Hannah van der Korput
26 september 2024, 14:00

Anders boeren: efficiënt en pesticidevrij telen in verticale kassen

Over de landbouwtransitie is al veel geschreven. Het wil maar niet vlotten, is vaak de boodschap. Gelukkig zijn er ook succesverhalen. In deze serie belichten we mensen die laten zien dat het anders kan. Dit keer: hoe het bedrijf Infinite Acres verticale voedselproductie naar ongekende hoogte brengt.

1 Infinite Acres Tisha Livingston Jelle Draper Tisha Livingston in het onderzoekscentrum van Infinite Acres in Den Haag Ypenburg. | Credits: Infinite Acres

Op een industrieterrein in Den Haag Ypenburg huist het kantoor van Infinite Acres. Omringd door autobedrijven, sportscholen, een grote kringloopwinkel en een vestiging van DHL. Niet de eerste de beste plek waar je aan denkt bij voedselproductie, en dat is ook precies waar het om gaat. Met zijn software wil het bedrijf laten zien dat vers, lokaal eten overal ter wereld kan groeien. In oude kantoren, op daken en zelfs ondergronds. Of, in dit geval, op een Haags bedrijventerrein.

De hoogte in

Gewassen worden van oudsher verbouwd op horizontale akkers in de buitenlucht. Door in de hoogte te telen, is veel minder land nodig. Dat is geen overbodige luxe in een tijd waarin de wereldbevolking nog altijd groeit. Tegelijkertijd worden delen van de aarde door klimaatverandering minder geschikt voor voedselproductie. Nu al hebben boeren te maken met extreme droogte, regenval of stormen die de oogst bedreigen. De verwachting is dat dit de komende jaren alleen maar zal toenemen. Dat vraagt om een alternatief voor de conventionele landbouw. Bij Infinite Acres zijn ze ervan overtuigd dat verticale teelt het antwoord is. Het Nederlandse-Amerikaanse bedrijf levert de technologie waarop verticale boerderijen over de hele wereld draaien.

Minder land, water en geen pesticiden

Het telen in een gesloten omgeving heeft veel voordelen, vertelt CEO Tisha Livingston. “We kunnen altijd en waar ook ter wereld voedsel produceren. Het binnenklimaat houden we constant, waardoor 365 dagen per jaar, 24 uur per dag kan worden geteeld. Dat gebeurt op een efficiënte manier. Omdat we in de hoogte werken, verbruiken we vierhonderd keer minder land voor dezelfde opbrengst. We gebruiken 95 procent minder water in vergelijking met telen op het veld. Dankzij de gesloten omgeving hoeven we geen pesticiden te gebruiken. In Amerika zijn meer pesticiden toegestaan dan in Europa. Dat is ernstig, want bestrijdingsmiddelen worden in verband gebracht met kanker en andere ziektes. Pesticiden zijn schadelijk voor mensen, maar ook voor insecten en het bodemleven. Ze zijn funest voor de biodiversiteit. Naar mijn mening is het dus beter om ze niet te gebruiken.”

Hoge opbrengsten

Verticale boerderijen generen hoge opbrengsten. Enerzijds omdat er jaarrond geteeld kan worden. Anderzijds omdat de uitval laag is. “We geven planten precies datgene wat ze nodig hebben. We bieden de perfecte hoeveelheid licht, voedingsstoffen, CO2, water en temperatuur zodat ze snel op de meest efficiënte manier groeien. Neem ijsbergsla: op het veld neemt de teelt 90 tot 120 dagen in beslag. In onze binnenkas is dat veel minder, namelijk 24 dagen. Met de sensoren, camera’s en technologie die we ontwikkelen, houden we elke groeifase van de planten in de gaten. Waar nodig, sturen telers bij. De uitval is minimaal. En doordat we veel gegevens verzamelen, wordt het teeltproces steeds efficiënter.”

Klimaatverandering

Bij landbouw in de open lucht is het een heel ander verhaal. Daar worden de opbrengsten steeds minder voorspelbaar door klimaatverandering. “We hebben te maken met meer weersextremen zoals droogte en stormen. Tegelijkertijd gaat de gemiddelde temperatuur omhoog. Dat verwart de planten. Door de temperatuurstijging weten ze niet wanneer het herfst of zomer is. Dat beïnvloedt de oogst. Met onze technologie kunnen boeren binnen telen. Daardoor zijn ze beschermd tegen alles wat er buiten in de open lucht gebeurt”, aldus Livingston.

