli 2022, 15:00

'De zeespiegel gaat 2 meter stijgen: Tijd om voorbereidingen te treffen'

De meeste Nederlanders wonen en werken in overstromingsgevoelige gebieden. Opmerkelijk genoeg zijn dat nu juist de gebieden in de Randstad, waar nieuwbouwwoningen de hoogste verkoopprijzen hebben. Het is tijd voor harde keuzes als we het hoofd boven water willen houden. “Is het houdbaar om in de Randstad te blijven wonen of moeten we toch wat meer naar het Oosten?”

Wassende water Sabrina Helmyr: (Arcadis): “De zeespiegel gaat 2 meter stijgen. Zeker weten. Het is alleen de vraag hoe snel dat gaat"

“Ik heb de eerste kopers al gehad die vroegen naar de NAP-score van de woning”, zegt Onno Dwars. Voor de CEO van Ballast Nedam Development is het een teken dat mensen zich zorgen beginnen te maken over overstromingsrisico’s. Terecht. De meeste Nederlanders wonen en werken in overstromingsgevoelige gebieden. Dat zijn ook populaire plekken voor nieuwbouw, waardoor juist daar veel woningbouw plaatsvindt of op de planning staat.

Tegelijkertijd nemen de klimaatrisico’s toe. Van dalende veengebieden en een stijgende zeespiegel tot piekbuien. Het is tijd om ons voor te bereiden. Sabrina Helmyr: “De zeespiegel gaat 2 meter stijgen. Zeker weten. Het is alleen de vraag hoe snel dat gaat: is het eind van deze eeuw of volgende eeuw? Ook krijgen we meer extremere buien, zoals we afgelopen jaar zagen in Limburg. Het is niet meer een kwestie van óf het gebeurt, maar vooral hoe we ons daarop voorbereiden.” Als Commercieel Directeur Water en Sectorleider Waterschappen bij Arcadis houdt Helmyr zich bezig met dit aanpassingsvraagstuk. Zij maakt onderscheid tussen regenwater, rivieren en de zee.

Wateroverlast

“Het begint altijd met de regen”, zegt Helmyr. De eerste stap is voorkomen dat die regen tot overlast leidt en naar lager gelegen gebieden stroomt. Alles in het riool lozen, is niet de oplossing. “Riolering kan maar 2 centimeter regen aan. Als er meer valt, dan past het niet. Tijdens de heftige buien in Limburg afgelopen zomer viel er 18 centimeter. Daar kunnen we de Nederlandse riolering niet op aanpassen dus we moeten voorkomen dat het water in het riool komt.”

Water opvangen op de plek waar het valt, is het credo. Dat betekent minder asfalt en betegeling, regenpijpen aansluiten op regentonnen in plaats van het riool en meer groen. Bij meer groen denkt Helmyr niet alleen aan parken en tuinen, maar ook aan daken en gevels. Daar ligt een rol voor de bouwers. Dwars: “Wij zijn al bezig met water-adaptief bouwen door water langer vast te houden op gebouwen. Maar ook onder parkeerplaatsen. Nieuwbouwwoningen met platte daken krijgen zonnepanelen of worden bekleed met sedum. Steeds vaker is het een combinatie van beide.”

Marjolein Mens, expert droogte en waterverdeling bij Deltares, ziet wel wat in vuistregels die aangeven hoeveel waterberging een stad of dorp moet bieden. “Dat kun je ook heel mooi combineren met groen of speeltuinen.” Ook Dwars ziet daar de positieve kant van in: “Door dit thema gaan we steden echt massaal vergroenen. We gaan de auto uit steden bannen, lopen en fietsen komen veel meer centraal te staan. Dat zie ik echt gebeuren. In die zin heeft het heel veel voordelen om water weer lokaal te laten infiltreren.”

Van regen tot rivier

“Als het regenwater in beken zit, dan gaat het uiteindelijk naar rivieren toe. Met name de Maas is een regenrivier. Die moet het heel erg hebben van de regen die bijvoorbeeld in de Ardennen valt. Dus als er daar heftige buien zijn, dan komt dat heel snel tot afstroming in de Maas”, zegt Helmyr.

