Erika van Zinderen Bakker 26 januari 2023, 12:01

Amsterdamse bedrijven moeten transparanter worden over CO2-uitstoot

Bedrijven met de gemeente Amsterdam als aandeelhouder moeten meer transparantie geven over hun CO2-reductie. Het gaat om 24 bedrijven, waarvan er acht nu al rapporteren over hun uitstoot.

Adobe Stock 550414542 Bruno Coelho Het Gemeentelijk vervoerbedrijf (GVB) rapporteert nu al over zijn CO2-uitstoot | Credits: Adobe Stock

Ondernemingen waarin de gemeente Amsterdam aandelen heeft, zogenoemde ‘deelnemingen’, moeten jaarlijks gaan rapporteren over hun CO2-uitstoot. Acht van de 24 Amsterdamse deelnemingen doen dit al. D66 wil dat álle deelnemingen in de gemeente inzicht gaan geven in hun uitstoot en diende een motie in. Die motie wordt vandaag aangenomen. D66-raadslid Rob Hofland: “We zitten in de fase waarin de extreme gevolgen van de klimaatcrisis heel zichtbaar zijn. Ook in Nederland. Het lijkt mij in 2023 niet meer dan normaal dat alle deelnemingen duidelijk zijn over hoeveel ze uitstoten. En dat ze ook laten zien hoe zij met spoed hun CO2-uitstoot terugbrengen.”

Transparant over CO2-emissie

De gemeente Amsterdam heeft het doel haar CO2-uitstoot met 60 procent (t.o.v. 1990) te verlagen in 2030 en met 95 procent in 2050. Hierbij is het van essentieel belang dat ondernemingen transparant rapporteren over hun CO2-emissie. Bedrijven die nu al rapporteren over hun uitstoot zijn bijvoorbeeld de Johan Cruijff ArenA en het Gemeentelijk vervoerbedrijf (GVB). Westpoort Warmte, dat stadsverwarming levert voor woningen en bedrijven, en ODE Energie, gespecialiseerd in warmte- en koude-installaties, doen dat nog niet. Hofland verwacht dat de ondernemingen zullen meewerken: “Het klimaatprobleem is geen nieuws voor de bedrijven. Ze zijn zelf ook doordrongen van de urgentie.”

Van elkaar leren

Als aandeelhouder beslist de gemeente niet over de dagelijkse gang van zaken van een onderneming; dat is een taak van de directie van de deelneming, maar de gemeente heeft wel invloed. Hofland: “Als je het als aandeelhouder niet eens bent met de gang van zaken, is de eerste stap het gesprek aangaan. De tweede stap is dat de bedrijven rapporteren over de stand van zaken. Ten slotte moeten ze laten zien wat ze precies gaan doen om hun CO2-uitstoot omlaag te brengen. Dat wordt interessant, want wij kunnen als gemeente ook weer dingen leren van de verschillende ondernemingen.”

Lees ook:

Schimmels, oesters en inkten: wat borrelt en bruist er in het circulaire BlueCity Lab?

