Wilke Wittebrood
14 mei 2025, 15:00

350 luchtvaart-insiders slaan alarm: 'Ons businessmodel is onhoudbaar'

De luchtvaart zit gevangen in een vicieuze cirkel van steeds lagere prijzen en kleinere marges. Binnen zo’n systeem is verduurzamen onmogelijk, vreest Call Aviation to Action, een collectief van bezorgde luchtvaartprofessionals. Hun oproep: om toekomstbestendig te blijven, heeft de sector een CO2-budget en een radicaal nieuw businessmodel nodig.

Karel Bockstael Call Aviation to Action Karel Bockstael, voormalig directeur duurzaamheid bij KLM: 'De luchtvaart heeft zichzelf in een hoek geschilderd.' | Credits: Getty Images, Call Aviation to Action

Het gaat de verkeerde kant op met het klimaat en de luchtvaart neemt daar te weinig verantwoordelijkheid voor. Dat is de boodschap van het nieuwe collectief Call Aviation to Action, een initiatief van vijf luchtvaartprofessionals, waaraan inmiddels bijna 350 bezorgde sectorgenoten zich hebben verbonden.

Van de vijf initiatiefnemers is woordvoerder Karel Bockstael de bekendste. Hij werkte ruim dertig jaar bij KLM, de laatste drie jaar als directeur duurzaamheid, en weet dus waarover hij het heeft als hij zegt dat de sector ‘zichzelf in een hoek heeft geschilderd’.

Gevangen in systeem

Het businessmodel van de luchtvaart klopt niet meer, zegt hij. “De wereldluchtvaart houdt zichzelf gevangen in een systeem van lage prijzen en kleine marges. Het is een vicieuze cirkel: lage prijzen zorgen voor meer vraag, meer vraag zorgt voor meer aanbieders, meer aanbieders betekent meer concurrentie. Meer concurrentie zorgt ervoor dat de prijzen verder dalen en de marges nog meer onder druk komen te staan. Om overeind te blijven in dat geweld, zit er voor luchtvaartmaatschappijen maar één ding op: doorconcurreren en doorgroeien.”

Als we dat pad blijven volgen, voorziet hij, is de luchtvaart in 2050 verantwoordelijk voor een kwart van de CO2-uitstoot – terwijl Europa juist koerst op netto klimaatneutraal vliegen. “Uiteindelijk krijgt de sector dan het deksel op de neus”, zegt Bockstael. “Als de luchtvaart zelf niet genoeg doet om te verduurzamen, wat nu het geval is, zal dat vroeg of laat met harde regelgeving worden opgelegd. Nu heeft de industrie nog de kans om zelf de regie te pakken en de toekomst in eigen hand te nemen.”

Geen groei, maar schaarste

Een toekomstbestendige luchtvaart begint volgens Call Aviation to Action met het op de schop nemen van het businessmodel. “De wereldluchtvaart moet gaan opereren vanuit schaarste, in plaats van oneindige groei. Schaarste die moet worden gecreëerd aan de hand van een mondiaal koolstofbudget voor de luchtvaart”, zegt Bockstael. “Volgens het principe van het Parijsakkoord: wat mag de sector de komende 25 jaar nog uitstoten om onder de 2 graden opwarming te blijven?”

Zo’n budget is er niet voor de luchtvaart; de sector werd bij het ondertekenen van het Parijsakkoord in 2015 van de afspraken uitgesloten. VN-luchtvaartorganisatie ICAO heeft geprobeerd om de industrie alsnog aan het akkoord te verbinden, maar dat is volgens Bockstael ‘fenomenaal mislukt’.

“Er zijn nog te veel landen die er geen baat bij hebben om de luchtvaart aan banden te leggen”, zegt hij. “De olieproducerende staten, de economieën in ontwikkeling in het mondiale zuiden, waar de luchtvaart letterlijk nog van de grond moet komen. 80 procent van de wereldbevolking heeft nog nooit gevlogen; de helft van de CO2-uitstoot van vliegen wordt veroorzaakt door slechts 1 procent van de mensen.”

CO2-budget terug op de agenda

Call Aviation to Action wil het koolstofbudget, een uitstootplafond dat elk jaar daalt, terug op de agenda krijgen. Dat zou op mondiaal niveau verdeeld moeten worden, vindt Bockstael, waarbij opkomende economieën meer ruimte krijgen.

“Ook dat is geen nieuw idee”, zegt hij. “Dat ligt aan de basis van het Parijsakkoord. De luchtvaart en scheepvaart zijn destijds uitgesloten omdat door de internationale transportbewegingen lastig is om te bepalen aan welk land de emissies moeten worden toegewezen: het land van aankomst of vertrek?”

Wil de sector toekomstbestendig blijven, dan zal er volgens Call Aviation to Action toch echt een oplossing voor dit vraagstuk moeten worden gevonden. Op mondiaal niveau. Bockstael: “We hebben in de eerste plaats organisaties nodig die de handschoen oppakken en de budgetten per land vaststellen.” Daar ziet hij een rol voor de ICAO, het International Energy Agency (IEA) en de International Air Transport Association (IATA). “Die doelen moeten door de industrie worden omarmd en samen met de overheid worden vastgelegd. De overheid moet ook zorgen voor regulering.”

