Redacteur Maaike
Maaike Kooijman
30 juli 2025, 10:15

Changemaker Pepijn Schmeink: 'Er is veel te weinig kennis over hoe je met groenten werkt'

Wie weleens in restaurant Eendracht, Dertien of Jack Bean in Rotterdam heeft gegeten, kent de kookstijl van Pepijn Schmeink: lokaal, plantaardig en vooral lekker. Sinds de sluiting van zijn laatste restaurant begeleidt hij vooral andere ondernemers in de duurzame voedseltransitie. ‘We kunnen het ons niet veroorloven om rustig aan te doen.’

Changemaker Pepijn Schmeink 'De combinatie van visie en pragmatische handvatten werkt heel goed. Niet lullen, maar poetsen.'

Je hebt bijna twintig jaar eigen restaurants gehad. Hield je je al die tijd bezig met plantaardig eten?

‘Ik heb in mijn leven in veel steden gewoond, maar ben opgegroeid op een boerderij. De connectie met het land kreeg ik met de paplepel ingegoten. Dus toen ik een restaurant begon was het voor mij een logische stap om contact te leggen met boeren. In plaats van alleen te vragen wat ze in de aanbieding hadden wilde ik weten wat ze deden en wat ze nodig hadden. Het werd me vrij snel duidelijk dat we veel meer lokaal moesten eten en bijvoorbeeld hele dieren af moesten nemen, om die van kop tot staart te serveren. We werkten farm to table voordat dat een naam had.

Als je zo werkt, word je vanzelf onderdeel van de beweging naar toekomstbestendig boeren. De plantaardige evolutie is bij mij simultaan gegaan. Als je kookt met wat er beschikbaar is, moet je op een gegeven moment gaan fermenteren om de winter door te komen. De bewerking van groenten kwam steeds meer centraal te staan. In restaurant Dertien was ongeveer een derde van ons aanbod plantaardig. We noemden deze gerechten niet vegan. Maar zeker in een stad met veel diëten en religies als Rotterdam is het handig om eten te serveren dat door veel verschillende mensen gegeten kan worden. De plantaardige gerechten werden heel goed verkocht.

Jack Bean was het laatste restaurant waar ik mede-eigenaar van was. We wilden de duurzaamste keten van Europa opzetten. Alles was plantaardig, slechts 5 procent van de ingrediënten was niet lokaal. Tegelijkertijd was het eten toegankelijk en betaalbaar. We serveerden bijvoorbeeld burgers, burrito’s en salad bowls.’

Waarom ben je gestopt als restauranteigenaar?

‘Jack Bean had een vliegende start. In negen weken tuigden we twee restaurants en een productiekeuken op. Drie dagen na de opening van de vestiging bij Rotterdam Centraal ging het land op slot. Toen na corona de energieprijzen omhoog schoten en personeel onvindbaar werd, hebben we de stekker eruit getrokken.

Het was de eerste keer in 18 jaar dat ik geen restaurant had. Al snel merkte ik dat ik veel meer impact kon maken in de voedseltransitie als ik niet midden in de operatie van één restaurant zat. Ik doe nog wel catering, maar help verder vooral anderen hun menu plantaardiger te maken en tegelijkertijd toegankelijk te houden. Er valt nog een hoop kennis en kunde te delen, bijvoorbeeld over hoe je kunt omgaan met bepaalde producten. Groenten en granen lekker bereiden is een blinde vlek; we besteden veel meer aandacht aan dierlijke producten. Met kipfilet doe je óók meer dan alleen koken.

Ik heb me als ambassadeur aangesloten bij Het Nieuwe Nassen, een Rotterdams initiatief dat Rotterdamse voedselondernemers en natuurinclusieve boeren verbindt om samen de voedseltransitie op de kaart te zetten. Naast meet-ups organiseren we challenges, waarin ondernemers de uitdaging aangaan om bijvoorbeeld minder voedsel te verspillen of meer lokaal in te kopen.’

