Sebastian Maks
06 maart 2024, 11:00

Changemaker Marije Klomp (Radboud Universiteit): ‘De drang naar beheersbaarheid is niet genoeg om een organisatie te transformeren’

Marije Klomp is programmadirecteur duurzaamheid bij de Radboud Universiteit in Nijmegen. Met haar rol begeeft ze zich midden in het strijdveld van mensen die willen dat er radicaler, of juist gematigder duurzaamheidsbeleid wordt gevoerd. Hoe gedijt Klomp in een organisatie met veel kritische denkers en uiteenlopende opvattingen?

Marijeklomp "Vanuit groepen als Scientist Rebellion wordt steeds vaker de vraag gesteld wat onze banden zijn met de fossiele industrie."

Op welke manier probeer je voor verduurzaming te zorgen?

“Ik werk inmiddels zo’n vijftien jaar in de wereld van duurzaamheid, voorheen veelal voor organisaties die zich met maatschappelijk verantwoord ondernemen bezighouden. Ik geloof namelijk dat verduurzaming niet alleen maar vanuit de overheid moet komen. De slagkracht van bedrijven en organisaties is heel erg nodig bij transities. Op dit moment werk ik natuurlijk bij de Radboud Universiteit, een kennisinstelling, maar ik zie wel veel parallellen met het bedrijfsleven. Je moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat iedereen meegenomen wordt in de transitie en weet wat van ze wordt verwacht. Universiteiten kenmerken zich door mensen die gewend zijn om veel en goed na te denken over dingen. Het is een omgeving die heel kritisch is, ook over gebeurtenissen in de wereld. Bijna geen enkel besluit komt er hier zómaar doorheen, er is altijd veel debat gaande. Dat vind ik het mooie ervan.”

Soms ook té veel debat?

“Dat is inderdaad wel de keerzijde van grote organisaties als deze. Je hebt te maken met bureaucratie en trage besluitvormingsprocessen. Ik moest daar in het begin wel aan wennen. Maar als iets er eenmaal doorheen is en iedereen heeft er wat van mogen vinden, is het voordeel dat je vaak een breed draagvlak hebt gecreëerd.”

Met welke initiatieven ben je nu zoal bezig?

“De belangrijkste les uit mijn loopbaan tot nu toe is dat het werken aan duurzaamheid in een organisatie alleen zin heeft als je het koppelt aan de kern van die organisatie. Anders blijft het een bijzaak. Onze kern is het opleiden van studenten en het doen van onderzoek naar allerlei vraagstukken. Een belangrijk element van ons beleid is dan ook dat we duurzaamheid aan het integreren zijn in al onze opleidingen. Dan bedoel ik niet dat we een generieke cursus aanbieden voor alle studenten, maar dat we per discipline écht de koppeling maken met duurzaamheid. Een juridische studie besteedt bijvoorbeeld aandacht aan klimaatrechtszaken of eigendomsrecht in de circulaire economie. En een communicatiestudie richt zich juist meer op voorbeelden van greenwashing of manieren om mensen te betrekken bij duurzaamheidsontwikkelingen.

Over het onderzoek van wetenschappers kan ik vanuit mijn rol iets minder zeggen. Daar geldt natuurlijk de vrijheid van onderzoek en ik kan dan niet zomaar zeggen: jullie moeten dit of dat onderwerp gaan uitpluizen. Maar we zetten wel steeds meer in op interdisciplinair onderzoek. Aan een vraagstuk als klimaatverandering zitten zoveel kanten die meegenomen moeten worden, dat het loont om daar vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines naar te kijken. Dat proberen we te stimuleren door een netwerk van onderzoekers op te zetten. En natuurlijk probeer ik om steeds meer van onze duurzaamheidsstudies te ontsluiten aan bedrijven. Die werelden weten elkaar namelijk soms nog lastig te vinden.”

