Laura Hoogland 21 maart 2025, 11:00

B-Corp: ‘a force for good’ of gewoon big business?

Voor grote bedrijven die het B Corp-certificaat gebruiken om zichzelf te profileren als duurzaam, kan het een waardevolle investering zijn. Maar voor (kleinere) bedrijven waar duurzaamheid in de identiteit geïntegreerd is, lijkt het keurmerk eerder een dure labelwedstrijd, schrijft Laura Hoogland, oprichter van foodmerk Bakers & Bananas.

Column beeld Laura Hoogland Change inc Laura Hoogland (Bakers & Bananas): "Is B-Corp daadwerkelijk een waardevolle investering, of staat die ‘B’ gewoon voor big business?"

Als ondernemer van twee duurzame bedrijven ben ik altijd op zoek naar manieren om mijn bedrijf verder te ontwikkelen. Duurzaamheid, sociale verantwoordelijkheid en transparantie zijn voor mij geen loze woorden, maar kernwaarden die ik dagelijks probeer toe te passen. Daarom besloot ik om eens serieus te kijken naar een B Corp-certificering, het keurmerk dat bedrijven het recht geeft claims te maken over hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en duurzaamheid. Maar na wat grondiger onderzoek en wat gesprekken met collega-ondernemers, begin ik te twijfelen: is B Corp daadwerkelijk een waardevolle investering, of staat die ‘B’ gewoon voor big business?

Een nobele gedachte

Laten we beginnen met het positieve. B Corp-certificering is, zonder twijfel, een krachtige manier om aan te tonen dat je als bedrijf niet alleen met winst bezig bent, maar ook met de impact die je hebt op de wereld om je heen. Het idee om als bedrijf te streven naar zowel winst als positieve impact op mens en planeet klinkt prachtig, en dat is precies wat de B Corp belooft: een platform voor bedrijven die verder kijken dan alleen financiële winst.

Het mag wat kosten

Om in aanmerking te komen voor dit certificaat moet wel even in de buidel getast worden. Een kleine onderneming betaalt namelijk minimaal €2.500 voor de certificering, afhankelijk van je omzet. Als je bedrijf groter is, kunnen de kosten voor de aanvraag oplopen tot tienduizend euro. Houd daarbij ook rekening met een jaarlijkse certificeringsvergoeding, die voor bedrijven met een omzet tot 1 miljoen ten minste €2000 euro moet kosten. Heb je een hogere omzet, dan lopen ook die kosten al snel op. Dit geld gaat overigens niet naar maatschappelijke initiatieven of duurzame projecten, maar naar B Lab, de organisatie achter het certificaat. Zo schreef B Lab Europe in 2023 een keurige 11 miljoen omzet in de boeken.

En dan is er het proces zelf. De B Corp-certificering vereist dat je bedrijf een gedetailleerde vragenlijst invult, waarin je moet aantonen dat je bedrijf aan hoge eisen voldoet op het gebied van sociale en ecologische impact. Klinkt hartstikke nobel, maar het is ook extreem tijdrovend en vaak enorm complex.

En hier komt het paradoxale aspect: je betaalt dus voor een certificering die, op het eerste gezicht, lijkt te gaan over een betere wereld. Maar in werkelijkheid lijkt B Corp vooral een manier om bedrijven een soort ‘ethisch keuringsticket’ te laten ‘kopen’. Vooral grotere bedrijven lijken te profiteren van de status die het certificaat biedt. Is het dan niet gewoon een abonnement voor ‘maatschappelijk verantwoorde marketing’?

Oneerlijke dynamiek

Grote organisaties hebben immers de middelen om dit proces te doorlopen en te implementeren zonder grote financiële druk. Ze kunnen de certificering strategisch inzetten voor merkpositionering, klantloyaliteit en het werven van talent voor hun ‘purpose-driven-workplace’, terwijl kleinere ethische bedrijven vaak worstelen met de hoge kosten en administratieve lasten van het certificeringsproces.

Het overgrote deel van de consumenten lijkt het B Corp certificaat overigens wel betrouwbaar te vinden, maar niet volledig te begrijpen wat het nou precies inhoudt. Ze gaan er automatisch van uit dat een B Corp-gecertificeerd bedrijf ethisch en duurzaam opereert. Dit geeft grote bedrijven des te meer de kans om een groen en verantwoord imago uit te stralen, terwijl hun daadwerkelijke impact op mens en milieu discutabel kan zijn. Zo zou je je vraagtekens kunnen zetten bij de certificering van Nespresso gezien de kritiek rondom het sourcen van hun koffie, het gigantisch plasticgebruik in hun single-use koffiecups en de lonen van hun koffieboeren. Hetzelfde geldt voor Danone, een enorme zuivelproducent, terwijl dit nu juist een van de industrieën is met de grootste negatieve impact op het klimaat.