Nog niet mainstream

Verticale boerderijen hebben potentie, maar zijn zeker nog niet mainstream te noemen. Dat ligt deels aan het kostenplaatje. Het bouwen van een indoor farm is namelijk niet goedkoop. Onder de naam 80 Acres Farms realiseerde Livingston diverse boerderijen in Amerika. Deze draaien op de technologie en software van zusterbedrijf Infinite Acres. “Bij onze productielocatie in Kentucky is meer dan 100 miljoen dollar gemoeid. Deze genereert jaarlijks zo’n 2,5 miljoen kilogram voedsel: van rucola tot basilicum en van tomaten tot komkommers. Deze vorm van voedselproductie is nieuw. Het is niet zo dat verticale boerderijen elk jaar omzet genereren. In die zin heeft de industrie zich nog niet bewezen. Dat maakt het erg lastig om financiering te krijgen vanuit banken en andere geldverstrekkers. Je begint niet zomaar een productielocatie.”

Basilicumteelt in een verticale boerderij van 80 Acres Farms. Deze draait op de technologie van zusterbedrijf Infinite Acres.

Nederlandse expertise

Daarnaast is het een uitdaging om alle disciplines optimaal met elkaar te laten samenwerken, zegt ze. “We combineren biologie met technologie. Daar komt veel expertise bij kijken. Aan de ene kant over de planten en hun eigenschappen. Anderzijds over technische zaken zoals het binnenklimaat, sensoren en data.”

Ze werkt nauw samen met diverse Nederlandse bedrijven. Voor de lichttechnologie bundelt het bedrijf de krachten met Signify uit Eindhoven. Siemens helpt met de software en automatisering. “Er zit zoveel kennis bij die bedrijven. Het zou zonde zijn om dat niet te benutten. Die expertise is cruciaal om de voedselketen te verduurzamen. Wat dat betreft, is er een hoger doel. En laten we eerlijk zijn: de samenwerkingen bieden ook veel kansen op zakelijk vlak. Wanneer het werkt en we kunnen opschalen, plukken alle partijen daar de vruchten van.”

Onderzoekscentrum in Den Haag

Onlangs opende een nieuw onderzoekscentrum in Den Haag Ypenburg. Het is gelegen op een steenworp afstand van het Westland, het kloppend hart van de Nederlandse glastuinbouw. Daar gaan de mensen van Infinite Acres zij aan zij werken met partnerbedrijven. De plek is niet bedoeld als productielocatie, maar biedt ruimte voor onderzoek.

“We hebben genoeg plannen”, licht Livingston toe. “Zo willen we onderzoeken hoe we meer gewassen kunnen produceren met minder hulpbronnen zoals energie en water. Ook willen we meer typen producten telen in de verticale boerderijen, denk aan aardbeien. We zijn in gesprek met veredelaars omdat we zien dat veel zaden zijn gemaakt voor het open veld en voor kassen. Die zaden bevatten eigenschappen die voor ons niet zo relevant zijn. Voor onze boerderijen zijn we niet op zoek naar planten die goed tegen droogte kunnen, want dat is binnen niet aan de orde. Voor ons is het veel interessanter om gewassen te ontwikkelen met het oog op smaak en voedingswaarde.”

Het onderzoekscentrum in Den Haag biedt ruimte om nieuwe kennis op te doen.

Amerika

Alle opgedane kennis wordt vervolgens geïmplementeerd in de verticale bedrijven in Amerika. “Dat is een goede plek om de inzichten toe te passen, want in de VS vindt de voedselproductie veelal buiten plaats. Tijdens de teelt worden veel pesticiden gebruikt. Het land is groot, waardoor voedsel gemiddeld elf dagen reist. De schaptijd is kort, wat voedselverspilling in de hand werkt. In Nederland wordt meer in kassen gekweekt en op een relatief duurzame manier. Het land is compact, waardoor eten sneller in de winkels ligt. Dat maakt de businesscase heel anders. Vooralsnog bouw ik liever verticale boerderijen in de VS en in andere food deserts waar het voedselaanbod onder druk staat. Maar natuurlijk, uiteindelijk willen we opschalen en veel meer productielocaties realiseren. Ik ben er namelijk van overtuigd dat verticale boerderijen bijdragen aan een duurzamer en gezonder voedselsysteem.”

