Redacteur Maaike
Maaike Kooijman
20 juni 2025, 04:45

Duurzaam bouwen is niet zo duur en tijdrovend als politici en investeerders denken

De bouwsector staat voor de immense opgave om jaarlijks 100.000 nieuwe woningen te bouwen. Snel en betaalbaar, als het even kan. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) voegt daar in een nieuw advies ook ‘duurzaam’ aan toe. ‘Het één sluit het ander niet uit.’

Duurzaam bouwen kan onder meer met hout Duurzaam bouwen kan onder meer met hout, adviseert de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli). | Credits: Hans Hansen via Getty Images

In het donderdag gepubliceerde advies doet de Rli aanbevelingen voor de reductie van CO2 in de (woning)bouw. Want hoewel de overheid veel aandacht heeft voor CO2-reductie in de gebruiksfase van woningen, bijvoorbeeld door koken op gas vanaf 2050 te verbieden, is er nog weinig aandacht voor CO2-reductie in de bouwfase, constateert de Raad.

De huidige wettelijke norm voor de milieuprestatie van gebouwen (MPG) is bijvoorbeeld gericht op de gemiddelde milieu-impact over de hele levensduur van een woning. CO2-reductie in de gebruiksfase kan daarmee gemakkelijk CO2-uitstoot in de bouwfase compenseren. Maar voor het tegengaan van klimaatverandering is het van belang dat uitstoot al op korte termijn verminderd wordt.

Vernieuwde EU-richtlijn

Momenteel is zo’n 5 procent van de totale Nederlandse CO2-uitstoot afkomstig van materiaalgebruik in de woningbouw, blijkt uit de meest recente cijfers. De uitstoot als gevolg van de bouw van een woning is gemiddeld genomen gelijk aan de uitstoot van 68 jaar energieverbruik. Met name bij nieuwbouwwoningen is de verhouding tussen materiaalgebonden en gebruiksgebonden uitstoot scheef.

Reductie van die uitstoot is niet alleen noodzakelijk om opwarming van de aarde tegen te gaan, maar ook wettelijk verplicht. Volgens een vernieuwde EU-richtlijn (EPBD IV) moeten EU-lidstaten vanaf 2030 sturen op de klimaatimpact van woningen gedurende de gehele levenscyclus, inclusief de materiaalgebonden uitstoot. Het einddoel is een klimaatneutrale bouwketen in 2050. Uiterlijk in 2027 moet de overheid daarvoor een routekaart hebben ontwikkeld.

Duurzaam bouwen

Voor het bereiken van een klimaatneutrale woningbouw noemt de Rli vijf strategieën, toegespitst op slimmer, minder en duurzamer materiaalgebruik (zie kader). Maar de echte uitdaging ligt niet in de praktische uitvoering, maar in een omslag van denken, legt Karin Sluis, Rli-raadslid en commissievoorzitter van het advies Bouwen met toekomst, uit. ‘Er is nu al zo veel mogelijk. We kunnen al kleiner en lichter bouwen, fabrieksmatig bouwen en biobased materialen gebruiken. Maar de politiek en bouwketen zijn terughoudend, onder meer door het idee dat duurzaam bouwen duur en ingewikkeld zou zijn.’

‘Onze analyse laat zien dat dat niet zo is’, gaat Sluis verder. ‘Fabrieksmatig geproduceerde laag- en middenhoogbouw kan bijvoorbeeld zelfs goedkoper dan conventioneel bouwen. Bij andere woningsoorten is duurzaam bouwen iets duurder, maar de bouwtijd is vaak korter, wat de kosten omlaag brengt.’ Daarbij zullen conventionele bouwmaterialen als staal en beton als gevolg van Europese regels in prijs gaan stijgen, waardoor de kosten dichter bij die van duurzame materialen komen te liggen.