De afgelopen jaren investeerde Nederland veel in ruimte voor de rivier en versterking van de dijken. De hoge waterstanden in ’93 en ’95 hielpen om het belang hiervan te beseffen. Maar de tijd schrijdt voort en mensen vergeten het verleden. Helmyr: “Je ziet dat we met alle druk op de woningmarkt toch weer in uiterwaarden gaan bouwen. Over het algemeen is dat niet verstandig. Geef die ruimte nou aan de rivier. Het leidt onherroepelijk tot problemen als we het allemaal volbouwen.”

Water stroomt naar beneden. Dat wisten we als kind al, maar als volwassenen lijken we het vergeten te zijn. Meer dan de helft van de 1 miljoen woningen die voor 2030 gepland staan, lopen overstromingsrisico’s. Daarbovenop komen de gebieden die risico lopen door hitte, droogte en bodemdaling. Daarom constateerde Deltacommissaris Peter Glas in een adviesrapport eind vorig jaar dat 820.000 huizen gepland zijn in risicovolle gebieden. Daarom vindt Mens dat we oog moeten hebben voor de ondergrond waarop we bouwen. Ze werkte mee aan een onderzoek daarover.

Download ook het rapport: Op Waterbasis, grenzen aan de maakbaarheid van ons water- en bodemsysteem

Het probleem van de polders

Mens legt uit waarom we ook bij polders en veengebieden goed moeten nadenken over nieuwbouw. “De bouw is van nature ingericht op geoptimaliseerde omstandigheden. Dus vaste waterpeilen. Klimaatverandering zorgt ervoor dat de variabiliteit toeneemt. Laag en hoog water wisselen elkaar sneller af. Voor de bouw zijn te grote wisselingen van grondwaterstanden vaak niet handig. Dat geldt zeker voor oudere gebouwen, maar ook met nieuwbouw moet je daar rekening mee houden.”

Ook de Nederlandse overheid kan daar baat bij hebben als het gaat om het halen van de klimaatdoelen. Zo brengen dalende veengronden meer CO2 in de lucht. CO2 zorgt ervoor dat de aarde opwarmt. Dit valt te voorkomen door het grondwaterpeil in veengebieden te verhogen, maar dit kan overlast opleveren voor boeren en bewoners. Mens vreest een “lock-in” als we gebieden volbouwen die we ook voor water nodig hebben. Nu houden we het water in veel polders en veengronden al kunstmatig laag.

Met dalende veengronden, meer neerslag in de winter en hevigere piekbuien in de zomer nemen de kosten voor water wegsluizen alleen maar toe. En het water moet ergens heen. Mens: “Een hogere grondwaterstand betekent automatisch minder berging voor water. Dus die berging moet je ergens anders in het systeem vinden of creëren om wateroverlast te voorkomen.”

‘27 tot 112 miljard euro schade’

In plaats van de risico’s te beperken, kunnen we deze beter proberen te voorkomen. Die boodschap lijkt ook in politiek Den Haag aangekomen. ‘Nu al wordt grote schade ondervonden, en deze kan oplopen tot een bedrag van 27 tot 112 miljard euro in 2050 in het stedelijk gebied als er niks gebeurt’, schreven Hugo de Jonge (minister Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) en Mark Harbers (minister Infrastructuur en Waterstaat) eind mei in een Kamerbrief. Als het bruto binnenlands product (bbp) van Nederland de komende jaren gelijk blijft, zullen we in het ergste geval 13,8 procent van ons jaarlijkse inkomen kwijt zijn aan schadekosten.

‘De geschatte schade door de extreme regenval in Limburg was 1,8 miljard euro. Door vroeg in het plan- en ontwerpproces klimaatadaptieve maatregelen mee te nemen, worden de (meer)kosten bij nieuwbouw beperkt gehouden.’ Daarom komt de overheid met een klimaatadaptatie-meetlat en gaat ze zich actiever bemoeien met nieuwbouwlocatiekeuzes.