Universiteiten liggen onder vuur vanwege hun betrokkenheid bij onderzoek voor vervuilende industrieën. Speelt dit debat ook bij de Radboud Universiteit?

“Ja, dat speelt hier ook. Vanuit groepen als Scientist Rebellion wordt steeds vaker de vraag gesteld wat onze banden zijn met bijvoorbeeld de fossiele industrie. Zulke vragen komen dan natuurlijk ook bij mij terecht. Het was eerst best lastig om daar antwoord op te geven, omdat we niet scherp hadden welke samenwerkingen er precies allemaal lopen. Uiteindelijk bleken we nauwelijks zulke projecten te doen, maar dat maakt de kwestie niet minder belangrijk. Welke samenwerkingen ga je wel en niet aan als je claimt een duurzame universiteit te zijn? In mijn rol wil ik die vraag vanuit alle kanten belichten, omdat hij niet zo zwart-wit is. We organiseren er dialogen over met wetenschappers en studenten, zowel vanuit de activistische kant als vanuit personen die juist samenwerken met vervuilende industrieën en geloven dat ze op die manier bij kunnen dragen aan verandering. Tegelijkertijd kunnen we niet blijven praten. Er wordt van ons als universiteit verlangd dat we een standpunt innemen. Dat gaan we de komende tijd dan ook doen en ik help bij de voorbereiding daarvan.”

Tegen welke struikelblokken loop je aan bij het verduurzamen van een universiteit?

“Ik vind dat we als universiteit al goede stappen zetten. Natuurlijk, het zijn kleine stappen en ik wil soms ook dat we ambitieuzer zijn. Ik probeer dan ook altijd te stretchen
en te testen hoe ver we kunnen gaan. Maar ik ben een realist en weet dat verandering vaak stapsgewijs verloopt. Wat ik dan lastig vind, is dat er altijd een vocale groep mensen is die zegt dat we sneller moeten gaan. Die groep wil dat we veel radicaler beleid doorvoeren. En als dat er dan niet komt, gaat het lijken alsof de stappen die we wél zetten minder van waarde zijn. En dan is er ook nog een groep die juist minder hard wil bewegen. Die groep dreig je kwijt te raken met radicaal beleid, en kan je juist meenemen in de duurzame transitie als je wat kleinere stappen zet. Voor de goede orde, ik ben bondgenoten met beide groepen. Ik vind hun kritische inbreng ook echt waardevol. Maar het voelt wel alsof ik midden in een spanningsveld sta, tussen die groepen in. Dat vind ik soms zwaar en frustrerend. Ik blijf ervoor gaan dat we als betrokkenen met elkaar in gesprek blijven en naar elkaar blijven luisteren.”

Baren de ontwikkelingen in de Nederlandse politiek je zorgen? Zou een regering die minder geeft om klimaatbeleid jouw werk in gevaar kunnen brengen?

“Ik ben een optimist. Ik ben veel in contact met mijn netwerk van bedrijven, organisaties, wetenschappers en ondernemers, waarbij ik zie dat er gewoon hartstikke hard gewerkt wordt aan duurzame verandering. Misschien is het naïef, maar ik denk dat de politiek die kracht niet in één keer helemaal de nek om kan draaien. Ik haal hoop uit de gedachte dat er al zó veel in gang is gezet wat niet zomaar teruggedraaid kan worden. Maar goed, ik wil het natuurlijk ook niet allemaal bagatelliseren. Er worden de laatste tijd uitspraken gedaan in de politiek die ik heel shocking
vind.”

Wat zou je anders doen als je opnieuw de kans zou krijgen?

