Jeroen de Boer
08 juli 2025, 12:00

Bedrijf achter MyWheels wil netcongestie aanpakken: 'Je vergroot hiermee ook de waarde van elektrische deelauto's'

Accu’s van deelauto’s en thuisbatterijen kunnen samen een significante bijdragen leveren aan decentrale energie-opslag om netcongestie aan te pakken. Het project The People’s Power Plant van The Sharing Group startte afgelopen maand in Utrecht en kijkt nu naar uitbreiding in andere steden.

Joost Rooij Sharing Group CMO Joost van Rooij van The Sharing Group bij de uitreiking van de publieksprijs van de Transition Awards 2025. | Credits: Jaap Beyleveld / Change Inc.

‘Dit project is nu uit de pilotfase. We hebben laten zien dat je dit op schaal kunt brengen, waardoor de interesse van andere partijen groeit.’ Die boodschap gaf een verheugde Joost van Rooij van The Sharing Group mee, toen hij afgelopen week de publieksprijs in ontvangst nam bij de uitreiking van de Transition Awards 2025 van Change Inc.

In een online stemming kwam het project The People’s Power Plant (zie kader) van The Sharing Group als duidelijke winnaar naar voren. Het bedrijf achter onder meer deelautobedrijf MyWheels lanceerde in juni een unieke samenwerking met de gemeente Utrecht, Renault en We Drive Solar. Vijftig deelauto’s van MyWheels worden ingezet als rijdende buurtbatterijen, die ook stroom kunnen terugleveren aan het net.

The People’s Power Plant: netcongestie aanpakken met slimme inzet van decentrale batterijen

Netcongestie op lokaal niveau oplossen door thuisbatterijen en batterijen van deelauto’s in te zetten als flexibele energieopslag. Dat is de basis van The People’s Power Plant van The Sharing Group, het bedrijf achter onder meer MyWheels. Het in juni gelanceerde project won de publieksprijs bij de uitreiking van the Transition Awards 2025 van Change Inc. op 1 juli.

People’s Power Plant is een initiatief dat thuisbatterijen en de batterijcapaciteit van de deelauto’s van MyWheels inzet om onder meer de stroom van zonnepanelen zo efficiënt mogelijk te benutten. In samenwerking met de gemeente Utrecht, aanbieder van bi-directionele laadpalen We Drive Solar, netbeheerder Stedin en leverancier Renault zet MyWheels in op modellen die ook stroom kunnen terugleveren aan het net. De batterijen kunnen stroom afnemen bij een overschot aan hernieuwbare energie en stroom terugleveren op momenten met meer vraag dan aanbod.

Utrecht heeft nu vijftig MyWheels-auto’s die fungeren als rijdende buurtbatterij. Het plan is om dit op te schalen naar vijfhonderd auto’s.

The Sharing Group is ook eigenaar van Hegg, een aanbieder van dynamische energiecontracten in combinatie met thuisbatterijen. Daarnaast biedt dochterbedrijf Bliq slimme software en hardware aan voor thuisbatterijen om die optimaal te laten samenwerken met het elektriciteitsnet.

Jullie willen met MyWheels opschalen naar vijfhonderd modellen van Renault die bi-directioneel kunnen laden. Zijn die allemaal bedoeld voor Utrecht?

‘In principe wel. Het gaat daarbij deels om vervanging van auto’s bij parkeerlocaties die we al hebben en deels om uitbreiding. Bij nieuwe vastgoedprojecten is het bijvoorbeeld logisch om een deelauto erbij te plaatsen. Daarnaast is er buiten Utrecht inmiddels concrete interesse vanuit Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven.’

Heb je een minimum aantal deelauto’s nodig in een stad om ze als buurtbatterij te laten fungeren?

‘Als je alleen met deelauto’s werkt wel. Maar we willen niet alleen afhankelijk zijn van autobatterijen. Als de markt voor thuisbatterijen groeit en je die kunt aanhaken, kun je in sommige regio’s misschien toe met minder deelauto’s, omdat de totale opslagcapaciteit inclusief thuisbatterijen voldoende is. Het gaat uiteindelijk om de combinatie van thuisbatterijen en batterijen van deelauto’s die dit model interessant maakt.

In veel opzichten is de zakelijke markt een voorloper. Voor een partij als Renault is het bijvoorbeeld aantrekkelijk om voor bi-directioneel laden te beginnen met een zakelijke partij als MyWheels, omdat wij een hele vloot hebben. Dit is voor hen ook een manier om de vehicle-to-grid-technologie te valideren. De volgende stap wordt natuurlijk wel om dit ook naar consumenten te brengen.’

Wordt het inzetten van elektrische modellen als deelauto interessanter als ze ook als buurtbatterij fungeren?

‘Je vergroot hiermee de waarde van elektrische deelauto’s. Waar een auto voorheen alleen geld opleverde als die werd verhuurd, is dat nu ook zo als de auto stilstaat. Op die manier houden we elektrische deelauto’s beter betaalbaar.