Wat zijn de reacties daarop?

‘De combinatie van visie en pragmatische handvatten werkt heel goed. Niet lullen, maar poetsen. Lekker Rotterdams. Dat heeft ook mijn mindset veranderd. Vóór corona was ik wat starder in mijn overtuiging dat alles stante pede plantaardiger moest. Met een eigen restaurant kon dat ook. Nu kom ik veel in aanraking met mensen die echt wel willen, maar tegen praktische bezwaren en weerstand aanlopen. Misschien wil een hoteleigenaar wel meer plantaardig serveren, maar ziet het personeel dat helemaal niet zitten. Een transitie gebeurt in kleine stapjes, weet ik nu. Helaas.

Dat moet trouwens geen reden zijn om helemaal niet te veranderen. Pragmatisch, ja, maar ik erger me aan iedereen die zegt dat we “het rustig aan moeten doen”. Dat kunnen we ons niet veroorloven. Het is geen twee voor twaalf meer, het is één uur. Daar maak ik me serieus zorgen over, maar het stimuleert me ook om nog harder mijn best te doen.’

Onderdeel van Het Nieuwe Nassen is ook een inkoopcollectief. Waarom?

‘Kijk, je kunt wel wat uien gaan kopen in een boerderijwinkel, maar daar heeft een boer niet zo veel aan. Daar gaat het om hectares en de garantie dat die oogst wordt afgenomen. We willen lokaal geen kilo’s afnemen, maar tonnen. Het bedrijf Falafval bijvoorbeeld maakt falafel van geredde groenten en gele erwten, in plaats van kikkererwten uit het buitenland. Een boer in de Hoeksche Waard heeft nu 3 hectare bloeiende gele erwten. Dát is impact. Samen willen we een alternatief creëren voor de hyperefficiënte, maar onduurzame keten die zo gebruikelijk is.

Afnemers spelen één rol, maar de overheid moet ook haar verantwoordelijkheid nemen. Dierlijke eiwitten worden honderden keren meer gesubsidieerd dan plantaardige. Een lichte discrepantie, als ik het zo eufemistisch mag uitdrukken. Gewassen die goed zijn voor mens én bodem – granen en bonen – leveren de boeren het minste op. Soms kost de teelt ze zelfs geld. Voor de voedseltransitie is het belangrijk om die gewassen te gaan herwaarderen. Ook financieel.’

Hoe zorgen we ervoor dat mensen meer plantaardig eten in restaurants?

‘Plantaardig eten moet vooral lekker zijn. Dan staan mensen er veel meer voor open. Wat dat betreft is de hype van een paar jaar geleden niet goed geweest. Vlak voor corona werd vegan ineens mainstream – influencers en Hollywoodsterren gingen plantaardig eten en investeerders staken gigantisch veel geld in nieuwe bedrijven of producten. Bij grote merken als Beyond Meat klotste het geld nog net niet tegen de plinten. Er zijn toen heel veel vlees- en zuivelvervangers op de markt gebracht die simpelweg niet lekker waren. Van die creamcheese die naar stopverf smaakte. Dat verbaast me. Als je iets plantaardigs in de winkel legt, moet het minstens net zo lekker zijn als het alternatief.

Na zo’n tegenvallende ervaring zijn mensen nu weer sceptischer. Ik denk dat corona ook niet heeft geholpen. We werden ineens zo erg beperkt in onze keuzemogelijkheden, dat we niet ook nog vlees wilden opgeven. Dat heeft voor een soort hedonisme gezorgd.

Alleen superlekker plantaardig eten kan dat veranderen. Dat is er genoeg. En soms zijn er ook andere oplossingen. Met het Franciscus Gasthuis in Rotterdam heb ik bijvoorbeeld een hybride gehaktbal ontwikkeld: deels vlees, deels erwteneiwit. Daarmee eten mensen hun vertrouwde bal, maar is de milieu-impact kleiner. Uiteindelijk is mijn doel om plantaardig eten voor iedereen toegankelijk te maken. Niet alleen voor een paar hipsters die mee willen doen met de trend.’

