Redacteur Maaike
Maaike Kooijman
31 juli 2025, 13:05

Bedrijventerreinen moeten rigoureus anders in circulaire economie: 5 belangrijke veranderingen

In 2050 moet de Nederlandse economie volledig circulair zijn. Dat vraagt niet alleen om een omslag in denken, maar ook om ruimte voor circulaire activiteiten. Circulaire bedrijventerreinen moeten daar een grote rol in gaan spelen.

GettyImages-2226237240 Het bedrijventerrein van de toekomst is een stuk groener dan we gewend zijn. | Credits: Getty Images

De industrie van de toekomst gebruikt geen fossiele brandstoffen, maar hernieuwbare energie en minder én andere materialen. In 2050 moet de Nederlandse economie volledig circulair zijn. Daarom heeft de overheid een Nationaal Programma Circulaire Economie opgesteld. Daarin staat bijvoorbeeld dat bedrijven hun grondstoffengebruik moeten verminderen of vervangen en dat de levensduur van producten omhoog moet. Wat tóch wordt afgedankt, moet hoogwaardig worden verwerkt.

Een circulaire economie vraagt ook dat bedrijventerreinen anders ingericht moeten worden. Dat is een grote opgave voor de circa 3.700 bedrijventerreinen in en om Nederlandse steden. Die moeten niet alleen als de wiedeweerga elektrificeren, maar bovendien ruimte maken voor bijvoorbeeld de opslag en herbewerking van rest- en retourstromen.

Hoe dat eruit kan zien staat in de nieuwe handreiking Ruimte voor circulaire economie op bedrijventerreinen in en om de stad. Het document is in opdracht van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) opgesteld door een collectief van onderzoeks- en adviesbureaus.

We lichten vijf belangrijke adviezen uit.

#1 Efficiënt gebruik van ruimte

Een circulaire economie neemt nu nog meer ruimte in beslag dan de lineaire economie. In plaats van dat overgebleven materialen worden weggegooid of verbrand, moeten ze immers worden opgeslagen en bewerkt. En ruimte is schaars. Fysieke ruimte, maar ook milieuruimte. Een gemeente kan en mag niet onbeperkt bedrijven toelaten die geluid, geur of broeikasgassen uitstoten, zeker niet met woonwijken in de buurt. Terwijl er tegelijkertijd meer plek moet komen voor recyclers en afvalverwerkers.

De ruimte díe er is, moet dus goed benut worden. Dat kan door verschillende functies te combineren, bijvoorbeeld in een centrale hub waar herbruikbare materialen worden opgeslagen, gesorteerd en verwerkt. We kunnen ook meer in de hoogte in plaats van in de breedte bouwen, en daken benutten met zonnepanelen of groen.

Daarnaast moet er simpelweg ruimte worden vrijgemaakt. Dat gebeurt deels automatisch, doordat bedrijven die niet passen in een circulaire economie langzaam verdwijnen. Maar denk ook aan verplaatsen: voor bedrijven met beperkte impact op de omgeving is soms ook plek in de bebouwde kom.

#2 Samenwerking en gedeelde voorzieningen

De handreiking benoemt – inmiddels enigszins cliché – ‘alleen ga je snel, maar samen kom je verder’. Dat kan de vorm aannemen van een gedeelde visie, maar ook van het letterlijk delen van dingen. Denk aan een collectieve opslag, parkeerplaats en recyclefabriek. En wat voor het ene bedrijf afval is, kan een ander wellicht als grondstof gebruiken.

In het ontwerp van het Strijkviertel in Utrecht, dat vanaf 2026 gebouwd wordt, is bijvoorbeeld ruimte gemaakt voor gedeelde functies als distributiestraten, parkeren en erfafscheidingen. Dat bespaart 25 tot 30 procent ruimte. De 19 hectare aan uitgeefbare bedrijfskavels is bedoeld voor met name arbeidsintensieve mkb-bedrijven die circulair ondernemen. Het plan is om er bedrijfspanden met meerdere verdiepingen  te bouwen, in plaats van ‘een standaard indeling van bedrijfshal met kantoor op maaiveld’.

#3 Lokale opwek en energiehubs

Leuk, elektrificeren, maar dan moet er wel ruimte zijn op het stroomnet. Ook daar is een oplossing voor, en wel in de vorm van energiehubs. Een voorbeeld daarvan is de gezamenlijke energiecoöperatie op Schiphol Trade Park. Twaalf bedrijven delen daar vier netaansluitingen. Met behulp van een Energie Management Systeem (EMS) worden vraag en aanbod van energie op elkaar afgestemd. Dat wordt gecombineerd met zonnepanelen én batterijen voor de opslag van goedkope zonnestroom. Ook bedrijventerrein Spaanse Polder in Rotterdam werkt aan energieopwekking en de aanleg van lokale energie- en warmtenetten.