Er is ook nog een ander voordeel, dat meer draait om de maatschappelijke functie van de deelauto. Er zijn nu bijvoorbeeld autobezitters in een buurt die niet zo blij zijn met de parkeerplekken die deelauto’s innemen. Als je kunt laten zien dat zo’n auto helpt om ervoor te zorgen dat het licht blijft branden in een buurt, heb je voordeel voor een bredere groep dan alleen de gebruikers van deelauto’s.’

De thuisbatterij is een ander belangrijk onderdeel van The People’s Power Plant. Hoe kijken jullie tegen die markt aan?

‘Op dit moment zijn het vooral early adopters die een thuisbatterij willen. Veel eigenaren van zonnepanelen wachten tot de salderingsregeling in 2027 verdwijnt, maar je ziet de markt wel degelijk groeien. Op de korte termijn zijn veel van dit soort technologieën gevoelig voor overheidsbeleid, dat mee- of juist tegen kan zitten. Dat beïnvloedt de snelheid van adoptie.

Los daarvan is de kant die het opgaat voor ons helder. Momenteel wordt ongeveer 30 procent van de stroom die zonnepanelen opwekken gebruikt voor directe consumptie. We denken dat je dit met een thuisbatterij kan verhogen naar 70 procent.’

Wat was de grootste uitdaging bij het project in Utrecht?

‘Er zit een enorme complexiteit in alle facetten. Niet alleen technologisch, maar ook als het gaat om beleid en regulering. Dat is één ding, het andere is de businesscase. Deze investering is nog best onzeker. We hebben allemaal een gevoel dat dit gaat werken, maar dat kun je niet met zekerheid zeggen. Je moet investeren vanuit de overtuiging dat dit een relevante, structurele ontwikkeling is. Het is vervolgens belangrijk dat het schaal krijgt om nieuwe markten aan te boren.’

Welk advies heb je voor anderen die duurzame projecten willen opschalen?

‘Je moet volhardend zijn in je visie. De kunst is om groot te dromen en intussen kleine, concrete stapjes vooruit te zetten. Dat hebben we met dit project laten zien. Partners moeten het vertrouwen uitspreken om de samenwerking echt aan te gaan. Als iedereen de ruimte krijgt om z’n eigen expertise in te brengen, kun je gaan ontwikkelen voor de toekomst. Wij beginnen in Utrecht, maar werken aan een oplossing waarmee we op nationaal niveau en ook breder in Europa iets te bieden hebben dat onderscheidend is.’

Lees ook:

Innovatieve douchekoppen, navulverpakkingen en vaste shampoo: zo wordt dit bedrijf in 2030 klimaatneutraal