“Bij het werken aan duurzame verandering in organisaties wordt er vaak veel aandacht besteed aan de meetbare kant. In ons geval gaat dat bijvoorbeeld om het percentage van vegetarisch of veganistisch eten op de campus, of het percentage opleidingen die duurzaamheid als onderwerp in hun curriculum hebben. En die cijfers zijn natuurlijk heel erg nuttig. We hebben hard gewerkt binnen ons programma om meer te kunnen meten. Maar de drang naar beheersbaarheid, alles willen uitdrukken in getallen, is niet genoeg om een organisatie te transformeren. Je hebt daar ook een zachte, sociale kant voor nodig. Daar horen het inspireren van mensen, het organiseren van eigenaarschap, maar ook ingewikkelde dialogen met medewerkers en verdieping binnen de organisatie bij. Dat is minder tastbaar, maar wel noodzakelijk.

Ik werk zelf best intuïtief. Dat heeft als voordeel dat ik, volgens mij, goed kan aanvoelen waar de kansen en spanningen zitten binnen een organisatie, en hoe ik met bepaalde personen in gesprek moet gaan. Een gesprek met een professor steek ik heel anders in dan met een collega die in de ICT werkt. Toch heb ik in het verleden wel eens verkeerde inschattingen gemaakt wat betreft die meetbare en zachtere kant van duurzame verandering. Dan verwachtte mijn gesprekspartner harde cijfers, terwijl ik daar met andere bedoelingen zat en die cijfers niet paraat had. Op zo’n moment voel ik dat ik de connectie met de ander verlies in het gesprek. Met terugwerkende kracht zou ik die gesprekken anders voorbereiden.”

Met wie zou je meer willen samenwerken?

“Ik heb als ambitie om veel meer de brug te slaan tussen de wetenschap en de praktijk. Juist ook omdat ik vanuit mijn vorige werk heb gezien dat het bedrijfsleven op zoek is naar het zetten van de juiste stappen, zowel binnen de eigen sector als intersectoraal. Gelukkig zijn er al veel samenwerkingen tussen wetenschappers en bedrijven en organiseren we meer postacademisch duurzaamheidsonderwijs voor werkenden, maar wat mij betreft kan dat alleen maar meer.

Ook vind ik het belangrijk om te zeggen dat we meer inzicht proberen te krijgen in onze studenten. We spreken vaak óver studenten, maar hadden voorheen nog onvoldoende in kaart wat studenten nu echt drijft. De activistische groep kenden we al, maar we hadden het vermoeden dat er ook andere typen studenten zijn die best gedreven kunnen worden om impact te maken. Maar hun drijfveren hadden we niet scherp. We hebben net een onderzoek afgerond met 1.600 Radboudstudenten, en dat heeft ons veel geleerd over hun motivatie om te verduurzamen.”

Lees ook:

De Changemaker-serie wordt mede mogelijk gemaakt door Vattenfall.

Onrust bij plasticrecyclers weerhoudt Renewi niet van opening nieuwe sorteerinstallatie