Lees ook:

Hoe milieuvraagstukken steeds complexer worden - en hoe daarmee om te gaan

“Je hoeft alleen maar het journaal te kijken om te begrijpen dat alle huidige uitdagingen in Nederland grootschalig van aard zijn”, vertelt Alexander Piet, directeur projectmanagement bij WSP. “Denk aan woningbouw, infrastructurele projecten of de energietransitie. Met zulke projecten zijn vaak miljarden euro’s gemoeid en je bent er altijd wel iets of iemand mee tot last. Het zijn enorm complexe vraagstukken waarbij je met veel verschillende factoren rekening moet houden, zij het de natuur, wetgeving of omwonenden. Die projecten had je vroeger natuurlijk ook al wel, ik moet dan denken aan de Noord/Zuidlijn in Amsterdam of de Hogesnelheidslijn. Maar dit waren uitzonderingen. Nu komen zulke projecten structureel voor.” 7 miljard euro WSP is een internationaal advies- en ingenieursbureau dat zich vastbijt in complexe vraagstukken. Het helpt de Nederlandse netbeheerder TenneT bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van stopcontacten die nodig zijn om windparken op zee te verbinden met het vasteland – grootschalige bouwwerken, zowel qua formaat als qua prijs. Ook is WSP betrokken bij de Oosterweelverbinding, een project van de Belgische overheid om de ring rondom Antwerpen veiliger, bereikbaarder en schoner te maken. Dat doet het bedrijf niet alleen; meerdere aannemers en ingenieursbureaus (naast WSP onder meer Iv en Sweco) werken samen aan de reusachtige klus die alles bij elkaar zo’n 7 miljard euro gaat kosten. Eigen expertise Voor zulke samenwerking is een andere manier van werken nodig dan gebruikelijk was. “Wanneer je bijvoorbeeld binnen één discipline werkt aan het opleveren van een gebouw onder leiding van een architect of ontwikkelaar, kun je dat relatief eenvoudig door één partij laten uitvoeren”, vertelt Piet. “Even platgeslagen, je weet aan de voorkant van de vraag de stappen die je moet doorlopen om de aannemer aan het werk te krijgen: je verzamelt de uitgangspunten, maakt een berekening, werkt aan een set constructieve tekeningen en op basis daarvan levert de aannemer uiteindelijk het gebouw op. Bij grootschalige projecten gaat één partij het niet in z’n eentje uitgedacht krijgen. Je hebt veel verschillende partijen nodig met elk een eigen expertise. En waar kleinere projecten vaak een zichtbare kop en staart hebben, hebben complexe maatschappelijke opgaven met doorlooptijden van vele jaren dat vaak niet. Het proces moet voortdurend worden bijgestuurd en communicatie is daarbij heel belangrijk. Zodra elke partij zich terugtrekt om zonder verdere afstemming aan de slag te gaan, gaat het mis.” Volgens Frans-Jan Willemen, commercieel directeur bij WSP, komt dat omdat grootschalige projecten altijd meerdere problemen tegelijk raken. “Denk bijvoorbeeld aan het uitbouwen van het hoogspanningsnet. Omdat we steeds meer gebruikmaken van het elektriciteitsnet en massaal overstappen op duurzame energie, moet het hele hoogspanningsnet op de schop. Maar tegelijk speelt er ook de stikstof- en PFAS-problematiek, waardoor het moeilijk is om te bouwen. Als het niet mogelijk is om te bouwen, kun je niet tegelijk je hele land overhoop halen. Om zulke vraagstukken behapbaar te maken, worden ze verdeeld onder meerdere projecteigenaren. Een goede samenwerking tussen die verschillende partijen is dan elementair.” Regie overgedragen Maar dat is zo makkelijk nog niet, merken ze bij WSP. De nieuwe werkelijkheid is voor iedereen wennen, en dat zorgt voor uitdagingen. Zo willen opdrachtgevers steeds vaker dat advies- en ingenieursbureaus de regie over een project op zich nemen, terwijl bij ‘eenvoudigere’ projecten de opdrachtgever die regie liever zelf in handen houdt. “Het vraagt van ons dat we proactiever zijn”, meent