Tegen 2030 klimaatneutraal opereren, waterverbruik minimaliseren, plastic terugdringen zoveel mogelijk hernieuwbare grondstoffen gebruiken. Die ambitie staat in L’Oréal for the Future. Zo heet het wereldwijde duurzaamheidsprogramma dat het bedrijf in 2020 lanceerde. Alle 38 merken van het bedrijf doen mee. In Nederland is het merk in ieder geval hard op weg om die doelstellingen te halen. Zo heeft inmiddels al 93 procent van de ingrediënten in de L’Oréal-producten hier een duurzaam karakter. De Waterloop-fabrieken Wat minder zichtbaar blijft voor consumenten is de manier waarop het bedrijf het eigen productieproces aan het verduurzamen is. Deze ambitie zien we ook terug in de Waterloop-fabrieken. Dit zijn productielocaties waar water zoveel mogelijk wordt hergebruikt, waardoor er nauwelijks nog vers water nodig is. ‘We gebruiken water alleen nog als ingrediënt in onze producten,’ zegt Bechir Ben Salah. Hij leidt één van de Waterloop-fabrieken in België. ‘Voor alles daaromheen, of het nu gaat om schoonmaken of de opwek van stoom, draait de fabriek op een slim intern recyclingsysteem. Zo wordt afvalwater in meerdere stappen gezuiverd en opnieuw ingezet in het proces.’ Het resultaat? Een indrukwekkende daling van het waterverbruik met maar liefst 90 procent in tien jaar tijd.Inmiddels zijn vijf fabrieken volledig omgebouwd tot Waterloop-site, goed voor 21 procent van het wereldwijde totaal. En dat is volgens Ben Salah pas het begin: in 2030 moeten álle fabrieken op deze manier werken. ‘De grootste uitdaging zat niet in de technologie, maar in het aanpassen van processen. We hebben eerst precies in kaart gebracht waar we water gebruikten en vervolgens gekeken hoe we dat op elk punt konden hergebruiken’, aldus Ben Salah. Die aanpak levert niet alleen milieuwinst op, maar ook erkenning van buitenaf. De Waterloop-aanpak wordt inmiddels gezien als benchmark in de sector (zie kader).AAA-rating De Waterloop-fabrieken van L'Oréal zijn beloond met de hoogste duurzaamheidsratings van onder meer CDP en EcoVadis. CDP beoordeelt bedrijven op hun transparantie en prestaties rond klimaatverandering, waterbeheer en ontbossing. Een AAA-score betekent dat een bedrijf op alle drie deze thema’s excelleert. EcoVadis kijkt breder en toetst onder andere op milieu, arbeidsrechten, ethiek en duurzaam inkopen. L’Oréal behaalde hier een Platinum medaille, wat alleen is weggelegd voor de top 1% van best scorende bedrijven wereldwijd.Maar waterbesparing stopt voor L’Oréal niet bij de fabriekspoort. Ook het waterverbruik bij klanten staat volop in de aandacht, want daar ligt immers een groot deel van de totale impact. Daarom innoveert het bedrijf met producten zoals vaste shampoobars, geconcentreerde formules en een leave-in conditioner. Die kun je aanbrengen op nat haar en vervolgens laten zitten, zonder uit te spoelen. Zo wordt niet alleen het haar verzorgd, maar ook water bespaard omdat mensen korter douchen. Verder werkte L’Oréal mee aan de ontwikkeling van een innovatieve douchekop voor kapsalons, via een investering in een startup. Die douchekop micro-vernevelt water, wat leidt tot maar liefst 69 procent minder verbruik.De consument: wil wel, doet (nog) niet Toch zijn dit soort innovaties niet de enige puzzel die L’Oréal moet leggen, op de route naar een duurzame toekomst. Minstens net zo'n grote uitdaging is het gedrag van de consument. Uit het duurzaamheidsonderzoek van Kantar (2024) blijkt dat veel mensen duurzaamheid weliswaar belangrijk vinden, maar moeite hebben om dit te vertalen naar concrete acties. Dit fenomeen staat bekend als de say-do gap. Zo geeft de helft aan dat 'mensen zoals ik iets moeten doen tegen klimaatverandering' en denkt 44% dat je als individu echt verschil kunt maken. Maar in de praktijk verandert slechts 16 tot 25% van de mensen ook daadwerkelijk hun gedrag. En als het over personal care gaat, zegt maar liefst 60% van de respondenten aan nog helemaal niets te hebben aangepast. De belangrijkste belemmeringen? Gebrek aan duidelijke informatie, te hoge prijzen en wantrouwen richting merken.Sturen op gedragsverandering vereist in ieder geval slimme communicatie. Daarom zet L'Oréal breed in op bewustwordingscampagnes, samenwerkingen met retailers en influencers die laten zien hoe duurzaamheid praktisch en aantrekkelijk kan zijn. Navulverpakkingen bij Etos en Kruidvat zijn hier een voorbeeld van. Deze bevatten 60% minder plastic en zijn gemaakt van één type materiaal, wat recycling makkelijker maakt. Daarnaast richt het bedrijf zich op educatie. Niet door met het vingertje te wijzen, maar door inzicht te geven in impact.Zo maakt L’Oréal deel uit van EcoBeautyScore Consortium. Dit is een wereldwijd initiatief waar 50 cosmeticabedrijven en brancheverenigingen in zitten. Het heeft als doel een sectorspecifiek systeem te ontwikkelen voor het beoordelen en scoren van de milieu-impact van cosmeticaproducten. Hiermee wordt ingespeeld op de groeiende vraag van consumenten naar meer transparantie. Zo probeert L'Oréal de consument mee te nemen van intentie naar actie. Duurzaamheid als norm En dan zijn er ook nog andere uitdagingen. Zeker als je de omvang hebt van L’Oréal. Neem het gerecycled PET als voorbeeld. Het bedrijf wil in 2030 50% minder virgin plastic in de verpakkingen hebben verwerkt ten opzichte van 2019. De beschikbaarheid van materiaal staat echter onder druk. Grote recyclers zijn omgevallen en regelgeving maakt het moeilijk om materiaal over grenzen te vervoeren. Dit wordt namelijk als afval beschouwd en dat mag je niet zomaar exporteren.Ook heeft L’Oréal te maken met de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV), waarbij bedrijven verantwoordelijk zijn voor het afval van hun producten. De wetgeving hierover is vaak complex of inconsistent. Toch kiest het bedrijf voor een duurzame toekomst, met 2030 als belangrijk baken. Transparantie, meetbare doelen en continue innovatie zijn daarin belangrijke drijvers. En is het besef dat de echte duurzame revolutie pas slaagt als ook de consument meebeweegt.Dit artikel is gemaakt door een van onze expertredacteuren in samenwerking met onze partner L’Oréal. Change Inc. werkt met partners die de klimaattransitie aanjagen. Zij kunnen cases presenteren waar anderen zich aan kunnen optrekken en zijn eerlijk over de uitdagingen. Niet één bedrijf is al 100 procent duurzaam, maar veel zijn onderweg. Dankzij ons partnermodel zijn onze artikelen gratis toegankelijk voor iedereen. Benieuwd naar hoe wij werken? Klik hier.Lees ook Hoe duurzaam is je shampoofles? Zo werkt L’Oréal aan een circulaire beautyketenHoe verduurzaamt L’Oréal zijn 37 beautymerken? ‘Zijn goed bezig, maar het moet sneller’