De overheid speelt een grote rol bij de aankoop van gronden door vastgoedontwikkelaars. Vooral indirect. Uitspraken van Hugo de Jonge over toekomstbestendige bouwlocaties worden opgepikt in de markt. Dwars: “Op het moment dat een minister iets ter discussie stelt, moet je op gaan letten.” Het tegenovergestelde is ook het geval. Bijvoorbeeld als het gaat over bouwen in één van de diepste polders van Nederland: de Zuidplaspolder. “Het Rijk en de gemeente hebben besloten daar te gaan bouwen. Daarmee is volgens mij de discussie beslecht.”

Zeespiegelstijging

Naast piekbuien en volle rivieren krijgt Nederland nog een uitdaging voor de kiezen: de zeespiegelstijging. Helmyr: “De zeespiegelstijging gaat geleidelijker. Dat gaat echt over smeltende poolkappen en is daarom van een andere orde. Lastiger. Als die gaat stijgen, dan kunnen we daar bijna geen invloed meer op hebben. Met neerslag kunnen we een hele hoop in onze eigen omgeving doen. Maar als de zeespiegel stijgt, dan hebben we het echt over de volle breedte van de kust.”

Deltares zette in 2019 al strategieën op papier om ons aan te passen aan een hoge en versnelde zeespiegelstijging. In onze huidige bescherming-scenario’s gaan we uit van een zeespiegelstijging tussen 0,35 en 1 meter in 2100 (ten opzichte van 1995). Inmiddels weten we dat 2 meter in 2100 niet uitgesloten is. “Is het houdbaar om in de Randstad te blijven wonen of moeten we dan toch wat meer naar het Oosten?”, vraagt Helmyr zich af. Het is één van de denkrichtingen die ook Deltares beschrijft in haar onderzoek. Daarnaast evalueert de kennisinstelling maatregelen als de Waddenzee afsluiten, extra eilanden aanleggen, bouwen op palen en het aanleggen van terpen.

Elke denkrichting komt met zijn eigen uitdagingen en kostenposten. | Credit: Deltares

De oplossingen vallen te verdelen in drie categorieën: meebewegen, zeewaarts uitbouwen of beschermen. Beschermen komt in twee smaken: met zee-toegang voor rivieren of een compleet afgesloten Nederland met ‘een muur’ langs de kustlijn. Elk komt met zijn eigen uitdagingen en kostenposten. “Uitbreiden naar zee is bijvoorbeeld heel technisch en het is nog maar de vraag of we daar voldoende zand voor kunnen aanvoeren”, zegt Mens.

“Ons verplaatsen richting hoog Nederland zou ik een heel goed idee vinden.” Tegelijkertijd wil Mens niet vol inzetten op één strategie. Een combinatie lijkt haar het beste. “Aan de ene kant hebben we veel ruimte nodig om water kwijt te kunnen, maar tegelijkertijd moeten we een aantal gebieden aanwijzen die we altijd goed blijven beschermen. Zonder ons volledig blind te staren op die bescherming.” Mens gelooft in ‘meerlaagse bescherming’. Dat betekent dat er bijvoorbeeld altijd vluchtwegen zijn die bereikbaar blijven.

Download het rapport Strategieën voor adaptatie aan hoge en versnelde zeespiegelstijging

Terpen en drijvend bouwen

Om ons aan te passen aan het wassende water noemt het Deltares-rapport terpen en drijvende gebouwen als mogelijkheden. Dit soort oplossingen spreken tot de verbeelding, maar Mens, Helmyr en Dwars zien beperkingen in de grootschalige toepassing hiervan.

Mens: “Ik geloof dat woonboten in omgeving Amsterdam al last hebben van een paar centimeter waterpeilverschil. Die woonboten zitten natuurlijk vast aan riolering en elektriciteit. Dus daar moet je wel rekening mee houden.” Dwars ziet drijvend wonen om dezelfde reden vooral als nichemarkt. Een massale opkomst van drijvende steden verwacht hij daarom niet. “Er kleven gewoon heel veel nadelen aan.” Hetzelfde geldt voor terpen. “Terpen wil je vaak bouwen op gronden die inklinken en door er gewicht op te zetten versnel je het inklinkingsproces.”