Zo overweldigend het lawaai is dat van de sorteerinstallatie komt als deze wordt aangezet, zo fascinerend is het om de wirwar van loopbanden vol plastic deeltjes in actie te zien. De installatie wordt aan de voorkant gevoed met hard plastic afval dat via de milieustraat of bijvoorbeeld als bouw- en sloopafval bij Renewi terechtkomt. Een enorme shredder versnippert alles in kleinere deeltjes. Daarna volgt een verzameling van magneten, infraroodscanners, luchtblazers, zeven en wastrommels die er gezamenlijk voor zorgen dat onze plastic troep wordt gescheiden in achttien verschillende materialen. Emmers, kratten en dashboards De installatie kan op deze manier jaarlijks 24.000 ton harde kunststoffen verwerken; zo’n 6 ton afval per uur. In totaal wordt 75 procent van alle input gerecycled. Aandacht gaat in het bijzonder uit naar de stromen PE (polypropyleen) en PP (polyetheen) die met een zuiverheid van 95 procent uit het afval gehaald kunnen worden. Producenten geven de materialen een nieuw leven in harde kunststofproducten zoals emmers, kratten en dashboards van auto's.Panelgesprek tijdens de opening. Vlnr. Vivianne Heijnen, Marc den Hartog, Kim Ragaert en Tim Litjens.Van virgin naar gerecycled plastic Eén van die producenten is Tim Litjens, directeur van Capka, een bedrijf dat kunststof ladingdragers zoals pallets en kisten maakt. Litjens ziet dat steeds meer klanten overstappen van virgin naar gerecycled materiaal. “Wij kunnen ladingdragers van gerecycled materiaal al goedkoper aanbieden dan producten van virgin materiaal; dat was jarenlang de primaire drijfveer voor klanten. Nu wordt duurzaamheid een steeds belangrijker argument voor klanten om over te stappen van virgin naar gerecycled.” Litjens benadrukt dat de overstap naar gerecycled materiaal er een moet zijn voor de lange termijn. “Partijen die opportunistisch instappen, gaan er ook zo weer uit. Bij ons is het gebruik van gerecycled materiaal echt geïntegreerd is het hele productieproces.” Faillissement Umincorp Toch moet er nog veel gebeuren om de markt voor gerecycled plastic op gang te krijgen. Recent moest Umincorp nog faillissement aanvragen omdat het niet kon concurreren met goedkoop plastic uit het buitenland. Volgens Marc den Hartog, directeur Renewi Nederland is het een voorbeeld van hoe ‘tragisch’ de situatie is. “Je ziet dat er door het faillissement van Umincorp veel aandacht voor de situatie is gekomen. Het is echt een wake-upcall geweest dat we aan de slag moeten.” ‘Enorm spijtig’ Staatssecretaris Vivianne Heijnen, die de sorteerinstallatie opende, praat ook veel met recyclebedrijven die het lastig hebben. “Het faillissement van Umincorp is enorm spijtig. We moeten als overheid niet willen dat dit soort bedrijven omvallen. Samen met Invest-NL onderzoeken we hoe we organisaties door deze moeilijke fase kunnen ondersteunen." Die ‘moeilijke fase’ duurt in ieder geval nog tot 2027, want pas dan gaat een nationale wet in werking die plasticproducenten verplicht om deels gerecycled plastic in nieuwe producten te gebruiken. Dat moet de vraag naar recyclaat doen stijgen. Maar voor sommigen bedrijven, Umincorp in het bijzonder, komt deze wetgeving dus te laat. De recyclingbranche verwacht dan ook een golf van faillissementen. Dat zou desastreus zijn voor de doelen die Nederland heeft om in 2050 volledig circulair te zijn en al het plasticafval te recyclen.Aan het einde van alle loopbanden worden de onder andere de gerecyclede stromen PE en PP verzameld.Level playing field Nederland is op dit moment koploper in Europa als het gaat om recycling. Maar als recyclebedrijven een kans willen hebben, moet regelgeving op internationaal niveau worden opgetuigd en gehandhaafd. Dat laatste kan nog best een uitdaging worden, ziet vakhoogleraar Circular Chemical Engineering Kim Ragaert de Universiteit Maastricht. “Er wordt nog steeds heel veel meuk uit China geïmporteerd. Hoe gaan we zorgen dat zij met de EU gaan meebewegen? En hoe gaan we controleren dat Chinese producten met het label ‘bevat gerecycled materiaal’ dat ook daadwerkelijk bevatten?” Samenwerken in de keten Ondanks de onrust op de markt is Den Hartog ervan overtuigd dat de markt voor gerecycled plastic gaat opkomen. “Deze installatie is natuurlijk niet gisteren bedacht; het is onderdeel van een visie. Maar de realiteit is wel dat je verzekerd wilt zijn van voldoende afzet van de materialen die we hier sorteren. Deze kringloop moet je echt samen met de partijen in de keten opzetten.” Lees ook: Drama voor Nederlandse plasticrecycling: Umincorp failliet en andere bedrijven in noodChemie kan veel meer gerecycled plastic gebruiken als het geen afval meer isBrede steun in Tweede Kamer voor vergroening chemie