Dure labelwedstrijd

Of B Corp ‘a force for good’ of gewoon big business is? Misschien een beetje van beide. Voor grote bedrijven voor wie het certificaat een manier is om zichzelf te profileren als duurzame speler in de markt, kan het een waardevolle investering zijn. Maar voor (kleinere) bedrijven waar duurzaamheid in de identiteit geïntegreerd is, lijkt B Corp eerder een dure labelwedstrijd.

Mijn persoonlijke mening: als je echt wilt bijdragen aan een betere wereld, kun je dat ook zonder dat dure papiertje. De echte verandering komt niet van een certificaat, maar van de keuzes die je dagelijks maakt en de manier waarop je jouw bedrijf runt. Daar kan je naar mijn idee veel beter je energie in steken. Misschien is het tijd om te vragen: hebben we echt een B Corp-certificaat nodig, of is dat alleen maar een manier om de ‘ethische consument’ te verleiden en misleiden? De discussie is open.

Windparken moeten op een andere manier geld gaan verdienen

Dat betoogde expert Remco Boersma van projectadviseur Ventolines tijdens het Windday Webinar, dat in aanloop naar het grote windenergie-congres op 12 en 13 juni in Rotterdam werd georganiseerd. “De vraag is nu: wat doe ik met mijn kilowatturen en hoe breng ik die op de beste manier naar de markten?”, stelt hij. Grotere turbines Ventolines was betrokken bij de ontwikkeling van ruim 2 gigawatt aan windprojecten en beheert ruim 1,5 gigawatt aan windparken. Boersma zit al ruim dertig jaar in de wind – onder andere als windmanager bij Vattenfall – en heeft de sector de laatste jaren flink zien veranderen. Toen hij begon had een windturbine nog een vermogen van 18 kilowatt en de rotor een diameter van 18 meter. Nu hebben de grootste Chinese windturbines een vermogen van 22 megawatt en zijn ze zo hoog als de Eiffeltoren. Andere rol Maar ook de rol en het belang van duurzame energie zijn veranderd. Vroeger produceerden gas- en kolencentrales het merendeel van onze elektriciteit en werd duurzame energie vooral gezien als een alternatieve energiebron. De vraag was of zon en wind ooit voldoende elektricteit konden leveren en of het licht niet uit zou gaan als er geen wind was en de zon niet scheen (Dunkelflaute). “Het was evolutie en geen revolutie”, zegt Boersma. Nu is die revolutie wel aanstaande. In 2025 was voor het eerst meer dan de helft van alle opgewekte stroom in Nederland groen. De rol van fossiele energie wordt minder belangrijk en die van duurzame energie wordt groter. Meer taken Wind- en zonneparken moeten niet alleen meer stroom leveren, maar worden ook gevraagd om het net stabiel en in balans te houden door meer of juist minder elektriciteit op te wekken. Dat is via omvormers in te stellen. Zo dragen zon en wind bij aan de binnenlandse energiezekerheid en kunnen ze lokaal netcongestie en pieken en dalen in energievraag oplossen. Zeker als windturbines op een industrieterreinen bijvoorbeeld gecombineerd worden met een batterij. Of als bedrijven samen op één aansluiting (cable pooling) zitten en de geleverde windenergie samen achter de meter gebruiken. “Daar zijn hele mooie oplossingen voor”, zegt Boersma. Oude businesscase werkt niet meer Dat heeft gevolgen voor de businesscase van een windpark. Nog niet zo lang geleden was de bouw van een windproject een redelijk eenvoudige exercitie. Je berekende wat de hardware kostte, je sloot een contract af voor de aansluiting (ATO) en voor de langdurige levering van een vaste hoeveelheid stroom (PPA) en kon makkelijk geld lenen bij de bank. “Iedereen kon op deze manier met weinig risico een windproject draaien”, zegt Boersma. Maar nu de prijzen van windenergie schommelen en soms op nul staan, windparken vanwege netcongestie worden afgeschakeld (curtailment), kosten voor de bouw exploderen en banken niet meer staan te springen om hierin te investeren, is er een nieuwe situatie ontstaan. “De vraag is nu: waar wordt het geld verdiend?”, stelt Boersma. “Vroeger wist je vrij behoorlijk wat de productie was in kilowattuur en wat daarvan de waarde was. Daardoor kon je je project aardig doorrekenen en wist je waar je aan toe was. Dat is vandaag