Piet. “Vroeger konden we nog aan klanten vragen om eerst hun vraag aan ons specifieker te maken, maar nu is de vraag voor hen eigenlijk ook nog onduidelijk door de complexiteit van het werk. Daarom zitten partijen als WSP steeds meer samen met de opdrachtgever achter het stuur.” Bij projecten met verschillende betrokken adviseurs ontstaat het risico dat meerdere partijen tegelijk de leiding proberen te pakken, of vinden dat de ander zich te dominant opstelt. Piet: “Het komt voor dat partijen als gelijkwaardig de samenwerking beginnen, maar dat één partij de leiding gaat nemen, omdat die vindt dat die ergens beter in is dan de ander. Dan ontstaat een onuitgesproken hiërarchie en dat is geen goed recept voor succes.” Hij vertelt dat er vanuit verschillende landen WSP-teams aan het Oosterweel-project werken, en dat het volgens hem cruciaal is om daarbij de onderlinge verhoudingen te bewaken. “Het heeft mijn prioriteit om ervoor te zorgen dat we één team vormen, en elkaar niet zien als hoofd- en onderaannemers uit bijvoorbeeld Zuid-Afrika en Nederland. Als we in rangordes gaan praten verdwijnt de persoonlijke eigenschap van resultaat en gaat iemand zich niet meer volledig inzetten voor het project. Het is dus belangrijk om ervoor te zorgen dat iedereen zich gelijkwaardig voelt.” Andere standaarden Een andere uitdaging, merkt Willemen, is dat verschillende partijen elk hun eigen standaarden hanteren. “Partijen waarmee wij samenwerken, hebben bepaalde systemen die zij als standaard beschouwen, maar wij niet. Het gaat dan met name om digitaliseringsstandaarden, dus hoe je bestanden aan elkaar koppelt, labelt, en welke eisen je eraan stelt. Je kunt dan zeggen: dat moet je van tevoren goed regelen. Maar dat gebeurt nu eenmaal niet altijd, en als je al wel met elkaar aan tafel zit, heb je daarmee te dealen. Dat vraagt om flexibiliteit en om niet vast te zitten in je eigen oplossingsrichting.” Tot slot maakt het ‘remote’ werken, wat werknemers weliswaar veel voordelen biedt, de samenwerking bij dit soort projecten er niet makkelijker op. Piet: “Het is lastig om alles in digitale overleggen te dekken. Als je elkaar in het echt ziet, pik je dingen op die buiten afspraken om gezegd worden. Daardoor begrijp je beter wat er speelt. Als je remote werkt, kun je natuurlijk niet reageren op dingen die je niet meekrijgt. Dus een bepaalde mate van fysieke betrokkenheid is wel nodig.” Belang van communiceren Volgens WSP, die altijd op zoek is naar verdere verbetering om met dit soort grootschalige problemen om te gaan, is het toverwoord communicatie. Je kunt nog zo goed zijn in het uitdenken van een specifiek deelonderwerp, maar als je gemaakte keuzes niet kunt overbrengen naar de anderen en hen niet kunt overtuigen, heb je daar niets aan. Willemen: “Het vraagt om een andere benadering dan alleen het tentoonstellen van de technische kunde. Je moet goed kunnen uitleggen wat je prioriteiten zijn, anders ga je bij zulke projecten nergens komen. Met een goede dialoog tussen partijen leidt dat sneller tot concrete acties.” Lees ook: Geen integrale samenwerking, geen energietransitieHoe stomen we het elektriciteitsnet klaar voor een duurzame toekomst?“Future Ready ís de nieuwe norm voor een duurzame toekomst”Terug naar de basis om duurzame toekomststappen te maken in de bouw Dit artikel is gemaakt door een van onze expertredacteuren in samenwerking met onze partner WSP. Change Inc. werkt met partners die de klimaattransitie aanjagen. Zij kunnen cases presenteren waar anderen zich aan kunnen optrekken en zijn eerlijk over de uitdagingen. Niet één bedrijf is al 100 procent duurzaam, maar veel zijn onderweg. Dankzij ons partnermodel zijn onze artikelen gratis toegankelijk voor iedereen. Benieuwd naar hoe wij werken? Klik hier.