In het kader van ‘voorzieningen delen’ kunnen er op bedrijventerrein bovendien gedeelde laadfaciliteiten voor elektrische vrachtwagens worden gebouwd. Door de komst van zero-emissiezones moet het aantal elektrische vrachtwagens in Nederland tot 2030 stijgen naar 16.000 stuks.

#4 Zuinig en slim watergebruik

Veel productiebedrijven gebruiken grote hoeveelheden water om te wassen, te koelen of stof te vermijden. In veel gevallen is dat steeds schaarser wordende drinkwater. Circulaire bedrijventerreinen zetten samen in op waterbesparing door bijvoorbeeld regenwater op te vangen en water op het terrein zelf te zuiveren voor hergebruik.

Te veel bebouwing kan daarnaast zorgen voor wateroverlast, omdat regenwater niet de grond in kan. Bedrijventerrein Greenport in Venlo voorkomt dat met een goed doordacht watersysteem van verschillende vijvers die regenwater vasthouden en vervolgens in de grond laten zakken of afvoeren naar bestaande beken. Ruim 30 procent van het totale oppervlak van het bedrijventerrein blijft bovendien onbebouwd, zodat regenwater daar de bodem in kan zakken.

#5 Duurzame gebouwen

Niet alleen de activiteiten op bedrijventerreinen zijn belangrijk voor de overstap naar een circulaire economie, maar ook de gebouwen zelf. Die moeten niet alleen energie- en waterbesparend zijn, maar ook van circulaire bouwmaterialen gemaakt. Denk aan hergebruikte materialen en hout- en vezelproducten.

Zo verwacht Strijkviertel dat de te gebruiken materialen in de toekomst kunnen worden hergebruikt doordat ze ‘losmaakbaar’ zijn gemonteerd. En op Greenport Venlo mogen bedrijven alleen gasloos bouwen.

Lees ook:

‘Familiebedrijven helpen Nederland verduurzamen; gebruik ze dan ook’