Daarom komt de discussie terug bij bouwlocaties: niet bouwen op plekken met hoge risico’s. “Er zit gewoon een grens aan wat we technisch moeten willen oplossen”, benadrukt Helmyr. Drijvend bouwen en terpen aanleggen: het kan allemaal. “Maar je hebt ook te maken met infrastructuur. Je moet er nog wel kunnen komen.” Ook dat valt op te lossen. Bijvoorbeeld door straten hoog aan te leggen, zodat die bereikbaar blijven bij overstroming. “Maar de vraag is of je dat moet willen”, vindt Helmyr.

Volksverhuizing

Uit een onderzoek van het PBL blijkt dat Nederlanders nog niet klaar zijn voor een verhuizing naar hoger gelegen gebieden. ‘Het op korte termijn aansturen op een andere verdeling van de woningbouw over het land vormt daarmee geen oplossing voor de huidige krapte op de woningmarkt’, schrijven De Jonge en Harbers in hun Kamerbrief. Daarmee lijken de ministers een definitieve keus uit te stellen terwijl er volgens Mens en Dwars daadkracht nodig is. “We kunnen niet alle opties oneindig openhouden”, zegt Mens.

Dwars vult aan: “Voor het investeringsklimaat in Nederland is het cruciaal dat de overheid op korte termijn met een plan komt over hoe we met de zeespiegelstijging en de piekafvoer van rivieren omgaan. Als we daar nu op anticiperen dan kan Nederland nog mooier en aantrekkelijker worden. Vanuit natuurbeleving zie ik daar ook echt een kans, maar we moeten het antwoord nu wel echt gaan vinden.”

Dit artikel maakt onderdeel uit van de serie Het wassende water. Lees ook de eerdere delen:

"We plegen roofbouw op de aarde, en dat wordt maar een klein beetje via belastingen gecorrigeerd"