Met wie zou je graag willen samenwerken?

‘Ik ben nu bezig met verschillende projecten in de zorgsector. Zo zit ik in het oprichtingsteam van Caring Chefs, en met Het Nieuwe Nassen gaan we een challenge doen rondom plantaardig eten in de zorg. Ik denk dat daar veel kansen liggen om een grote groep mensen te bereiken. Als ziekenhuizen een duurzamer dieet ontwikkelen waarvan artsen en diëtisten zeggen dat het goed voor mensen is, zal dat ontzettend veel betekenen.’

Lees ook:

Gaat deze nieuwe flowbatterij zonder membraan zorgen voor een betaalbare energietransitie?

De batterij gaat minimaal twintig jaar mee en gebruikt niet-ontvlambare, niet-schaarse materialen die overal voorkomen. Daardoor is de milieu-impact minimaal. Het revolutionaire eraan is dat de flowbatterij energie kan opslaan zonder membraan, het duurste en meest kwetsbare onderdeel van dit type batterij. ‘Dat alleen al heeft meteen effect en verlaagt de kosten met 30 tot 40 procent’, zegt Thanasis Stergiou, medeoprichter en chief commercial officer van HalioGen Power. Groene energie langer en goedkoper opslaan Nu twee derde van alle opgewekte stroom uit zon en wind komt, is het zaak om die voor langere periodes te kunnen opslaan om donkere periodes zonder wind (Dunkelflaute) door te komen. Dat heet Long Duration Energy Storage (LDES) en daarvoor zijn batterijen nodig. Op dit moment zijn 99,9 procent van alle gebruikte batterijen lithium-ion batterijen, blijkt uit het eerste Smart Storage Trendrapport, dat vorig jaar werd gepresenteerd.Klein probleem: deze batterijen kunnen stroom maximaal 4 tot 6 uur opslaan en gaan hooguit zeven tot acht jaar mee. ‘Ondertussen schreeuwt de markt om opslag van meer dan acht uur. Het liefst acht tot zestien uur’, zegt Stergiou.Een ander probleem is dat de winning van lithium de omgeving vervuilt en dat andere batterijcomponenten en kritische stoffen - van kobalt tot mangaan - uit landen komen waar je liever geen zaken mee doet. Dat moet goedkoper en beter kunnen, denken veel ontwikkelaars van nieuwe batterijtechnologieën. Dat is waar flowbatterijen als veelbelovend alternatief voor lithium-ion in beeld komen. Die kunnen energie voor langere tijd opslaan en gaan ook nog eens twintig jaar mee. Goedkoper en simpeler systeem Dit type batterijen slaat energie op in verschillende vloeistoffen, in aparte tanks. Die worden gescheiden door een membraan, waar de elektrochemische reactie tussen de vloeistoffen plaatsvindt. De Nederlandse Aquabattery gebruikt hiervoor water en keukenzout. Batterijproducent Elestor uit Arnhem gebruikte eerst waterstof en bromide voor zijn flowbatterij, maar is nu overgestapt op waterstof en ijzer.HalioGen gebruikt zink en bromide als vloeistoffen en geen lithium. Alle materialen zijn voor 99 procent recyclebaar. Maar wat de batterij echt bijzonder maakt, is het weglaten van de membraan. ‘Het probleem van flowbatterijen is namelijk dat ze nog behoorlijk duur zijn qua kapitaalkosten per kilowattuur’, zegt Stergiou. ‘De membraan beslaat 30 tot 40 procent van de totale kosten van het systeem. Ook is dit het onderdeel dat het snelst kapot gaat. Verder hebben we het systeem simpeler gemaakt. In plaats van twee tanks hebben we er eentje. En in plaats van twee pompen hebben we er waarschijnlijk, maar eentje nodig. Opgeteld met onze goedkope elektrolyt dalen de totale kosten van de batterij met 60 tot 70 procent. Zo combineren wij de hoge prestaties van de korte energieopslag-sector met de kostprijzen van de ultralange energieopslag-sector om energie voor acht tot zestien uur op te kunnen slaan.’ Betaalbare batterij nodig voor energietransitie Hoe het HalioGen lukt om ionen te splitsen zonder membraan is het geheim van de smid. Het eerste patent voor de technologie is ingediend en er zullen er meer volgen. Stergiou kan wel zeggen dat de batterij gebruikt maakt van niet-mengbare vloeibare elektrolyten, vloeistoffen die tijdens het elektrochemische proces op natuurlijke wijze gescheiden blijven. ‘Met veel geavanceerde wetenschap en engineering is het gelukt de batterij te laten werken zonder een membraan ertussen’, zegt hij.Dat maakt de batterij betaalbaar, een noodzakelijke voorwaarde om de energietransitie te versnellen. ‘Ons systeem zal qua kosten goedkoper zijn dan een back-up energieopslag met fossiele brandstoffen en een lithium-ion batterij’, zegt Stergiou. ‘Er is tot nu toe nog geen oplossing die goedkoper is dan deze twee technologieën, dus blijft de wereld daarvoor kiezen’, zegt Stergiou.[caption id="attachment_162512" align="alignnone" width="900"] Thanasis Stergiou mocht de batterij-startup pitchen tijdens het Upstream-festival in Rotterdam. | Credits: Upstream[/caption] Over vijf jaar op de markt De batterij kan volgens hem in verschillende sectoren ingezet worden. Door netbeheerders om pieken en congestie op het elektriciteitsnet tegen te gaan, door wind- en zonneparken, door grote bedrijven die geen aansluiting op het net krijgen of door havens, mijnbouw- en staalbedrijven die moeten elektrificeren.De werking van de batterij is gevalideerd in het laboratorium, waar een werkend prototype staat. Eind volgend jaar wil HalioGen een pilotinstallatie operationeel hebben. Hoe snel de batterij daarna op de markt komt, hangt af van investeerders en subsidie. ‘We bereiden een investeringsronde voor eind dit jaar voor. We hopen de batterij daarna binnen vijf jaar op de markt te kunnen brengen’, zegt Stergiou. Havens zijn interessante markt HalioGen Power werd in 2023 opgericht als een spin-off van de Universiteit van Manchester. Doel was om flowbaterijen opnieuw uit te vinden. Van begin af aan wordt de startup ondersteund door het Duitse innovatieprogramma SPRIN-D. De eerste connectie met Nederland was PortXL, een programma dat duurzame innovaties en startups in de Rotterdamse haven helpt versnellen en verder te ontwikkelen. ‘Havens zijn voor ons een interessante markt om onze batterij op commerciële wijze in te zetten’, zegt Stergiou. ‘Bijvoorbeeld omdat schepen in de haven straks verplicht worden om gebruik te maken van walstroom en het elektriciteitsnet die verandering niet aankan.’Via PortXL werd HalioGen Power uitgenodigd voor de startup-competitie, die MT/Sprout en Erasmus Enterprise organiseren en waarbij de winnaars bekend werden gemaakt tijdens het Upstream festival in Rotterdam. ‘Daar hebben we opnieuw mensen uit de Rotterdamse haven ontmoet en mensen van de gemeente met wie we nauw contact hebben, maar helaas nog geen Nederlandse investeerders’, vertelt Stergiou. Lees ook:Deze batterijen gaan lithium-ion vervangen, maar de vraag is wanneer Veelbelovende batterij van Elestor voor langdurige stroomopslag vindt snel weg naar industrie Nederlandse zoutbatterij zou ons minder afhankelijk kunnen maken van schaarse metalen uit het buitenland Revolutionaire zoutwaterbatterij getest in Delft