De prijs hoeft het probleem dus niet te zijn. Maar er is nog een andere drempel: Nederlandse regelgeving. Zo is de bestaande normering en certificering nog afgestemd op de eigenschappen van conventionele materialen, stelt de Rli. Daarnaast mogen materialen die in andere Europese landen al zijn gecertificeerd niet zomaar worden gebruikt in Nederland. Gemeenten maken bovendien vaak gebruik van omgevingsplannen waarin afmetingen en bouwkavels niet passend zijn voor bijvoorbeeld biobased materialen.

Duidelijke landelijke regels

De meeste aanbevelingen van de Rli zijn dan ook gericht aan het Rijk. Dat moet een routekaart met haalbare, maar ambitieuze grens- en streefwaarden opstellen, een heffing invoeren voor gebouwen die niet aan die streefwaarden voldoen en procedures en regels geschikt maken voor nieuwe vormen van bouwen.

Dat betekent overigens niet dat er extra regels bij komen, aldus Sluis. ‘Nu is er een lappendeken aan gemeentelijke, soms bovenwettelijke, regels door het land heen. Dat is vervelend voor projectontwikkelaars, die vaak actief zijn in meerdere regio’s. Duidelijke landelijke regels kunnen veel van die gemeentelijke regels vervangen. Dat past ook in het programma STOER [Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving, red.] van minister Mona Keijzer.’

Naast de rijksoverheid en gemeenten zijn ook projectontwikkelaars, woningcorporaties, bouwers en het onderwijs aan zet. Zij moeten investeren in nieuwe kennis en vaardigheden die horen bij werken met duurzame materialen. Dat kost tijd en geld, maar levert ook veel positieve bijvangst op. Sluis: ‘Als je mensen de mogelijkheid geeft om de woningnood én de klimaatcrisis aan te pakken, wordt de bouw weer een aantrekkelijke keten om in te werken. Niet onbelangrijk, nu het huidige personeelstekort als de grootste opgave voor de sector wordt gezien. Het verminderen van CO2-uitstoot tijdens de bouw is ook goed voor de gezondheid van medewerkers in de sector.’

Speciale aandacht voor prefab

Het advies besteedt speciale aandacht aan fabrieksmatig bouwen, beter bekend als prefab. Een woning wordt dan in een fabriek geproduceerd en kan op de bouwplaats soms binnen een week in elkaar worden gezet. Dat zorgt voor minder bouwafval, minder vervoersbewegingen en een hogere arbeidsproductiviteit. En waar woningbouw gemiddeld 340 kilo CO2 per vierkante meter uitstoot, is dat bij fabrieksmatig gebouwde woningen slechts 187 kilo CO2 per vierkante meter.

De capaciteit van bestaande Nederlandse woningfabrieken wordt geschat op zo’n 50.000 woningen per jaar, maar de vraag blijft vooralsnog achter. In 2024 werden slechts 13.000 fabriekswoningen opgeleverd.

Het demissionair kabinet is verplicht een reactie te geven op het advies van de Raad. Of Sluis bang is dat de uitvoering ervan stil komt te liggen door de kabinetsval? ‘We tonen aan dat je snel, betaalbaar én duurzaam kunt bouwen. Dat zou het kabinet toch aan moeten spreken, demissionair of niet.’

Vijf strategieën

Concreet noemt de Rli vijf strategieën om de CO2-uitstoot in de bouwfase van woningen omlaag te krijgen. Afzonderlijk toegepast resulteren die in een relatief beperkte CO2-reductie, maar gezamenlijk kunnen ze een substantieel verschil maken, aldus de Rli. De Raad vindt het bovendien belangrijk dat er snel wordt gehandeld. ‘Een klimaatneutrale bouwsector in 2050 vergt aanpassingen, en die kosten tijd. Als we nu beginnen voorkomen we een bouwcrisis over enkele jaren.’