Hoog tijd dus dat alle Westerse bedrijven verplicht overstappen op verantwoorde leveranciers, vindt D’Angremond. En ook retailers moeten hun verantwoordelijkheid nemen. “Om te voorkomen dat het een enorm zoekproces wordt in de supermarkt. Het is voor de consument niet te doen om bij elk product te weten wat de meest duurzame optie is. Dus laten we die invloed vooral niet overdrijven.” Hoe zorg jij voor een snelle verduurzaming? “Met het woord snel heb ik een beetje moeite. Ik was ooit bij een bijeenkomst waar David Nabarro sprak, destijds de VN-rapporteur op voedselveiligheid. Hij vertelde dat een gemiddelde politicus zo’n vier jaar op zijn stoel zit. En een gemiddeld veranderproces duurt zo’n twintig tot dertig jaar. De beleidshorizon en de tijd die veranderingen als deze vergen loopt te ver uit elkaar dat dit wringt. Vanuit Fairtrade Nederland maken wij tempo door er voor te zorgen dat bedrijven worden geholpen bij het verduurzamen van hun waardeketens. We helpen ze heel concreet door handelingsperspectief te bieden. Als ze meedoen maken we dat zichtbaar met ons Fairtrade-keurmerk. Meestal kun je al binnen een half jaar gecertificeerd zijn, afhankelijk van je productiestructuur.” Welk type leider is daar voor nodig? “Een bruggenbouwer. Iemand die mensen met elkaar verbindt. Want als je dat doet, en ook kijkt naar wat anderen nastreven, dan leer je het brede veld beter begrijpen. Waar behoefte aan is, en welke kant je innovatietrajecten op moet duwen. Omdat het speelveld waar wij in opereren heel complex is, heb je veel partijen nodig om tot resultaten te komen. Participatie-leiderschap, want je kunt het niet alleen. Samen moet je – in dit geval letterlijk – de boer op. Mét de boeren. Ik zie vaak goede initiatieven waar men vergeet boeren uit te nodigen, terwijl het over hun gaat. Bovendien is het belangrijk dat je principes hebt. Alle leiders in duurzaamheid hebben principes. Een beetje een paradox omdat ‘de Nederlandse zakenman’ juist uitblinkt in pragmatisme: we focussen op zaken waar we zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld kunnen verdienen. Maar er moeten principes meespelen om te komen tot een gelijke verdeling in de keten. Principes die verder gaan dan wat je als ‘jantje gemak’ in de sommetjes meeneemt. De manier waarop wij boekhouden is fundamenteel fout. We nemen in het sommetje om te komen tot de winst niet mee wat de impact van het product is op water, lucht, grond en gemeenschap. Dat wentelen we af op de maatschappij. We plegen in feite roofbouw op de aarde, en dat wordt maar een heel klein beetje via belastingen gecorrigeerd. Het is vreemd dat wij deze factoren buiten de berekeningen houden.” Lees ook: True Price, de oplossing voor de te lage prijs van voeding? Peter d’Angremond: "Het is belangrijk dat je principes hebt. Alle leiders in duurzaamheid hebben principes."Ben je tevreden met wat je zelf al bereikt hebt? “Zeker, over het algemeen ben ik heel tevreden en trots op wat het team allemaal al heeft bereikt. Helemaal als ik kijk hoe we het doen in vergelijking met andere Fairtrade organisaties. In Nederland consumeren we per hoofd van de bevolking veel Fairtrade-producten, en de volumes groeien door. Bovendien initiëren we als Fairtrade Nederland veel. Dat wordt vervolgens meegenomen in de internationale organisatie. Bijvoorbeeld het meten van de lonen op plantages vanuit één instrument. Dat is nu internationaal omarmd. Zo heeft iedereen inzicht of de salarissen op het niveau van een leefbaar loon zijn. Daarbij gaat het om de werknemers op de plantages. Bij de boeren spreken we van leefbaar inkomen. Met name bij cacao hebben we veel studies gedaan naar wat een leefbaar inkomen is. Die zaten er namelijk ver vanaf. Dat model inclusief referentieprijs zie je nu en masse overgenomen worden door de cacao-industrie. En dat verplicht ons om door te blijven gaan en de aanpak met leefbaar inkomen referentie prijzen ook te vertalen naar koffie- en bananenboeren.” Welk doel heb je voor ogen? “Een belangrijke doelstelling is het bereiken van leefbare inkomens voor boeren, fatsoenlijk werk en leefbare lonen op plantages. Het mooiste zou natuurlijk zijn als we onszelf kunnen opheffen. Maar in alle eerlijkheid denk ik dat dat nog wel even duurt.” Waar ben je het beste mee geholpen? “Er is nog steeds een te grote vrijblijvendheid in de markt. Daar moet iets aan worden gedaan. Het is nu te makkelijk voor bedrijven om even in – en niet veel later weer uit te stappen. Dat kan de markt uit door verschillende manieren. De vrijblijvendheid kan worden teruggedrongen door bijvoorbeeld sectorafspraken te maken. Daardoor komt sectorbreed het verduurzamingsproces in beweging. En het kan via wetgeving. Daar is men mee bezig, maar belangrijk is dat het ambitieus genoeg is. Anders doet het eerder kwaad dan goed.” Waar heb je spijt van? “Elke situatie waarbij het niet gelukt is om de boeren aan tafel te krijgen. Dat is altijd een gemiste kans. Want het geeft vaak enorm veel inzicht. De reden dat het niet lukt? Ze wonen vaak op twaalf uur vliegen hiervandaan, en soms wordt het domweg vergeten. Maar als we het doen levert het enorm veel op. Het is nog beter om uit hun mond te horen waar ze behoefte aan hebben. Gelukkig lukt het tegenwoordig steeds vaker om ze via een videoverbinding in te bellen, al laat het internet daar nog wel te wensen over.” Schrijf je in voor onze Newsbreak: iedere dag rond 12 uur het laatste nieuws Wil jij iedere middag rond 12 uur het laatste nieuws over duurzaamheid ontvangen? Dat kan! Schrijf je hier in voor onze Newsbreak.