de dag niet meer het geval. Je moet veel vroeger nadenken over je businesscase.” Kralen rijgen Waar zit dan de waarde van windenergie? Volgens Boersma moeten eigenaren hun energie op zoveel mogelijk markten verkopen. ‘Kralen rijgen’, noemt hij dat. Dus niet alleen aanbieden op de elektriciteitsmarkt, maar ook op de frequentie- en onbalansmarkten. “Het gaat veel meer over het tijdstip van leveren. Wanneer kan ik leveren en wanneer zijn de prijzen goed? Wat is je regelbaarheid? Kan ik meer of minder windstroom leveren en meer aan ballancering of frequentieondersteuning doen? Welke marktkansen zie ik dan? Daar moet je over nadenken. Dat zijn andere vragen die nu op ons bord liggen.” Visie op de markt Daarin verschilt het geld verdienen met windturbines met de situatie van vroeger. Over langere periodes elektriciteit leveren tegen een vooraf vastgesteld prijs is verleden tijd. Het uitgegeven geld moet nog steeds terugverdiend worden tijdens de operationele fase, maar er zijn veel meer markten om de stroom aan te bieden. Dat leidt tot verschillende keuzes. “Misschien is het wel een goed idee om je piekvermogen te reduceren, om drie jaar levenstijd te winnen voor je turbines. Dat zou zomaar eens een hele goede businesscase kunnen zijn”, zegt Boersma. “Je moet je afvragen: op welke markten ben je actief? Hoe ga je om met netcongestie? Wat kan ik nog meer doen met mijn netaansluiting? Dan komt opslag via een batterij al snel in beeld. Dit is allemaal afhankelijk van de markt. Dus moet je een goede visie hebben op de markt. Dat is allemaal niet meer zo vanzelfsprekend.”Het Windday Webinar werd in aanloop naar het windcongres in juni georganiseerdAnimo daalt De vraag is of deze nieuwe strategie de windsector weer tot nieuwe bloei kan brengen. Eind 2023 vierde Nederland nog een mijlpaal toen er na de ingebruikname van windpark Hollandse Kust Noord voor 4,7 gigawatt aan windparken op de Noordzee stond. Daarna kwam de klad erin en staat de uitbreiding onder druk, erkent brancheverenging NedZero. Eerder voorspelde Europa een groei van bijna 200 gigawatt aan vermogen tot 2030. Die prognose is nu bijgesteld naar 156 gigawatt. Vanwege de hoge bouwkosten, de achterblijvende stroomvraag van de industrie en een tekort aan netcapaciteit daalt de animo om nieuwe windparken te bouwen. Voor de nieuwe aanbesteding voor parken op zee, die in september start, is nauwelijks belangstelling. Voor vergelijkbare tenders in Engeland en Denemarken had zelfs geen enkel bedrijf belangstelling. Toch weer subsidie Het dieptepunt was het faillissement van de Nederlandse windmolenbouwer Emergya Wind Technologies (EWT) deze week. Het bedrijf leed al jaren miljoenenverliezen. Niet voor niets zei Tennet begin dit jaar dat de overheid windmolenparken op zee weer moet subsidiëren. De netbeheerder pleit voor een Brits model waarbij de overheid meebetaalt als de elektriciteitsprijs laag is en de winst van exploitanten afroomt bij hoge prijzen. Het ministerie van Klimaat en Groene Groei doet hier onderzoek naar. Kleinere projecten Kan een nieuwe kijk op de businesscase van windparken de animo voor aanbestedingen verhogen en de sector een boost geven? Volgens Boersma houden de grote bedrijven die bieden op tenders op zee al rekening met de nieuwe verdienmodellen en beperkingen. Zij kijken verder dan alleen de bouw van het park. “In de vergunningscriteria stelt de overheid al dat het project minimaal mag bijdragen aan de netcongestie. In sommige gevallen wordt zelfs bekeken of een project een deel van de netcongestie kan oplossen. Dit wordt al meegenomen in de businesscase. Waar ik voor pleit is dat de integrale visie die daar al grotendeels plaatsvindt vertaald wordt naar de 10, 20, 50 of 100 megawatt projecten op land”, zegt hij. Lees ook: Duurzame stroom vanaf de Noordzee raakt in de knel: ‘De marges zijn te klein’ Toekomstig windpark op zee heeft zonnepanelen, een batterij en maakt waterstofStroom in 2024 voor het eerst meer dan de helft groen, maar tien dagen aan elektriciteit weggegooidMet windmolens het elektriciteitsnet in balans houden? Vandebron bewijst dat het kan