Innovatie aanjagen

Daarvoor is een combinatie van maatregelen nodig, denkt hij: naast het koolstofbudget gaat het onder meer om vliegbelastingen en strengere regels voor het gebruik van duurzame brandstoffen, maar ook extra investeringen in vliegen op waterstof en batterijtechnologie. Technologieën die nu nog in de kinderschoenen staan.

Met een koolstofbudget komt ook de innovatie volgens Bockstael automatisch op gang. “Bedrijven gaan dan vanzelf meer innoveren om de emissies omlaag te krijgen; die willen binnen de beschikbare CO2-ruimte zoveel mogelijk blijven vliegen. Krimp is niet het doel, al zal de verduurzaming de prijs van vliegtickets onvermijdelijk opdrijven. Nog zo’n taboe in de luchtvaart.”

Het is een heikel punt: om te veranderen, zal de sector allereerst moeten toegeven dat het zo niet verder kan. Dat is volgens Bockstael het voornaamste doel waarmee Call Aviation to Action is opgericht. “We bouwen aan een beweging van luchtvaartprofessionals die deze realiteit onder ogen zien. We willen tot in de bestuurskamers doordringen met het geluid dat het anders moet – in het belang van de industrie.”

Haaks op de lobby

Dat gebeurt nog nauwelijks, ziet Bockstael. “Er wordt simpelweg niet over gepraat. Bestuurders hebben er niet zoveel aan om er publiekelijk voor te pleiten dat het roer om moet, die zullen altijd pleiten voor groei. Terwijl ze er achter de schermen heus van doordrongen zijn dat het anders moet. Die boodschap staat alleen haaks op de huidige lobby.”

Volgens de luchtvaartexpert is dat geen onwil: de intentie is er wel, maar de financiële ruimte voor radicale verduurzaming ontbreekt. Illustratief zijn de investeringen die wél worden gedaan; maatschappijen steken wel geld in het vernieuwen van de vloot – nieuwe vliegtuigen zijn zuiniger en dus goedkoper – maar nauwelijks in het bijmengen van duurzame brandstof (SAF), omdat dat bijna drie keer zo duur is als gewone kerosine. “Daar zouden luchtvaartmaatschappijen heel snel grote stappen kunnen maken, maar dat kunnen ze zich niet veroorloven, dan prijzen ze zichzelf uit de markt.”

De mond gesnoerd

Hoe dan ook stellen luchtvaartorganisaties het bepaald niet op prijs als medewerkers afwijken van het officiële bedrijfsstandpunt. De 350 ondertekenaars van het manifest steunen het initiatief dan ook op persoonlijke titel, een deel kiest ervoor de naam van de werkgever weg te laten. “Een enkeling is door zijn leidinggevende opgeroepen om zijn naam van de lijst te halen”, zegt Bockstael. “Mensen worden soms letterlijk de mond gesnoerd.”

Dat is – zij het in mindere mate – ook zijn ervaring als directeur duurzaamheid bij KLM. “Het is heel lastig om van de corporate hoofdlijn af te wijken.”

Bockstael werkt sinds zijn vertrek bij KLM als zelfstandig adviseur en consultant. “Dat maakt het makkelijker om naar buiten te treden”, beaamt hij. “We hopen nu het stilzwijgen in de bestuurskamers te doorbreken en hebben de indruk dat dat behoorlijk goed aan het lukken is. We krijgen veel positieve respons.”

Het zijn ook niet de minsten die zich achter het initiatief scharen, leert een blik op de lijst van ondertekenaars: diverse bestuurders van luchthavens, vliegtuigfabrikanten, brandstofleveranciers en onderzoeksinstituten en – niet verwonderlijk – veel duurzaamheidsdirecteuren van luchtvaartmaatschappijen.

Het zijn mensen die het fijn vinden dat de olifant in de kamer eindelijk eens wordt benoemd, zegt Bockstael. “Omdat ze, net als ik, willen dat hun kinderen en kleinkinderen over dertig of veertig jaar nog steeds kunnen vliegen.”

Lees ook:

Windparken op zee leveren veel meer op dan energie alleen

Wind op zee is onmisbaar voor de energietransitie. Tegelijkertijd heeft de markt het moeilijk. Prijzen van benodigde grondstoffen zoals koper en staal zijn enorm gestegen. Tel daar inflatie, een hoge rente op leningen, stijgende personeelskosten en een krakende toeleveringsketen aan toe en het financiële plaatje voor windparkontwikkelaars ziet er ongunstig uit.Al zijn de investeringen in wind op zee niet alleen te vatten in geld. De turbines op zee hebben een hoop nevenfuncties. Ze zijn van grote waarde voor vissen en ander zeeleven. Leefgebied voor haaien en roggen Er zwemmen vijf soorten haaien en roggen rond bij windmolenparken aan de Nederlandse kust, blijkt uit recent onderzoek van de WUR. Onderzoekers troffen onder andere DNA-sporen aan van de reuzenhaai bij 139 turbines van windmolenpark Hollandse Kust Zuid.Onderzoekster Annemiek Hermans noemt het goed nieuws. “Een tijdlang werd gedacht dat de activiteit op windmolenparken haaien en roggen zou weerhouden. Maar onze informatie laat zien dat dat niet zo is”, verklaarde ze tegen de NOS.Aanleiding voor het onderzoek was de aanleg van de vele parken op zee. Hermans en collega’s waren bang dat de dieren verstoord zouden raken en weg zouden trekken. “Denk aan onderwaterlawaai. Veel scheepvaartbewegingen. Er worden stenen gestort; het is best wel een drukke periode”, aldus de onderzoekster. Ondanks dat lijken de haaien en roggen zich thuis te voelen tussen de windmolens. Verboden te vissen Bij windparken is vissen met sleepnetten verboden. De vissersboten zijn te groot om zonder risico tussen de windturbines te varen en bovendien kunnen de netten die over de zeebodem gaan de bekabeling beschadigen. Dat er niet gevist mag worden met een sleepnet, heeft effect op de bodemdieren die daar leven. De bodem blijft intact, wat ervoor zorgt dat dieren daar rustig kunnen leven, schuilen en voortplanten. Al hebben sommige soorten juist baat bij een zeebodem die wordt omgewoeld. Zo profiteert de garnaal van de voedseldeeltjes die dan vrijkomen. Filtervoeders, soorten die hun eten verkrijgen door water te filteren, zoals sponzen en anemonen, gedijen juist goed op een rustige zeebodem.Een onverstoorde zeebodem is daarnaast een goede opslagplaats voor koolstof. Het kan daar duizenden jaren blijven zitten. Dat is anders wanneer de bodem wordt aangetast: dan reageert de koolstof met zuurstof. Op dat moment wordt koolstofdioxide, dus CO2, gevormd. Zeewierproductie Vlak bij Scheveningen, zo’n 22 kilometer van de kust, staat De North Sea Farm #1. Het is de eerste commerciële zeewierboerderij ter wereld die pal tussen de windmolens ligt.De zeewierboerderij bestaat uit 50 meter lange buizen die op het water drijven. Daaronder zijn netten bevestigd, waar het zeewier op gaat groeien. De eerste teelt wordt binnenkort geoogst en bedraagt een verwachte opbrengst van 6.000 kilogram. Dat kan veel meer worden, zei Eef Brouwers al eerder tegen Change Inc. Hij is algemeen directeur van North Sea Farmers, de brancheorganisatie voor de Europese zeewierindustrie en eigenaar van de boerderij op zee. “Plaatsen we netten tussen veel meer windturbines op zee, dan kunnen we miljoenen tonnen zeewier kweken.” Zeewier bevat het veel vezels, mineralen, visvetzuren, vitamines en eiwitten die gebruikt kunnen worden in voeding, cosmetica, bioplastic en textiel. Koraal kweken Naast zeewier zijn windparken op zee ook geschikt om koraal te kweken. Het Deense energiebedrijf Ørsted doet dat al op vier windturbines in het Greater Changhua offshore windpark in de warme wateren bij Taiwan. Daar wordt aangespoeld koraal op de frames van de windmolens geplaatst, vlak onder het wateroppervlak. Op die manier wordt het koraal blootgesteld aan voldoende licht en heeft het de beste kans om te groeien. De wateren rond het windpark hebben een relatief stabiele temperatuur, wat het koraal ten goede komt. Oestertafels Windmolens zijn vaak gebouwd op steenachtig materiaal, als onderdeel van de fundering. Voor zeeleven is dat een geschikte omgeving om zich in te nestelen. Om dat proces op gang te brengen, worden zogenoemde oestertafels aangelegd. Dat doet stichting De Rijke Noordzee samen met ontwikkelaars van offshore windparken zoals Vattenfall en Eneco. De tafels met volwassen oesters worden rondom de windmolentorens geplaatst, waarna de oesters larven gaan produceren. Die larven hechten zich van nature aan het materiaal in de omgeving. Op hun beurt trekken de oesterbaby’s weer allerlei ander onderwaterleven aan. Schuilplaats voor kreeften De laatste in het rijtje biodiversiteitswinst van windmolenparken op zee is een onderzoek afkomstig uit Wales. Daaruit blijkt dat de Europese Noordzeekreeft zich graag terugtrekt in de stenen en keien die ter bescherming om windmolens worden geplaatst. De Homarus gammarus, oftewel de Noordzeekreeft, gebruikt die schuurbescherming als rust- en schuilplaats na het zoeken van voedsel. Dat is goed nieuws voor de Noordzeekreeft, want die wordt in Europa met overbevissing bedreigd. Lees ook:Windparken moeten op een andere manier geld gaan verdienen Changemaker Sander van Lopik (Roffa Reefs): ‘We weten serieus meer over de maan dan over koraalrif’ Bodem Noordzee laat zien dat zeespiegel veel sneller kan stijgen dan gedacht