Waar steeds meer bedrijven - met name in de VS en in de fossiele industrie – onder druk van aandeelhouders en politici hun duurzame ambities bijstellen, blijven veel familiebedrijven wel bezig met CO2-reductie, herstel van natuur en biodiversiteit en het tegengaan van klimaatverandering. Zij kijken namelijk ook naar het voortbestaan van het bedrijf op de lange termijn, in plaats van alleen naar de winst op korte termijn, stelt ceo Marlies van Wijhe van Koninklijke Van Wijhe Verf. ‘Ik roep het vaker tegen de politiek. Koester nou die familiebedrijven. Als je ergens een groep bedrijven hebt die jou gaat helpen met de verduurzaming van Nederland of waar dan ook, dan heb je juist deze groep aan je kant staan. Gebruik die dan ook.’ Duurzaamheid belangrijk voor voortbestaan Ze is ook voorzitter van FBNed, de vereniging van familiebedrijven in Nederland, en snapt niets van verschillende wetswijzigingen die nadelig uitpakken voor familiebedrijven. Met name op het gebied van bedrijfsopvolging en belastingheffing. ‘Die discussies die ik hoor doen best wel pijn. Ze willen niet snappen dat er ook heel veel waarde zit in de bedrijfsvorm familiebedrijf. Ik heb als ceo altijd de vrijheid gehad om keuzes te maken. Het doet er echt toe wie de eigenaar is. Bij bedrijven waar beslissingen genomen worden waarvan je denkt ‘hoe halen ze het in hun hersens?'', doen vaak de aandeelhouders dat. Zij hebben maar één doel: zoveel mogelijk winst. Familiebedrijven zeggen: wij willen voort blijven bestaan, dus zullen we bepaalde zaken moeten doen. En een daarvan is duurzaamheid. Als je als eigenaar dat kunt besluiten, dan moet je dat koesteren.’ Queen of paints Marlies van Wijhe was in 2000 de eerste vrouwelijke directeur van een verffabriek in Nederland. Die fabriek werd in 2016 ’s werelds eerste chemiebedrijf met een B Corp-status. Ook is ze al voor de tweede termijn voorzitter van de Vereniging van Verf- en Drukinktfabrikanten (VVVF), de brancheorganisatie waar alle grote verffabrikanten bij zijn aangesloten. Haar eerste termijn was van 2009 tot en met 2012. Dus toen Van Wijhe in 2016 bij het honderdjarige bestaan het predicaat koninklijk kreeg, lag haar bijnaam voor de hand: de queen of paints. Vooral buitenlandse relaties vinden het leuk om haar zo te noemen. Toen ze onlangs haar 25-jarig jubileum als ceo vierde, kreeg ze van haar zus Marijke en haar neefje en nichtje een groot bord waarop die geuzennaam nog eens herhaald werd. ‘Ik vind het een prachtige eretitel. Ik draag hem met trots,’ zegt ze. Biologie speelt belangrijke rol in mijn hoofd Als kind verslond ze natuurdocumentaires en op de middelbare school wilde ze bioloog worden. Maar de vakken die ze daarvoor moest volgen vond ze niet bij haar passen. ‘Ik zag niet de wetenschapper in mezelf’, zegt ze. Dus koos ze voor een studie bedrijfskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), waar ze leerde over marketing, finance en productie. ‘Dat vond ik wel leuk. In die studietijd werd ook duidelijk dat mijn zus en ik het bedrijf zouden overnemen. Toch is het niet zo dat ik ben klaargestoomd om mijn vader op te volgen. De beslissing was mijn eigen keuze.’Dat gebeurde uiteindelijk in 2000, toen ze op haar 35ste als vierde generatie de leiding van het familiebedrijf overnam. Heeft de bioloog in haar het duurzaamheidsvuur aangewakkerd? Ze denkt van wel. ‘Die voorliefde voor biologie van mij speelt een heel belangrijke rol in mijn hoofd. Ik had interesse in de natuur, maar het heeft mij ook de drijfveer gegeven om duurzaamheid binnen het bedrijf door te trekken. Als je net directeur wordt, ga je zoeken naar je eigen rol in zo’n familiebedrijf. In het begin focus je op zaken als ‘hoe zorg ik dat ik stand houd?’ en ‘laat ik eerst maar eens de komende vijf jaar overleven’. Dan leer je steeds beter hoe het is om zo’n bedrijf te runnen. Na een jaar of zes, zeven ging verduurzaming een rol spelen. Toen ik in 2010 zakenvrouw van het jaar werd, kwam dat in een stroomversnelling omdat je over je bedrijf gaat vertellen. Dan ontwikkel je ook die kant veel sneller’, zegt Van Wijhe. Definitie duurzaamheid is veranderd De definitie van duurzaamheid is in de loop der jaren veranderd. ‘Wat je er tegenwoordig onder verstaat, verstond je er twintig jaar geleden niet onder en veertig jaar geleden al helemaal niet’, zegt ze. ‘Vroeger stond het voor continuïteit van de onderneming. Mijn opa en mijn vader zetten verder in op een goed personeelsbeleid, wat er tegenwoordig ook bij hoort. Mijn vader had al een voorliefde voor bossen, vogels en alles wat bloeit en groeit. Hij begon in de jaren 90 met het uitdelen van de boekjes van Thieme van de serie ‘Wat vliegt daar?’ en ‘Wat groeit daar?’ als relatiegeschenk en schreef daar een eigen voorwoordje bij.’Dat vertaalde zich ook in het bedrijfsbeleid van de verffabriek. ‘We zijn al vroeg bezig geweest met een actief grondstoffenbeleid. Mijn vader gaf duidelijk aan welke grondstoffen we niet wilden gebruiken in de productie en die verf.’ Laten zien dat biobased verf mogelijk is Vanaf 2010 legde Van Wijhe als ceo zelf ook de focus op duurzaamheid. In 2012 ontwikkelde het bedrijf zijn eerste biobased verf, waarbij grondstoffen uit aardolie vervangen zijn door plantaardige olie. Dat percentage werd steeds verder uitgebreid. Daarbij ontdekte Van Wijhe ook de schaduwkanten van biobased verf. Die kan toxisch zijn of juist slechter voor het milieu. Daarom is het streven niet om per se biobased verf te maken, maar vooral om verven te maken die minder milieubelastend zijn.Inmiddels heeft Van Wijhe twee bijna volledige biobased verven ontwikkeld: een muurverf voor binnen en een lakverf voor buiten. Dat zijn zogeheten concept paints. ‘Hiermee willen we laten zien dat er dingen mogelijk zijn, maar beide verven heb ik nog niet commercieel beschikbaar. Daar zitten nog veel haken en ogen aan. Ik besteed daar best veel geld aan. Dat levert nu niets op, maar wij vinden het belangrijk en we willen dat blijven doen’, stelt ze.Daar bleef het niet bij. Als eerste verffabriek gebruikt Van Wijhe sinds 2017 verfemmers van gerecycled plastic. ‘Die kwaliteit is anders en het is niet goedkoper, maar zolang het betaalbaar is gaan we ermee door. Ik vind het alleen jammer dat andere partijen dat niet overnemen’, zegt ze.[caption id="attachment_162559" align="alignnone" width="900"] Marlies van Wijhe kreeg voor haar jubileum van haar zus Marijke en haar neefje en nichtje een bord met de eretitel queen of paints. | Credits: Koninklijke Van Wijhe Verf[/caption] Onderzoek naar afbreekbare verf De volgende heilige graal - biologische afbreekbare verf - lijkt nog een illusie. Dat raakt namelijk de essentie van verf, die oppervlakten moet beschermen tegen erosie, slijtage en weersomstandigheden. Dus hoe kan verf een beschermde werking hebben en tegelijkertijd in de natuur uit elkaar vallen? ‘Niets is onmogelijk en we hebben de oplossing nog niet, maar we geven niet op’, zegt Van Wijhe.Zo heeft het bedrijf samen met zeven prominente organisaties, waaronder de Hanze en de Rijksuniversiteit Groningen, in april een MOOI-subsidie binnengehaald uit het groeifondsprogramma Biobased Circular om hier onderzoek naar te doen. Samen gaan ze werken aan een volledig bio-afbreekbaar verf, aan een versnelling van de grondstoffentransitie in de verfindustrie en aan het ontwikkelen van alternatieve ingrediënten. Het merendeel van die grondstoffen moet uit biobased reststromen komen. Af en toe tegen de stroom ingaan Hoe is het om als ceo en bedrijf een voortrekkersrol te spelen op het gebied van duurzaamheid in een sector waar dat niet voor de hand ligt? Waar fossiel de boventoon voert en waar producenten en klanten niet geneigd zijn snel voor de nieuwe groene optie te kiezen. Zeker als die zich nog niet bewezen heeft. Van Wijhe: ‘Dat is voor ons ook even zoeken geweest. We willen namelijk het een doen en het ander niet nalaten. Daar is onder andere dat idee van concept paints uitgekomen. We zijn een traditionele sector. Maar we willen de klanten, de schilders en de vastgoedeigenaren, toch kennis laten maken met wat er zou kunnen en ze laten wennen aan de ideeën die er zijn. Zo kun je met elkaar zorgen dat je er straks klaar voor bent. Het is ook een kwestie van volhouden. Soms zeggen mensen ‘je bent gek, waar ben je mee bezig?’. Maar ik geloof er in. Dus moet je af en toe tegen de stroom in gaan.’Lukt het haar om binnen een branchevereniging als de VVVF andere verffabrikanten mee te krijgen in die duurzame koers? Dat is volgens haar uitdagend, omdat die bedrijven zelf hun beleid bepalen. Toch heeft de vereniging al een aantal duurzame projecten lopen. Bijvoorbeeld een recyclingproject over het terughalen van verf of een gezamenlijk onderzoek met de WUR naar biobased verf. Allemaal op vrijwillige basis. ‘Ik denk dat ook binnen de VVVF verduurzaming een belangrijke rol speelt. Alleen de mate waarin een bedrijf aanhaakt, dat is aan het bedrijf zelf. Als vereniging willen we de sector verduurzamen en innovatie aanjagen’, zegt ze. Lees ook:‘Niets wordt meer zoals het was, accepteer dat nou maar’ Van Wijhe ontwikkelt hoog biobased buitenverf met afbreekbaar oplosmiddel die nog niet bestaat in de wereld Waarom echt duurzame verf nog niet bestaat en zelfs gevaarlijk kan zijn voor mens en milieu Hoe word je een B Corp? Marlies van Wijhe vertelt: "Het helpt je om steeds beter te worden"Dit artikel is gemaakt in samenwerking met onze partner Koninklijke Van Wijhe Verf. Change Inc. werkt met partners die de klimaattransitie aanjagen. Zij kunnen cases presenteren waar anderen zich aan kunnen optrekken en zijn eerlijk over de uitdagingen. Niet één bedrijf is al 100 procent duurzaam, maar veel zijn onderweg. Dankzij ons partnermodel zijn onze artikelen gratis toegankelijk voor iedereen. Benieuwd naar hoe wij werken? Klik hier.