BlueCity noemt zichzelf een ‘voorbeeldstad’ voor de circulaire economie. Je vindt er circulaire werkruimtes en evenementlocaties en er worden regelmatig Circular Challenges georganiseerd om reststromen van bedrijven te verwaarden naar concrete prototypes. Het Lab vorm het R&D gedeelte en het innovatieve hart van de ‘stad’. Nieuw materiaal is hard nodig In het BlueCity Lab wordt geëxperimenteerd met eetbaar plastic, schimmelpigmenten, zeewier-plaatmateriaal en ‘leer’ van tomatenstengels – om maar wat te noemen. “Dat is hard nodig”, zegt Biesheuvel. “Momenteel zijn er veel producten in omloop die gemaakt zijn van fossiele grondstoffen en die ook nog eens ingewikkeld uit elkaar te halen zijn.” Dat soort producten kunnen vaak niet gerecycled worden en eindigen daarom in de verbrandingsoven. Als het wél kan, noemen we het ‘downcycling’, omdat het materiaal in het proces degradeert tot een laagwaardigere kwaliteit. Biesheuvel noemt resthout als voorbeeld. Dat wordt gemengd met giftige lijm. “We moeten ons bij die fossiele stromen ook kritisch afvragen welke we op schaal willen recyclen. Wil je op schaal bermpaaltjes blijven maken van wegwerpplastic voedselverpakkingen of moet daar aan de voorkant van de keten iets veranderen?”In het BlueCity Lab wordt gewerkt aan de circulaire materialen van de toekomst.Bedrijfsleven moet mee het lab in Aan die vraagstukken ontleent BlueCity’s Lab zijn bestaansrecht. Er moeten nieuwe materialen op de markt komen die langer in de kringloop kunnen blijven, door recycling of doordat ze van biomaterialen zijn gemaakt en dus vergaan en aangroeien in de natuurlijke omstandigheden. Het lab bestaat uit vier losse ruimtes: een microlab, schimmellab, biochemisch lab en makerspace voor 'droge' processen. “We zijn voortdurend aan het kijken hoe we bedrijven professioneel het beste kunnen ondersteunen”, begint Biesheuvel. “Ook om het financieel duurzaam te krijgen met als eindresultaat: schaalbare alternatieven.” Komend jaar wordt die professionele ondersteuning in het Lab uitgebouwd met een aantal ketenprojecten en een nieuwe studio die organisaties begeleidt in zowel materiaal- en productontwikkeling als het verdienmodel. “Zo betrekken we het bestaande bedrijfsleven. Dat is cruciaal voor de levensvatbaarheid van deze innovaties”, legt Biesheuvel uit. Bioneers van de toekomst Biesheuvel heeft vijftien bioneers, pioniers op het gebied van duurzame materialen, onder haar hoede, waarvan ze er drie wil toelichten. Maar wel met een disclaimer. De projecten bevinden zich nog in de experimentele fase. Maar bij succes kunnen de innovaties verstrekkende gevolgen hebben voor de verduurzaming van materialen. Ze geven hoop voor de circulaire toekomst. Zo ontwikkelt Ilse Kremer van Fabulous Fungi verf van schimmels. Ze worden geproduceerd op reststromen, waardoor ze hun felle kleuren krijgen. Textielverf is een van de grootste oorzaken van vervuiling in de kledingindustrie. Je kunt verf maken uit felgekleurde groenten zoals bieten, maar in het kader van circulariteit gebruikt Kremer liever afval.Ilse Kremer aan het werk in het BlueCity Lab.Kremer sloeg de handen ineen met fermentatie-expert Nick van Biezen die in het schimmellab werkt. Samen startten ze een ketenproject met kledingmerk Iron Roots. “Daar geloven wij in”, zegt Biesheuvel, “slimme partnerships voor het ontwikkelen van innovaties die levensvatbaar zijn. Daarom is het lab onderdeel van een groter netwerk van bedrijven.” Een andere club bioneers in BlueCity ontwikkelde onder de naam Oyster Heaven een biofilm om oesterlarven te laten hechten. De biofilm is onderdeel van de oesterriffen die zij maken in onder anderen de Noordzee. “Onze Noordzee was ooit een oesterhemel”, herinnert Biesheuvel. “30 procent van de bodem was bedekt met oesterriffen. Maar wereldwijd nemen die populaties af terwijl ze een zeer belangrijke rol spelen in onze ecosystemen. Een oester zuivert per dag zo'n 200 liter water en vangt koolstofdioxide en stikstof op." Net nieuw in het lab is Greta Desirèe Facchinato van Geezyre. Ze wist een plantaardig materiaal om te zetten in printerinkt. Biesheuvel en haar team zijn er blij mee: “Ze gebruikt alle facetten van ons lab zoals we het hebben ontworpen: de 'natte' gedeeltes, zoals het biochemisch lab, voor de inkten. En het 'droge' lab, dus de werkplaats, voor het maken van cartridges. Zo kan ze de impact van print industrie terugbrengen.” Lees ook: Kledingindustrie zet steeds meer in op duurzaamheid, maar verfmethodes blijven achterBlueCity opent eerste circulaire kantoren in RotterdamBlueCity’s aantrekkingskracht op grote bedrijven groeit