Gebruik van minder bouwmaterialen
Kleiner bouwen, optoppen (het aanbrengen van extra bouwlagen op een bestaand gebouw) en het transformeren van leegstaande kantoor- en onderwijspanden tot woningen kunnen de hoeveelheid benodigde bouwmaterialen significant verminderen. Nederlanders wonen relatief groot; alleen in Ierland en Noord-Macedonië is het aandeel appartementen lager dan in Nederland. We kunnen dus van onze buren leren. In Duitsland zijn meergezinswoningen (Mehrfamilienhäuser) bijvoorbeeld een gangbare woonvorm. Een tegenvaller: onder meer de Wet betaalbare huur zorgt ervoor dat leegstaande winkelpanden steeds minder vaak worden omgebouwd tot huurwoningen, blijkt uit een rondgang van BNR.
Geschatte CO2- besparing: 16,5 procent t/m 2035, ten opzichte van 1990.

Gebruik van minder en/of lichtere installaties
De productie van technische installaties voor verwarming, koeling en ventilatie is goed voor zo’n 10 procent van de totale CO2-uitstoot in de bouwfase en maar liefst 20 tot 40 procent van de bouwkosten. Dat kan lager, bijvoorbeeld door betere isolatie en luchtdicht bouwen. Bijkomend voordeel: Nederland wordt minder afhankelijk van materialen uit het buitenland die nodig zijn voor de installaties.
Geschatte CO2- besparing: 11 procent t/m 2035, ten opzichte van 1990.

Hergebruik van bouwmaterialen
In Nederland wordt vooral gebruikgemaakt van laagwaardige recycling: beton en baksteen worden vergruisd en vervolgens gebruikt voor de aanleg van wegen. Hoogwaardig hergebruik, bijvoorbeeld door de fundering van een oud gebouw te gebruiken voor een nieuw gebouw, komt nauwelijks voor en wordt in regelgeving nog niet beloond. Om deze vorm van recycling mogelijk te maken moet in het ontwerp al rekening worden gehouden met ‘losmaakbaar bouwen’ en het ‘circulair slopen’ van woningen.
Geschatte CO2- besparing: onbekend.

Gebruik van biobased bouwmaterialen
Met biobased materialen worden vooral hout en vezelgewassen als hennep en vlas bedoeld. Samen kunnen die in potentie in zo’n 20 procent van de vraag naar bouwmaterialen voorzien. Zulke hernieuwbare materialen hebben als voordeel dat ze CO2 opslaan en zijn daarnaast gezonder voor de (toekomstige) bewoners van een huis. Vezelgewassen bieden boeren ook een alternatief verdienmodel, hoewel de productie en verwerking van vezelgewassen in Nederland momenteel nog klein is.
Geschatte CO2- besparing: 9,5 procent t/m 2035, ten opzichte van 1990.

Gebruik van CO2-arme varianten van conventionele materialen
In hun niet-duurzame vorm maken materialen als beton, baksteen en staal zo’n 80 procent van de totale CO2-uitstoot in het bouwproces uit. Vervangers als CO2-arm cement en staal gemaakt met groene waterstof zijn nog niet op grote schaal beschikbaar, hoewel de betonsector flink aan het innoveren is. Als deze technieken opschalen kunnen de kosten omlaag en neemt het gebruik ervan toe.
Geschatte CO2- besparing: 8,5 – 19,4 procent t/m 2035, ten opzichte van 1990, afhankelijk van de snelheid van verduurzaming.

Lees ook:

Milieuvervuiling kost Nederland jaarlijks zeker 46 miljard euro (en dat is niet alleen maar slecht nieuws)

De uitstoot van bepaalde stoffen veroorzaakt schade aan mens, natuur en de gebouwde omgeving. Mensen verliezen gezonde levensjaren, gebouwen worden sneller vuil en de biodiversiteit neemt af. Acht van de 189 stoffen die het PBL onderzocht zijn de grootste boosdoeners (zie afbeelding).De sectoren die via de uitstoot van schadelijke stoffen voor de grootste financiële kostenposten zorgen zijn mobiliteit (13,7 miljard), landbouw (12,7 miljard) en industrie (9,6 miljard). Waar de totale schade van mobiliteit van 2018 tot en met 2022 daalde, steeg die van landbouw en industrie.Het Planbureau ziet 46 miljard euro als ondergrens voor de werkelijke monetaire milieuschade. Over sommige stoffen, waaronder PFAS en ultrafijnstof, is nog te weinig bekend om zinvolle berekeningen te kunnen maken. Er is daarnaast puur gekeken naar verontreiniging van het milieu, niet naar bijvoorbeeld aantasting van landschap of bodemaantasting en schadelijke afvalresiduen.[caption id="attachment_160284" align="alignnone" width="901"] Emissie-uitstoot van milieuverontreinigende stoffen.[/caption] Financiële waardering van milieuschade Het PBL hanteert de schade van emissies uit het Handboek Milieuprijzen van CE Delft. Dat legt een relatie tussen emissies, de fysieke effecten op zogenoemde endpoints en de subjectieve waardering van de verandering van die effecten. Endpoints zijn de uiteindelijke effecten voor mens en natuur die worden veroorzaakt door emissies. Het schadebedrag gaat dus niet zozeer om die werkelijke schade, maar om de subjectieve financiële waardering van de schade – ofwel het verlies aan welvaart dat Nederlanders ervaren door milieuvervuiling.Opvallend is dat de schade relatief mee is gestegen met het inkomen. In de zeven jaar sinds de vorige berekening zijn de emissies door klimaat- en milieubeleid juist gedaald, blijkt uit de meest recente cijfers. De daling van de emissies weegt alleen niet op tegen de stijgende prijs ervan.Dat de schade hoger uitvalt komt onder meer door nieuwe wetenschappelijke inzichten. Zo heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2021 luchtkwaliteitsrichtlijnen aanzienlijk aangescherpt. Die ontwikkelingen zijn op zichzelf niet negatief.Ook toegenomen zorgen over milieu en klimaat spelen een rol. Daardoor waarderen mensen de schade als ernstiger. 'Sinds de coronapandemie gaan mensen vaker de natuur in', noemt milieueconoom en PBL-onderzoeker Sander de Bruyn als voorbeeld. 'De vraag naar een schoon milieu stijgt dus. Maar de hoeveelheid natuur neemt niet toe. Dan krijg je relatieve schaarste. Daardoor lopen de kosten op.'[caption id="attachment_160283" align="alignnone" width="900"] Emissie-uitstoot per sector.[/caption] Quick wins in mobiliteit en landbouw Om schade te beperken is het logisch om als eerste naar de vervuilendste sectoren te kijken, vindt De Bruyn. 'Vooral de veeteelt stoot veel vervuilende stoffen uit, met name methaan en ammoniak. Methaan is een sterk broeikasgas. En emissies van ammoniak veroorzaken schade aan de natuur en zorgen voor secundaire aerosolen, die tot gezondheidsschade kunnen leiden. Met name minder koeien houden maakt daardoor een groot verschil.' Elektrificatie van auto's heeft daarnaast een dubbel effect: dat scheelt CO2 en NOx.De milieueconoom vindt het daarnaast belangrijk dat vervuilers deze kosten op zich nemen. 'In feite is de monetaire milieuschade een onbetaalde rekening. Nu betaalt de consument die. Dat is niet eerlijk. Vervuilers moeten verantwoordelijkheid nemen voor de maatschappelijke kosten van hun daden.'De totale schade is 4,6 procent van het nationaal inkomen van Nederland. Een aanzienlijke hoeveelheid, vindt De Bruyn. 'Het debat over defensie gaat over een kleiner deel. Dat wordt al gezien als een lastig bedrag om op te hoesten.' Lees ook:Paul Schenderling: ‘Als we de milieukosten in rekening brengen, gaat Ikea waarschijnlijk failliet’ Klimaatzaken kansrijker nu onderzoek laat zien hoeveel schade bedrijven als Shell, Exxon en BP aanrichtten Opmerkelijk: bommen en granaten veroorzaken miljarden aan klimaatschade